EUROPESE UNIE

Comité van de Regio's

 

CONST-030

Brussel, 16 februari 2006

NL

- Belliardstraat 101 - B-1040 BRUSSEL - Tel. +32 (0)2/282 22 11 - Fax +32 (0)2/282 23 25 -

Internet http://www.cor.eu.int

ADVIES 
van het Comité van de Regio’s

van 16 februari 2006

over

de Mededeling van de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement

"Het Haags Programma: tien prioriteiten voor de komende vijf jaar 
Het partnerschap voor Europese vernieuwing op het gebied van vrijheid, veiligheid en recht"
COM(2005) 184 final

de Mededeling van de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement tot vaststelling van een kaderprogramma betreffende ‘Veiligheid en bescherming van de vrijheden’ voor de periode 2007-2013 en

Voorstellen voor Besluiten van de Raad tot vaststelling van het specifieke programma “Terrorisme: preventie, paraatheid en beheersing van de gevolgen”  
alsmede tot vaststelling van het specifieke programma betreffende “Preventie en de bestrijding van criminaliteit”  
in het kader van het algemeen programma “Veiligheid en bescherming van de vrijheden”

COM(2005) 124 final – 2005/0034 (CNS) – 2005/0035 (CNS)

de Mededeling van de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement tot vaststelling van een kaderprogramma met betrekking tot ‘Grondrechten en justitie’ voor de periode 2007-2013 en

Voorstellen voor Besluiten van de Raad tot vaststelling van

-      het specifieke programma "Geweldbestrijding (Daphne) en drugspreventie en -voorlichting",

-      het specifieke programma “Grondrechten en burgerschap”,

-      het specifieke programma “Strafrecht" en

-      het specifieke programma “Civiel recht" 
als onderdelen van het algemene programma “Grondrechten en justitie”

COM(2005) 122 final – 2005/0037 (COD) – 2005/0038 (CNS) – 2005/0039 (CNS)

– 2005/0040 (COD)

_____________

 

 

HET COMITÉ VAN DE REGIO'S,

GEZIEN de Mededeling van de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement van 10 mei 2005 "Het Haags Programma: tien prioriteiten voor de komende vijf jaar. Het partnerschap voor Europese vernieuwing op het gebied van vrijheid, veiligheid en recht" (COM(2005) 184 fin),

GEZIEN de Mededeling van de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement van 6 april 2005 tot vaststelling van een kaderprogramma met betrekking tot grondrechten en justitie voor de periode 2007-2013 en Voorstellen voor Besluiten van de Raad tot vaststelling van het specifieke programma "Geweldbestrijding (Daphne) en drugspreventie en -voorlichting", het specifieke programma “Grondrechten en burgerschap”, het specifieke programma “Strafrecht" en het specifieke programma “Civiel recht" als onderdelen van het algemene programma “Grondrechten en justitie”

(COM(2005) 122 fin – 2005/0037 (COD) – 2005/0038 (CNS) – 2005/0039 (CNS) – 2005/0040 (COD)),

GEZIEN de Mededeling van de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement tot vaststelling van een kaderprogramma betreffende “Veiligheid en bescherming van de vrijheden” voor de periode 2007-2013 en Voorstellen voor Besluiten van de Raad tot vaststelling van het specifieke programma “Terrorisme: preventie, paraatheid en beheersing van de gevolgen” alsmede tot vaststelling van het specifieke programma betreffende “Preventie en de bestrijding van criminaliteit” in het kader van het algemeen programma “Veiligheid en bescherming van de vrijheden”

(COM(2005) 124 fin – 2005/0034 (CNS) – 2005/0035 (CNS)),

GEZIEN het besluit van de Europese Commissie van 10 mei 2005 om het Comité in overeenstemming met artikel 265, eerste alinea, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap over deze materie te raadplegen,

GEZIEN het besluit van zijn bureau van 12 april 2005 om de commissie Constitutionele aangelegenheden en Europese governance te belasten met de voorbereiding van een advies over deze voorstellen,

GEZIEN zijn advies over "Een ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid: De rol van de regionale en lokale overheden bij de tenuitvoerlegging van het Haags programma" (CdR 223/2004 fin1),

 

Gezien zijn advies van 12 oktober 2005 over “Terreuraanslagen – preventie, paraatheid en reactie”, “De voorkoming en bestrijding van terrorismefinanciering door maatregelen om informatie-uitwisseling, transparantie en traceerbaarheid van financiële transacties te verbeteren”, “Terrorismebestrijding: paraatheid en beheersing van de gevolgen” en “Terrorismebestrijding: bescherming van kritieke infrastructuur” (CdR 465/2004 fin),

 

GEZIEN het ontwerpadvies (CdR 122/2005 rév.) dat door de commissie Constitutionele aangelegenheden en Europese governance op 12 december 2005 werd goedgekeurd (rapporteur: de heer Opstelten, burgemeester van Rotterdam),

