28.168

Wet op de jeugdzorg

Dit wetsvoorstel vervangt de Wet op de Jeugdhulpverlening en biedt, als daarop geen aanspraak bestaat in gevolge de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) of de Beginselenwet Justitiële jeugdinrichtingen, uniforme toegang tot verschillende vormen van jeugdzorg. Het voorstel regelt de aanspraak op, de toegang tot en de bekostiging van die jeugdzorg.

Met dit voorstel wordt ook de toegang tot andere jeugdzorg, zoals de geestelijke gezondheidszorg voor kinderen en jeugdigen (jeugd-GGZ), de zorg voor verstandelijk gehandicapten met opgroei- en opvoedingsproblemen en tot de civielrechtelijke plaatsing in justitiële jeugdinrichtingen geregeld. De aard, inhoud en omvang van deze aanspraak zullen bij algemene maatregel van bestuur (AMvB) worden aangegeven.

Deze samenvatting is gebaseerd op het wetsvoorstel en de memorie van toelichting zoals ingediend bij de Tweede Kamer.


LeesVoor

Stand van zaken

Meer info

Tweede Kamer
Meer info
Schriftelijke voorbereiding
Eerste Kamer
Meer info
Plenair
 
Meer info
Afkondiging
Staatsblad(en)

Het voorstel is op 24 juni 2003 met algemene stemmen aangenomen door de Tweede Kamer. De plenaire behandeling in de Eerste Kamer vond plaats op 5 en 6 april 2004. Het voorstel is op 20 april 2004 na stemming bij zitten en opstaan aangenomen. De fractie van de VVD stemde tegen. Tijdens de plenaire behandeling is de Motie-Soutendijk-van Appeldoorn (CDA) c.s. inzake rapportage met betrekking tot verschillende aspecten van de werking van de Wet op de Jeugdzorg (EK 28.168, F) ingediend. De motie is op 20 april 2004 na stemming bij zitten en opstaan met algemene stemmen aangenomen.

De wet is opgenomen in Staatsblad 306  pdf icoon van 6 juli 2004.

De inwerkingstelling van delen van de wet is opgenomen in Staatsblad 420  pdf icoon van 26 augustus 2004.

De inwerkingstelling van delen van de wet is opgenomen in Staatsblad 701  pdf icoon van 28 december 2004.

Nadere bepaling van het tijdstip van de inwerkingtreding van artikel 78, onderdeel D is opgenomen in Staatsblad 699  pdf icoon van 28 december 2005.

De inwerkingtreding van artikel 78, onderdeel D is opgenomen in Staatsblad 640  pdf icoon van 14 december 2006.

De Eerste Kamercommissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport heeft op 25 april 2006 besloten een gesprek met de Jeugdzorgbrigade te houden. Dat gesprek vond plaats op 31 oktober 2006. In het gesprek werden de eerste slot-icoon, de tweede  pdf icoon en de eindrapportage  pdf icoon van deze brigade besproken.

De Eerste Kamercommissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport heeft op 10 oktober 2006 de Voortgangsrapportage 2006 Wet op de jeugdzorg (brief van de staatssecretaris Volksgezondheid, Welzijn en Sport d.d. 25 september 2006  pdf icoon en bijlage wijzigingen beleidskader  doc icoon en bijlage financieel kader  doc icoon) voor kennisgeving aangenomen.

Aan de hand van de Evaluatie van de Wet op de jeugdzorg (TK 30.899, nr. 1)  pdf icoon met bijlage Eindrapport Evaluatieonderzoek Wet op de jeugdzorg  pdf icoon en bijlage Eindrapportage van de werkgroep IBO financiering jeugdbeleid  pdf icoon) zal nog een plenair beleidsdebat over de jeugdzorg plaatsvinden.


LeesVoor

Kerngegevens

ingediend

18 december 2001

titel

Regeling van de aanspraak op, de toegang tot en de bekostiging van jeugdzorg (Wet op de jeugdzorg)

schriftelijke voorbereiding


inbreng geleverd door


ondertekening


inwerkingtreding

  • 1. 
    Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld;
  • 2. 
    Artikel 78, onderdeel D, treedt in werking met ingang van 1 januari 2006. Bij koninklijk besluit kan een later tijdstip worden bepaald, indien de beschikbare plaatsruimte in de desbetreffende justitiële jeugdinrichtingen zulks noodzakelijk maakt;
  • 3. 
    Tot het tijdstip waarop artikel 78, onderdeel D, in werking treedt, is plaatsing van een jeugdige als bedoeld in artikel 11a, eerste lid, in een justitiële jeugdinrichting als bedoeld in artikel 1, onder b, van de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen, slechts mogelijk indien de stichting een besluit heeft genomen waaruit blijkt dat de jeugdige op die plaatsing is aangewezen;
  • 4. 
    Tot het tijdstip, bedoeld in het derde lid, luidt artikel 5, tweede lid, onder d, als volgt:
  • d. 
    jeugdzorg te verlenen door een justitiële jeugdinrichting als bedoeld in het derde lid;
  • 5. 
    Voor de toepassing van artikel 10 en van artikel 261 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek wordt tot het tijdstip, bedoeld in het derde lid, een besluit als bedoeld in het derde lid gelijkgesteld met een besluit als bedoeld in artikel 6, eerste lid;
  • 6. 
    Tot het tijdstip, bedoeld in het eerste lid, is artikel 10, eerste lid, onder g, van overeenkomstige toepassing met betrekking tot een plaatsing in een justitiële jeugdinrichting als bedoeld in het derde lid.

LeesVoor

Documenten