Eerste Kamerverkiezingen

De 75 leden van de Eerste Kamer worden gekozen door de leden van de twaalf Provinciale Staten. De vorm is die van getrapte verkiezingen: de burgers kiezen Provinciale Staten en de leden van Provinciale Staten kiezen op hun beurt de leden van de Eerste Kamer.

Doordat de Eerste Kamerleden niet rechtstreeks door de burgers worden gekozen, staan ze wat verder van de dagelijkse politiek af. Zij voeren bijvoorbeeld geen verkiezingscampagne.

De vereisten voor het lidmaatschap zijn hetzelfde als voor de Tweede Kamer.

Sinds de Grondwetsherziening in 1983 wordt de Eerste Kamer eens in de vier jaar gekozen. Dit gebeurt binnen drie maanden na de verkiezingen voor Provinciale Staten.

In 2011 werd de Eerste Kamer gekozen op 23 mei 2011. De nieuwe Eerste Kamer werd op 7 juni 2011 geïnstalleerd.

In 2007 werd de Eerste Kamer gekozen op 29 mei 2007.

In 2003 werd de Eerste Kamer gekozen op 26 mei 2003.



LeesVoor

Zetelverdeling

Alle Statenleden brengen op de verkiezingsdag hun stem uit op één van de kandidaten voor de Eerste Kamer. Deze kandidaten staan per partij op één of meer lijsten.

Niet elk Statenlid heeft een even zware stem. Door 'weging' wordt een relatie gelegd met het inwonertal van de provincie. Het inwonertal wordt daarbij gedeeld door het honderdvoud van het aantal Statenleden van de provincie. De uitkomst heet de stemwaarde.

Bij de Provinciale Statenverkiezingen van 7 maart 2007 is het aantal Statenleden verlaagd van 764 leden naar 564 Statenleden, als gevolg van een wijziging van de Provinciewet.

De op een partij in een provincie uitgebrachte stemmen worden vermenigvuldigd met de stemwaarde. De uitkomst van deze som heet stemcijfer.

De zetelverdeling geschiedt met behulp van de kiesdeler. Deze wordt berekend door de som van de stemcijfers van alle provincies te delen door het aantal beschikbare zetels (75).

Voor iedere partij wordt gekeken welk stemcijfer zij in totaal heeft behaald (in feite dus hoeveel stemmen zij heeft gekregen en welke stemwaarde die stemmen hadden). Dat totaal wordt gedeeld door de kiesdeler. De uitkomst van die deling levert het zetelaantal per partij op.


LeesVoor

Voorbeeld

In Provinciale Staten van Groningen krijgt partij A 10 stemmen, in de Staten van Zuid-Holland 15 enzovoort.

Als de stemwaarde in Groningen 100 is, is het stemcijfer van partij A in die provincie 10 x 100 = 1000. Bij een stemwaarde van 400 in Zuid-Holland is het stemcijfer daar 15 x 400 = 6000.

Laten we aannemen dat de kiesdeler is 150.000 : 75 = 2000. Om één zetel te behalen heeft een partij dan een stemcijfer van 2000 nodig.

Stel partij A behaalt in alle provincies in totaal een stemcijfer van 52.000. Zij krijgt dan 52.000 : 2000 = 26 zetels.


LeesVoor

Restzetels

Omdat de uitkomst niet altijd een rond getal oplevert, blijven er reststemmen over. Deze worden verdeeld aan de hand van een systeem van grootste gemiddelden.

Hierbij wordt voor iedere lijst één zetel opgeteld bij het behaalde aantal volle zetels. Het aantal stemmen wordt gedeeld door het aantal zetels; zo wordt dus het gemiddeld aantal stemmen per lijst per zetel berekend voor het geval de te verdelen restzetel naar die lijst zou gaan. De lijst met het grootste gemiddelde krijgt een restzetel toebedeeld.

Aldus ontstaat een nieuwe tussenstand bij de zetelverdeling. Zolang er nog restzetels te verdelen zijn, wordt de hierboven beschreven procedure herhaald. Uitgaande van de nieuwe tussenstand wordt dan wederom voor iedere lijst één zetel opgeteld bij het (in de tussenstand) behaalde aantal zetels, en wordt de volgende restzetel wederom toebedeeld aan de lijst met het grootste gemiddelde aantal stemmen per zetel.


LeesVoor

Hoe was het vroeger

Pas in 1848 werden de Eerste Kamerleden gekozen. Daarvoor benoemde de koning de leden voor het leven.

In 1848 werd bepaald dat de Provinciale Staten de leden zouden kiezen. Iedere provincie had een vast aantal afgevaardigden (Zeeland bijvoorbeeld twee en Noord-Holland bijvoorbeeld zes).

De leden werden tot 1922 voor negen jaar gekozen, waarbij om de drie jaar eenderde deel van de Kamer werd vernieuwd.

Tot 1922 werd iemand verkozen als hij in de Provinciale Staten de absolute meerderheid behaalde. In 1922 werd overgestapt naar het stelsel van evenredige vertegenwoordiging. Alle stemmen tellen sindsdien mee voor de bepaling van de zetelverdeling.

In 1923 werd een ander stelsel voor de verkiezingen ingevoerd. Er werden vier groepen van provincies ingesteld. Om de drie jaar kozen twee van deze groepen de helft van het aantal Eerste Kamerleden. De zittingsduur van de leden was zes jaar.

In 1983 werd besloten dat alle leden voortaan om de vier jaar tegelijkertijd door alle provincies zouden worden gekozen.

Het ledental van de Eerste Kamer was niet altijd hetzelfde. Tussen 1815 en 1848 was er geen vast aantal leden (tussen 1815 en 1830 lag het aantal tussen de 40 en 55, na 1830 waren er ongeveer 30 leden). In de periode 1848-1888 waren er 39 leden. Vanaf 1888 werd het aantal 50 en in 1956 volgde de uitbreiding tot 75 leden.