1)  OVERWEGENDE dat de mate waarin het Europese beleid inzake vrijheid, veiligheid en recht de komende jaren succesvol zal zijn, doorslaggevend zal zijn voor het oordeel van de Europese burger over de meerwaarde van de Europese Unie;

 

2)  OVERWEGENDE dat in de meeste lidstaten, regionale en lokale overheden verantwoordelijkheden hebben op het terrein van orde en veiligheid, alsook vaak (mede) verantwoordelijk zijn voor de aanpak van sociaal-maatschappelijke problemen die kunnen leiden tot onveiligheid;

 

3)  OVERWEGENDE dat de effectiviteit en efficiency van het beleid van de Europese Unie inzake veiligheid, vrijheid en recht op een aantal onderdelen - zoals burgerschap, crisismanagement, bestrijding van terrorisme, integratie, informatie-uitwisseling en de aanpak van georganiseerde criminaliteit -  in sterke mate mede wordt bepaald door de wijze waarop regionale en lokale overheden hun verantwoordelijkheden op die onderdelen waarmaken;

 

4)  OVERWEGENDE dat de cruciale rol die regionale en lokale overheden op die onderdelen van het beleid inzake veiligheid spelen, op dit moment op Europees niveau onvoldoende wordt onderkend en recht gedaan;

 

5)  OVERWEGENDE dat onderkenning van de rol van de regionale en lokale overheden op het niveau van de Europese Unie met name zou moeten leiden tot voorwaarden scheppen, stimuleren en faciliteren, vanuit een heldere visie op een effectieve en evenwichtige taakverdeling tussen de Europese Raad en de Commissie enerzijds en de nationale overheden anderzijds op het gebied van vrijheid, veiligheid en recht, in combinatie met een actieve, initiërende opstelling vanuit de regionale en lokale overheden zelf, zowel binnen het kader van het Comité van de Regio's als daarbuiten;

heeft tijdens zijn 63e zitting op 15 en 16 februari 2006 (vergadering van 16 februari) het volgende advies uitgebracht:

1. Standpunten van het Comité van de Regio's

1.1 Het Comité van de Regio’s heeft waardering voor de wijze waarop de Commissie de uitwerking van het Haags programma ter hand heeft genomen. De uitgebreide lijst van maatregelen en acties in het actieprogramma COM(2005)184 en de kaderprogramma’s COM(2005)124 en COM(2005)122 getuigen van wilskracht en vastbeslotenheid om de belangen van vrijheid, veiligheid en recht binnen Europa te versterken. 

1.2 Het Comité is van mening dat vrijheid, veiligheid en recht terecht prioriteit krijgen binnen de Europese Unie. Het zijn waarden die de burgers van Europa na aan het hart liggen. De discussie met betrekking tot het grondwettelijk verdrag heeft laten zien dat veel burgers ontevreden zijn met de resultaten van de Europese Unie. Het tot nu toe gevoerde beleid om de kloof tussen de EU en de burgers te dichten, is onvoldoende succesvol gebleken. Doordat regionale en lokale overheden dicht bij de burger staan, ervaren zij rechtstreeks dat hun burgers zich steeds vaker van de Europese Unie afkeren.

1.3 Het Comité is van mening dat een unieke kans om nieuwe burgersteun te werven ligt in vernieuwing en modernisering van het Europese beleid inzake vrijheid, veiligheid en recht. Laat de burger zien én merken dat de Europese Unie een belangrijke, concrete bijdrage levert aan de verbetering van de veiligheid van zijn leefomgeving en de bescherming van zijn vrijheden en rechten.

1.4 Het Comité merkt op dat vernieuwing en modernisering van het beleid inzake vrijheid, veiligheid en recht erkenning vereisen van de cruciale rol van de regionale en lokale overheden. Op dit punt signaleert het in het huidige beleid een belangrijke omissie, door de sterke nadruk op de rol van nationale overheden. Nationale overheden kunnen veel problemen niet oplossen zonder de inzet van regionale en lokale overheden. Regionale en lokale overheden vormen de frontlinie als het gaat om bijvoorbeeld de initiële bestuurlijke en operationele reactie op uitingen van catastrofaal terrorisme, pandemieën, natuurrampen, explosies of branden op industriële complexen, stroomstoringen, rampen bij grote evenementen, enz. Regionale en lokale overheden vormen eveneens de frontlinie als het gaat om bijvoorbeeld bestrijding van overlast, criminaliteit en geweld op straat, het bevorderen van een effectieve integratie van nieuwe Europese burgers, het treffen van maatregelen om bedreigende radicalisering - op welk gebied dan ook - te voorkomen.

