Dit voorstel van rijkswet keurt het Verdrag inzake de bestrijding van strafbare feiten verbonden met elektronische netwerken (Cybercrime Verdrag) (Trb. 2002, 18
en Trb 2004, 290
) goed. Nederland voldoet al voor een groot deel aan de eisen van het Verdrag. Het wetsvoorstel Computercriminaliteit II (26.671) past de bestaande wetgeving aan met hogere straffen voor computercriminaliteit, uitbreiding van de strafbaarstelling van enkele delicten en aanscherping van de bevoegdheden van justitie en politie.
Met dit Verdrag worden de mogelijkheden ter bestijding van misdrijven die met behulp van computertechnologie worden begaan of die gericht zijn tegen de werking van computersystemen en netwerken vergroot.
Deze samenvatting is gebaseerd op het wetsvoorstel en de memorie van toelichting zoals ingediend bij de Tweede Kamer.
Het voorstel is op 15 september 2005 zonder beraadslaging en zonder stemming aangenomen door de Tweede Kamer. De Eerste Kamer heeft het voorstel op 30 mei 2006 zonder stemming aangenomen.
De wet is opgenomen in Staatsblad 299
van 13 juli 2006.
Dit voorstel werd gezamenlijk behandeld met het wetsvoorstel Computercriminaliteit II (26.671)
ingediend
15 maart 2005titel
Goedkeuring van het op 23 november 2001 te Boedapest totstandgekomen Verdrag inzake de bestrijding van strafbare feiten verbonden met elektronische netwerken (Trb. 2002, 18)schriftelijke voorbereiding
inbreng geleverd door
ondertekening
inwerkingtreding
Met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin de wet wordt geplaatst
Het Verdrag kent vier soorten bepalingen:
-
-Het materieel-strafrechtelijke deel omschrijft een aantal gedragingen die de landen in hun nationale wetgeving strafbaar moeten stellen. Het gaat om:
-
-wederrechtelijke toegang tot computersystemen,
-
-wederrechtelijke onderschepping van computergegevens,
-
-verstoring van computergegevens,
-
-verstoring van computersystemen,
-
-een aantal voorbereidingshandelingen,
-
-vervalsing van computergegevens,
-
-computergerelateerde fraude,
-
-inhoudgerelateerde misdrijven (kinderpornografie), en
-
-auteursrechtelijke misdrijven.
-
-
-Het strafvorderlijke deel omschrijft een aantal bevoegdheden die de landen in hun nationale wetgeving moeten toe kennen aan de met opsporing van strafbare feiten belaste organen. Het gaat om:
-
-de tijdelijke 'bevriezing' van bepaalde opgeslagen maar vluchtige gegevens,
-
-de tijdelijke 'bevriezing' en eventuele ontsluiting van verkeersgegevens,
-
-een bevel om specifieke computergegevens waaronder abonneegegevens te verstrekken,
-
-de bevoegdheid om computers en computergegevens te doorzoeken en eventueel in beslag te nemen c.q. te kopiƫren,
-
-de verstrekking van verkeersgegevens, en
-
-de onderschepping van specifieke inhoudgegevens.
-
-
-Bepalingen over internationale samenwerking.
-
-Inwerkingtredings- en overige bepalingen.
-
30 mei 2006
behandeling en stemming (zonder stemming aangenomen)
nr. 30, blz: 1346-1353 -
28 maart 2006
korte aantekening commissie Justitie (Just.)
-
21 maart 2006
korte aantekening commissie Justitie (Just.)
-
14 maart 2006
korte aantekening commissie Justitie (Just.)
-
14 maart 2006
eindverslag commissie Justitie (Just.)
EK, E -
7 maart 2006
korte aantekening commissie Justitie (Just.)
-
21 februari 2006
memorie van antwoord
EK, D -
20 december 2005
voorlopig verslag commissie Justitie (Just.)
EK, C -
22 november 2005
korte aantekening commissie Justitie (Just.)
-
4 oktober 2005
korte aantekening commissie Justitie (Just.)
-
27 september 2005
korte aantekening commissie Justitie (Just.)
-
15 september 2005
stemmingsoverzicht
-
15 september 2005
stemming (hamerstuk)
nr. 107, blz: 6417
