Dit voorstel maakt het gebruik van embryo's voor andere doeleinden dan om daarmee een zwangerschap tot stand te brengen op beperkte schaal mogelijk.
Uit respect voor het menselijk leven is het wenselijk bepaalde handelingen met menselijke geslachtscellen en embryo's te verbieden, te regelen onder welke voorwaarden andere handelingen met menselijke geslachtscellen en embryo's ter verbetering van de medische zorg toelaatbaar zijn en regels te stellen met betrekking tot de zeggenschap over geslachtscellen en embryo's. Het voorstel voorziet hierin.
Deze samenvatting is gebaseerd op het wetsvoorstel en de memorie van toelichting zoals ingediend bij de Tweede Kamer.
Het voorstel is op 9 oktober 2001 aangenomen door de Tweede Kamer. SP, PvdA, D66 en VVD stemden voor. De Eerste Kamer heeft het voorstel op 18 juni 2002 na stemming bij zitten en opstaan aangenomen. CDA, SGP, ChristenUnie, OSF en het lid mw. Schoondergang-Horikx (GroenLinks) stemden tegen.
De wet is opgenomen in Staatsblad 338
van 2 juli 2002.
De inwerkingtreding is opgenomen in Staatsblad 359
van 11 juli 2002.
ingediend
26 september 2000titel
Wet houdende regels inzake handelingen met geslachtscellen en embryo's (Embryowet)schriftelijke voorbereiding
inbreng geleverd door
- VVD - mw. H.M. Dupuis
- CDA - mw. Y.E.M.A. Timmerman-Buck
- PvdA - mw. F. le Poole
- D66 - R.Ch. Hessing
- SGP, ChristenUnie - G. van den Berg
- GroenLinks - B. van Schijndel
ondertekening
inwerkingtreding
-
1.Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld met dien verstande dat de artikelen 9, 11 en 24, onderdeel b, in werking treden op het in het tweede lid bedoelde tijdstip.
-
2.Onderdeel a van artikel 24 vervalt op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. De voordracht voor dit besluit wordt gedaan na verloop van ten hoogste vijf jaren na het tijdstip van het in werking treden van dat artikelonderdeel. De voordracht voor dit besluit wordt voorts niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp van het besluit is overgelegd aan beide kamers der Staten-Generaal en evenmin indien binnen die termijn door of namens een der kamers of door tenminste een vijfde van het grondwettelijk aantal leden van een der kamers de wens te kennen is gegeven dat het tijdstip waarop onderdeel a van artikel 24 vervalt, bij wet wordt geregeld.
-
18 juni 2002
stemming (aangenomen, tegen: CDA, SGP, ChristenUnie, OSF en lid Schoondergang-Horikx)
nr. 32: blz. 1536-1537 -
11 juni 2002
behandeling
nr. 31: blz. 1488-1519 -
9 april 2002
eindverslag commissie Volksgezondheid, Welzijn en Sport
nr. 47f -
26 maart 2002
nadere memorie van antwoord
nr. 47e -
12 maart 2002
nader voorlopig verslag commissie Volksgezondheid, Welzijn en Sport
nr. 47d -
7 februari 2002
memorie van antwoord
nr. 47c -
11 januari 2002
voorlopig verslag commissie Volksgezondheid, Welzijn en Sport
nr. 47b -
17 oktober 2001
nota van verbetering van het gewijzigd voorstel van wet
nr. 47a -
9 oktober 2001
gewijzigd voorstel van wet
nr. 47
-
9 oktober 2001
stemming (aangenomen, voor: SP, PvdA, D66 en VVD))
nr. 10: blz. 428-429 -
4 oktober 2001
voortzetting behandeling
nr. 9: blz. 382-392 -
4 oktober 2001
voortzetting behandeling
nr. 9: blz. 359-378 -
3 oktober 2001
voortzetting behandeling
nr. 8: blz. 332-358 -
2 oktober 2001
behandeling
nr. 7: blz. 238-287