1.5 De Europese Unie - de gezamenlijke lidstaten - en de regionale en lokale overheden hebben elkaar nodig om te komen tot een voor de burger zichtbare en merkbare verbetering van vrijheid, veiligheid en recht. In het huidige Europese beleid komt dit onvoldoende tot uiting. Daardoor kan nu reeds worden vastgesteld dat, als het beleid op de huidige wijze wordt voortgezet, het onvoldoende effectief zal zijn. De frontlinie krijgt onvoldoende ondersteuning en wordt onvoldoende strategisch ingezet. Er is ook onvoldoende besef dat, bij veel problemen op het terrein van vrijheid, veiligheid en recht, een adequate en efficiënte inzet van de frontlinie al voldoende kan zijn om de strijd te winnen.

1.6 Vernieuwing en modernisering moeten ook vorm krijgen door een meer systematische, gestructureerde visie op het Europese beleid inzake vrijheid, veiligheid en recht. De lange lijst met zeer uiteenlopende en op het oog los van elkaar staande maatregelen en acties, die als bijlage bij het actieprogramma is gevoegd, komt de inzichtelijkheid, herkenbaarheid en uitvoerbaarheid van het beleid niet ten goede. Het is illustratief dat niet alle punten van het Haags programma zijn uitgewerkt in het actieprogramma; dat het actieprogramma ten opzichte van het Haags programma op onderdelen nieuwe punten bevat; dat de tot nu toe verschenen financiële kaderprogramma's niet het volledige actieprogramma bestrijken.

1.7 Het Comité van de Regio's roept op tot bundeling van krachten om de ernstige problemen op het terrein van vrijheid, veiligheid en recht in Europa aan te pakken. Het gevoel van urgentie bij burgers, bedrijven, organisaties, instellingen, bestuurders en (democratisch gekozen) vertegenwoordigers op alle overheidsniveaus is groot. Het volstaat niet meer om min of meer vrijblijvend opinies uit te wisselen. Een slagvaardige aanpak, ontdaan van bureaucratische hindernissen, is geboden. Het Comité stelt hieronder een aantal concrete acties voor, die het startpunt van zo'n aanpak kunnen vormen.

2.  Aanbevelingen van het Comité van de Regio's

Algemene aanbevelingen betreffende de ontwikkeling en uitvoering van het Europese beleid inzake vrijheid, veiligheid en recht

Het Comité van de Regio's

2.1 vindt dat de komende jaren het actieprogramma ter uitwerking van het Haags programma inhoudelijk moet worden aangepast conform zijn adviezen. In het actieprogramma concludeert de Commissie zelf reeds dat - gelet op het politieke karakter van het beleidsterrein inzake vrijheid, veiligheid en recht - aanpassing van het actieprogramma waar nodig mogelijk moet zijn. Eind 2006 is een mid-term review van het actieprogramma voorzien; er moet voor worden gezorgd dat bij die mid-term review  expliciet wordt gemaakt op welke wijze de positie van regionale en lokale overheden in het beleid is verstevigd;

2.2 is van mening dat moet worden bevorderd dat de kaderprogramma's in die zin worden aangepast dat:

·      het principe wordt vastgelegd dat een deel van de financiële middelen voor de uitvoering van het actieprogramma ter beschikking wordt gesteld aan lokale en regionale overheden;

·      er geen enkele twijfel over kan bestaan dat initiatieven van lokale en regionale overheden met potentiële Europese impact daadwerkelijk kunnen worden ondersteund. Artikel 4 van de betreffende programma's zou hiertoe moeten worden verduidelijkt of aangevuld. 'Impact op Europees niveau' zou in dit verband overigens moeten betekenen: belangrijke gevolgen voor het beleid inzake vrijheid, veiligheid en recht in een aantal lidstaten. De problemen, oorzaken en oplossingen voor de veiligheidsproblematiek zijn immers niet in alle lidstaten van de Europese Unie gelijk;

·      ook activiteiten van lokale en regionale overheden, die een bredere strekking hebben dan het onderwerp van één deelprogramma en daarmee in feite onderwerpen van verschillende deelprogramma's combineren, voor ondersteuning in aanmerking komen. Te denken is bijvoorbeeld aan (inter)stedelijke programma's gericht op het tegengaan van geweld, de bestrijding van georganiseerde criminaliteit, verbetering van informatie-uitwisseling en koppeling van gegevensbestanden, het tegengaan van radicalisering, enz. Er moet voor worden gezorgd  dat dergelijke initiatieven bij één loket kunnen worden ingediend en langs één inzichtelijke besluitvormingsprocedure kunnen worden afgehandeld;

2.3 vindt het opvallend dat de voorliggende kaderprogramma's in de toelichtende teksten worden beschreven als een belangrijke vereenvoudiging van het stelsel van budgettering en financiering. Vanuit het perspectief van de Brusselse belevingswereld zal dit zeker juist zijn; vanuit het perspectief van de regionale en lokale overheden is het stelsel in zijn huidige vorm veel te gecompliceerd en sluit het niet aan bij de behoefte van de uitvoeringspraktijk;

2.4 stelt voor dat er per lidstaat ten behoeve van de mid-term review van het actieprogramma een rapportage op hoofdlijnen zal worden opgesteld over de betekenis van het Haags programma en het actieprogramma voor de regionale en lokale overheden in de betreffende lidstaat. Daarbij dienen dan in ieder geval (ook) de volgende vragen te worden beantwoord:

·      op welke wijze zijn de regionale en lokale overheden actief betrokken bij de voorbereiding van het Europese beleid inzake vrijheid, veiligheid en recht;

·      op welke wijze zijn de regionale en lokale overheden actief betrokken bij het waarborgen van een effectieve uitvoering van het Europese beleid inzake vrijheid, veiligheid en recht;

·      op welke wijze kan de actieve betrokkenheid van de regionale en lokale overheden bij de voorbereiding en uitvoering van het Europese beleid inzake vrijheid, veiligheid en recht binnen de betreffende lidstaat worden verbeterd;

·      in welke mate spelen regionale en lokale overheden in op Europese coördinatie, ondersteuning, informatievoorziening, en dergelijke op het gebied van vrijheid, veiligheid en recht - bijvoorbeeld door gebruik te maken van ontwikkelde best practices of juist door in samenwerking best practices te ontwikkelen;

2.5 zou graag zien dat regionale en lokale overheden in de lidstaten bij de opstelling van deze rapportages worden betrokken en dat op basis van de rapportages een Europese benchmark wordt opgesteld. In 2006/2007 zou dan een rondetafelconferentie moeten worden georganiseerd waarbij de Commissie, vertegenwoordigers van de lidstaten en leden van het Comité van de Regio's, zo mogelijk aangevuld met deskundigen en relevante netwerkorganisaties, deze benchmark bespreken en voorzien van conclusies en aanbevelingen;

2.6 verzoekt te ondersteunen en te faciliteren dat zijn leden - in samenwerking met de Commissie - in 2006/2007 een actieprogramma Vrijheid, veiligheid en recht kunnen opstellen, dat voor de regionale en lokale overheden die zich aan dat programma committeren, concrete doelstellingen bevat die - ook vanwege de 'spin-off' van een dergelijke actie naar andere regionale en lokale overheden - een bijdrage kunnen leveren aan een effectiever Europees beleid inzake vrijheid, veiligheid en recht. Dergelijke doelstellingen zouden in ieder geval betrekking kunnen hebben op:

·      het ontwikkelen en toegankelijk maken van best practices, bijvoorbeeld met betrekking tot crisismanagement, terrorismebestrijding, integratie, het tegengaan van radicalisering, de bestuurlijke aanpak van georganiseerde criminaliteit;

·      informatie-uitwisseling en het organiseren van ondersteunende netwerken;

·      het organiseren van kennisoverdracht, kwaliteitszorg en opleidingsprogramma's;

2.7 vindt dat benadrukt moet worden dat de regionale en lokale overheden zelf (mede) initiatieven moeten nemen om hun positie in het Europese beleid inzake vrijheid, veiligheid en recht te verstevigen, teneinde de effectiviteit van dat beleid in zijn geheel te vergroten;

2.8 dringt aan op bevordering van een goede informatiepositie van regionale en lokale overheden over het Europese beleid inzake vrijheid, veiligheid en recht. Veel informatie is wel beschikbaar maar niet eenvoudig te vinden of onvoldoende toegankelijk. Voor diegenen bij regionale en lokale overheden die niet of nauwelijks een beeld hebben van de relevantie van de activiteiten van de Europese Unie op het terrein van vrijheid, veiligheid en recht - en dat betreft waarschijnlijk op dit moment nog een grote groep - geldt dat zij door de huidige informatiestromen niet bereikt worden. Samen met het Comité zouden de mogelijkheden moeten worden bezien om:

·      de doelgroep regionale en lokale overheden actiever, gerichter en concreter ("wat betekent het voor u?") te informeren over het Europese beleid inzake vrijheid, veiligheid en recht, bijvoorbeeld door het organiseren van interactieve informatiemarkten;

·      in het informatiebeleid rekening te houden met verschillende categorieën binnen de doelgroep, zoals hierboven geschetst;

·      een organisatorische voorziening te treffen - bijvoorbeeld in termen van één frontoffice met meerdere backoffices - waarbij lokale en regionale overheden terecht kunnen met al hun vragen en informatieverzoeken met betrekking tot het Europese beleid inzake vrijheid, veiligheid en recht;

2.9 meent dat het proces van ontwikkeling, uitvoering, handhaving en evaluatie van het Europese beleid inzake vrijheid, veiligheid en recht op een zodanige wijze moet worden georganiseerd dat de betrokkenheid van regionale en lokale overheden - met name op die onderdelen van het beleid die rechtstreeks verantwoordelijkheden van die overheden betreffen - in de gehele keten gewaarborgd is. Voor zover op dit moment al sprake is van betrokkenheid, is dat onvoldoende merkbaar in het resultaat. Het is wenselijk dat dit advies mede bij de rondetafelconferentie als bedoeld in par. 2.5 wordt betrokken;

2.10 adviseert het niet bij abstracties te laten van het genre 'dat het zeer belangrijk is om regionale en lokale overheden intensief te betrekken', maar om een concrete vertaalslag naar bijvoorbeeld aanpassing van werkwijzen bij Raad, Commissie en Europees Parlement te maken; op het terrein van vrijheid, veiligheid en recht zou bijvoorbeeld standaard een hoofdstuk "De rol van regionale en lokale overheden" kunnen worden opgenomen in de toelichtende teksten bij mededelingen, voorstellen en besluiten. De meerwaarde van een dergelijk hoofdstuk ligt niet eens zozeer in de uiteindelijke inhoud, maar vooral in de prikkel die ervan uitgaat naar het voorbereidingsproces van documenten;

2.11 vindt dat gebruik gemaakt moet worden van de regionale en lokale overheden als 'kraamkamer' van concrete, uitvoeringsgerichte ideeën ten aanzien van het beleid inzake vrijheid, veiligheid en recht. Als 'frontlinie' beschikken de gezamenlijke regionale en lokale overheden binnen Europa over praktische ervaringen, inzichten en expertise die op het niveau van de nationale overheden vaak in mindere mate aanwezig zijn. De aanwezige denkkracht moet worden gemobiliseerd en moet een prominente plaats krijgen bij de voorbereiding van het beleid;

2.12 verzoekt te bevorderen dat bij de voorgestelde monitoring van het Haags programma en het actieprogramma (het jaarlijkse scorebord) op die beleidsonderdelen waarvoor regionale en lokale overheden een directe verantwoordelijkheid dragen, deskundigenteams vanuit de regionale en lokale overheden worden betrokken, zodat rechtstreeks kan worden vernomen hoe het beleid in de praktijk werkt;

2.13 pleit voor een meer systematische, gestructureerde visie indien het wenselijk is de huidige programmatische aanpak van het Europese beleid inzake vrijheid, veiligheid en recht voort te zetten. Uitgangspunt daarbij moet zijn dat maatregelen alleen kans van slagen hebben, als zij binnen een logische keten van samenhangende activiteiten worden uitgevoerd;

2.14 merkt op dat het weinig zin heeft om overheden meer mogelijkheden te geven om informatie in te winnen over de integriteit van personen (bijvoorbeeld aanvragers van vergunningen of subsidies), als overheden geen beleid inzake integriteit vaststellen, geen instrumenten hebben waarbij een integriteitstoets kan plaatsvinden en de regelgeving inzake integriteit niet handhaven. Zo heeft het ook weinig zin om te investeren in de repressieve aanpak van onveiligheid in wijken, als niet ook wordt geïnvesteerd in de fysieke en sociale infrastructuur;

2.15 raadt aan dergelijke ketens van samenhangende activiteiten in beeld te brengen zodat kan worden vastgesteld waar - vanuit het principe van subsidiariteit - de Europese Unie zich op zou moeten richten. Daarbij moet gericht gekozen worden voor een aantal prioritaire thema's en moeten andere thema's aan de nationale overheden worden overgelaten. Er moeten zoveel mogelijk afrekenbare doelstellingen worden vastgesteld. Versobering en concentratie leiden tot meer noodzakelijke transparantie en stabiliteit;

2.16 verzoekt de regionale en lokale overheden in de gelegenheid te stellen niet alleen mee te denken over afzonderlijke, specifieke onderdelen van het Europese beleid inzake vrijheid, veiligheid en recht, maar ook over de onderliggende strategische concepten.  De inhoudelijke reikwijdte van het beleidsterrein moet zo goed mogelijk worden bepaald en de mogelijkheden om de rol van veiligheid op andere beleidsterreinen te verstevigen (externe integratie) moeten worden vastgesteld. Een zwaarder accent op veiligheid kan er bijvoorbeeld op het milieubeleidsterrein toe leiden dat er bij de regelgeving inzake de toegang tot milieu-informatie van bedrijven meer ruimte komt om gevoelige gegevens niet openbaar te hoeven maken;

2.17 dringt erop aan te bezien in hoeverre de bij regionale en lokale overheden gebruikelijke systematiek en ordeningsprincipes (bijvoorbeeld ordening naar doelgroep- of persoonsgericht beleid, probleemgericht beleid en gebiedsgericht beleid) ook op Europees niveau bruikbaar zijn;

2.18 merkt op dat bij de totstandkoming van een (vernieuwde) systematische, gestructureerde visie op het Europese beleidsterrein van vrijheid, veiligheid en recht  ook een (her)overweging ten aanzien van de juridische basis hoort. Het grondwettelijk verdrag heeft als richtsnoer gediend voor het niveau dat het Haags programma beoogt te bereiken. Nagegaan moet worden welke gevolgen de nu ontstane situatie met betrekking tot het constitutioneel verdrag heeft voor het beleid inzake vrijheid, veiligheid en recht en wat daarop een passende reactie is. Omgekeerd kan uit een (vernieuwde) visie ook worden afgeleid, aan welke randvoorwaarden de (Europese) juridische basis zou moeten voldoen. Een solide democratische en rechtsstatelijke legitimatie van het beleid inzake vrijheid, veiligheid en recht is onontbeerlijk. Daarbij dient de essentiële bijdrage van de lokale en regionale overheden adequaat te worden vastgelegd;

2.19 beveelt aan een heldere communicatiestrategie over het Europese beleid inzake vrijheid, veiligheid en recht te bepalen ten behoeve van de burgers en bedrijven. Regionale en lokale overheden vormen veelal het eerste (overheids)aanspreekpunt voor burgers en bedrijven. Schakel daarbij ook juist lokale en regionale overheden actief in om burgers en bedrijven te laten zien op welke wijze Europa hun veiligheid (mede) waarborgt.

 

  Aanbevelingen betreffende onderdelen van het Europese beleid inzake vrijheid, veiligheid en recht die (mede) de verantwoordelijkheid van de regionale en lokale overheden betreffen

Crisismanagement

Het Comité van de Regio's

2.20 herinnert eraan dat de terroristische aanslagen in Londen, de aanslagen in Madrid, de wateroverlast die grote gebieden van Europa in 2005 heeft geteisterd, het uitbreken van besmettelijke ziekten bij mens of dier, de gevolgen van langdurige stroomstoringen, de recente ongeregeldheden in de Franse steden, voorbeelden in overvloed zijn van situaties waarbij regionale en lokale overheden in hoge mate (eerst)verantwoordelijk zijn voor een adequate aanpak van het crisismanagement;

2.21 acht professionalisering van crisismanagement een noodzakelijke ontwikkeling, zeker in relatie tot de bestrijding van terrorisme, maar ook in bredere zin. De recente oprichting van een Europees netwerk op het terrein van crisismanagement, het 'European Forum of Local and Regional Disaster Management' van de Raad van Europa, is een voorbeeld van het breed gedragen gevoel van urgentie om tot een dergelijke professionalisering te komen;

2.22 meent dat het Europese beleid inzake vrijheid, veiligheid en recht een adequate aanpak van crisismanagement op twee wijzen zou moeten ondersteunen:

·      vanuit een coördinerende, begeleidende rol, daar waar internationale samenwerking geboden is bij preventie, preparatie, respons en nazorg. Hierbij dient het te gaan om alle soorten crises met een internationale impact. Het is achterhaald om het beleid slechts te richten op crises in grensgebieden, die mogelijk grensoverschrijdende gevolgen hebben. In de huidige maatschappij hebben crises op het gebied van vitale infrastructuur - zoals bij (lucht)havens, knooppunten waar stromen van goederen en diensten samenkomen, netwerken van energievoorziening - maar ook besmettelijke ziekten en dergelijke bijna altijd grensoverschrijdende gevolgen;

·      vanuit een stimulerende rol, daar waar de kwaliteit van het crisismanagement in belangrijke mate kan toenemen door netwerken en informatie-uitwisseling (bijvoorbeeld over best practices), door de beschikbaarstelling van instrumenten, methoden en technieken (bijvoorbeeld met betrekking tot risico-assessment en detectiesystemen) of door het praktisch oefenen van de aanpak van crisissituaties te bevorderen;

2.23  adviseert crisisbeheersing daarom eveneens als prioriteit aan te wijzen en benadrukt daarbij dat de zorg voor een effectief organisatorisch kader voor crisismanagement in de eerste plaats een zaak van de nationale overheden is;

2.24 vindt dat zowel de coördinerende en begeleidende rol als de stimulerende rol van de Europese Unie in concrete maatregelen moeten worden uitgewerkt, die bij de mid-term review van het actieprogramma aan de agenda voor 2007 - 2013 kunnen worden toegevoegd.  Aan de uitvoering van de maatregelen van paragraaf 3.5 van de bijlage bij het actieprogramma moet ook een hoge prioriteit worden toegekend. Er moeten financiële middelen beschikbaar worden gesteld om crisisbeheersing in brede zin (niet alleen gerelateerd aan de bestrijding van terrorisme) te professionaliseren, onder meer:

·      door lokale en regionale overheden in staat te stellen nieuwe methodieken, technieken  en best practices te ontwikkelen (onder andere crisiscommunicatie, ontwikkelen nauwe relaties tussen lokale maatschappelijke organisaties en overheden, bestuurlijke en operationele organisatiestructuur bij crises);

·      regionale en lokale overheden in staat te stellen hun crisisbeheersingsplannen te optimaliseren en frequent te oefenen;

·      regionale en lokale overheden in staat te stellen burgers te betrekken bij crisisoefeningen, enerzijds om het risicobewustzijn van de burgers te verhogen, anderzijds om de respons van de burgers adequaat te kunnen verwerken in plannen;

2.25 verzoekt in verband hiermee de reikwijdte van het voorstel voor het programma  “Terrorisme: preventie, paraatheid en beheersing van de gevolgen” voor de periode 2007 - 2013 te verbreden in die zin dat ook een basis wordt gelegd voor financiering van verbetering van het management van niet door terrorisme ontstane crises;

Bestrijding van terrorisme

2.26 stelt vast dat de burgers die leven in angst voor willekeurige aanslagen essentiële vrijheden verloren zijn. Dit mag niet het voorland van de Europese Unie zijn. In aansluiting op zijn advies inzake de bestrijding van terrorisme (CdR 465/2004) worden de maatregelen op het terrein van preventie, preparatie en respons onderschreven. Wil een preventieve aanpak succesvol zijn, dan is het echter noodzakelijk te zoeken naar en in te grijpen in de diepere oorzaken van terrorisme dat zijn oorzaak vindt in extremisme. De relatie met integratiebeleid en de noodzaak om te waarborgen dat geïntegreerden ook daadwerkelijk en in volle omvang aan de Europese samenleving kunnen deelnemen, moet worden onderkend;

2.27 benadrukt dat  in aanvulling hierop moet worden bevorderd dat - met name binnen een aantal Europese regio's waar radicalisering een daadwerkelijke bedreiging vormt - radicaliseringstrends in beeld worden gebracht en dat vastgesteld wordt welke groepen vatbaar zijn voor radicalisering en extremisme. Behalve de dreiging die ontstaat door de, numeriek beperkte aantallen, personen die vanuit een radicaliseringsproces tot daadwerkelijke terroristische acties overgaan, gaat evenzeer dreiging uit van polariseringsprocessen. Hieruit kunnen vanuit het oogpunt van veiligheid, leefbaarheid en tolerantie ongewenste effecten voortvloeien, die de cohesie in de samenleving in gevaar brengen. Deze processen zijn een groot risico in meerdere Europese landen. Als hulpmiddel om deze radicaliserings- en polariseringsprocessen te signaleren, kunnen zogenaamde 'early warning' indicatoren worden vastgesteld. Met behulp van dergelijke indicatoren kunnen overheden, maar ook huisvestingsinstellingen, sociale, jeugd-, onderwijs-, gezondheids- en hulpverleningsorganisaties enz. signaleren en in een vroeg stadium reageren op personen die mogelijk radicaliseren, waardoor een aanvullende mogelijkheid ontstaat om het verschijnsel van 'home grown' terroristen tegen te gaan. Wel mogen dergelijke maatregelen geen negatieve gevolgen hebben voor de integratie van immigranten en voor hun kansen op het vinden van werk. Het is van groot belang te voorkomen dat grote 'middengroepen' van mensen, die zich (nog) niet of in mindere mate betrokken voelen bij de Europese samenleving, zich ontwikkelen in de richting van radicalisering;

2.28 benadrukt dat een dergelijke reactie met name op het niveau van de lokale overheden gestalte zal moeten krijgen en dat daarom lokale overheden moeten worden gesteund om hun informatiepositie te verbeteren, bijvoorbeeld doordat zij een lokaal informatieschakelpunt instellen voor vroegtijdige signalering van radicalisering , dat lokale instanties kan adviseren over de duiding van signalen en mogelijke interventies;

2.29 bepleit stimulering van de ontwikkeling en uitvoering van opleidingsprogramma's van functionarissen van lokale overheden om relevante signalen van radicalisering te herkennen en te melden;

2.30  adviseert tevens de mogelijkheden te onderzoeken om rekrutering voor extremistische organisaties tegen te gaan en te zorgen voor een effectieve aanpak van oproeping tot extremisme of het geven van praktische richtsnoeren voor terroristische acties via het internet;

2.31 vindt dat tot een snellere gedegen uitwisseling van informatie over financiële transacties moet worden besloten. Deze uitwisseling moet bijdragen aan een grotere transparantie van instellingen en organisaties, ook ten behoeve van de lokale overheden. Financiële stromen blijken regelmatig te lopen via instellingen en organisaties waaraan ook decentrale overheden hun steun verlenen (bijvoorbeeld ten behoeve van integratieactiviteiten). Informatie kan leiden tot stopzetting van deze geldstromen. De voorstellen hieromtrent zouden in de planning voor 2006 naar voren moeten worden gehaald;

2.32 merkt op dat, om onderzoek naar en bestrijding van terrorisme effectief te kunnen aanpakken, een grotere samenwerking en informatie-uitwisseling noodzakelijk is, zowel tussen de Europese lidstaten als tussen de overheden binnen de lidstaten. In het actieprogramma wordt voorgesteld om per land een 'contactpunt' in te stellen, dat toegang heeft tot alle relevante informatie over (mogelijke) terroristische activiteiten. Een contactpunt kan echter slechts effectief zijn indien ook een goed informatienetwerk met lokale en regionale overheden functioneert - op basis van het uitgangspunt 'need to know, need to share'. De lidstaten moeten inzichtelijk maken op welke wijze dit informatienetwerk ook daadwerkelijk is geborgd en moeten - waar nodig - plannen om te komen tot een verbeterd informatienetwerk beschrijven;

2.33 wenst dat op structurele basis uitwisseling van expertise plaatsvindt over de leereffecten van de aanpak van terrorisme, bijvoorbeeld door hiertoe een expertisecentrum in te richten. Het uitwisselen van informatie over actuele operationele zaken is van groot belang, maar het is zeker zo belangrijk om zo spoedig mogelijk daarna leerpunten inzake de strategische aanpak van terrorismebestrijding met elkaar te delen; daarbij moeten vooral ook netwerken van regionale en lokale overheden worden betrokken;

2.34 beveelt aan niet alleen aandacht te hebben voor het in kaart brengen van kwetsbare infrastructuur - zoals voorgesteld in het actieprogramma - maar ook voor druk bezochte plaatsen zoals stations, stadions, evenemententerreinen, toeristische attracties, enz. Lokale en regionale overheden spelen bij de bescherming en beveiliging van dergelijke plaatsen immers veelal een belangrijke rol;

2.35 verzoekt juist daarom lokale en regionale overheden bij het opstellen van professionele risicoanalyses te ondersteunen en de ontwikkeling te stimuleren van best practices inzake bescherming en beveiliging. Er is een adequate juridische basis nodig voor lokale overheden om voorschriften inzake bescherming en beveiliging van kwetsbare doelen op te leggen aan eigenaren en beheerders; daarom moet de totstandkoming van 'toolkits' worden bevorderd, waarmee overheden een effectieve uitvoering van die voorschriften door eigenaren en beheerders kunnen faciliëren;

2.36 raadt aan - bijvoorbeeld op het terrein van toegang tot milieu-informatie - de uitgangspunten in de regelgeving over wat burgers moeten weten over de risico's in hun woonomgeving en de reikwijdte van openbaarheid van operationele informatie over de eigenschappen en beveiliging van kwetsbare doelen te heroverwegen;

2.37 benadrukt dat de kwaliteit van (particuliere) beveiligingsorganisaties essentieel is om de veiligheid van kwetsbare doelen te waarborgen en dat derhalve moet worden onderzocht of nadere maatregelen om die kwaliteit te verbeteren nodig, dan wel mogelijk zijn;

2.38 betreurt dat in het actieprogramma een aanpak ten aanzien van de vergroting van het risicobewustzijn van de burger ontbreekt; burgers verwachten immers met name van lokale overheden dat zij hen goed informeren over de risico's van mogelijke aanslagen in hun leefomgeving. Daarom moet de totstandkoming van gerichte communicatiestrategieën worden bevorderd;

Grondrechten en burgerschap

2.39 herinnert eraan dat in de discussie over grondrechten veel nadruk wordt gelegd op het voorkomen van erosie van de grondrechten, en betreurt dat het streven van overheden om de veiligheid van de bevolking te beschermen nog niet scherp genoeg naar voren komt;

2.40 stelt vast dat de discussie omtrent grondrechten  slechts effectief kan worden gevoerd als daarbij ook de discussie over plichten - zoals op het terrein van integratie - wordt betrokken. Het Europese beleid op dit punt moet dichter bij de burger worden gebracht door actief lokale discussies - bijvoorbeeld in de vorm van stadsdebatten - hierover te bevorderen. Dergelijke discussies zijn essentieel om scherp te krijgen welke maatregelen effectief kunnen worden ingezet om het evenwicht tussen rechten en plichten te handhaven;

2.41 steunt de instelling van een bureau voor de grondrechten - zoals voorzien in het Haags programma – dat best practices zou kunnen inventariseren, beschrijven en toegankelijk maken en dat met het oog op de toenemende onrust over mogelijke aanslagen of ongeregeldheden een belangrijke bijdrage zou kunnen leveren aan de discussie over discriminatie, racisme, integratie en terrorisme;

2.42 vindt het spijtig dat, als gevolg van de onduidelijkheid met betrekking tot het constitutioneel verdrag, ook de beoogde verbeteringen inzake rechtsbescherming bij het Europees Hof van Justitie in het gedrang gekomen zijn, zoals met name de bevoegdheid van natuurlijke en rechtspersonen om op te komen tegen regelgevende handelingen van de Unie, die hen rechtstreeks raken. Juist nu het beleid van de Europese Unie op het terrein van vrijheid, veiligheid en recht de komende jaren zal worden geïntensiveerd, dient deze leemte in de rechtsbescherming snel te worden gedicht;

Integratie

2.43 wijst erop dat de impact van nieuwkomers, zowel migranten als asielzoekers die de vluchtelingenstatus hebben gekregen of anderszins humanitaire bescherming genieten, op onze samenleving - soms gespreid over meerdere generaties - bij uitstek zichtbaar is op het lokale niveau en dat het, zeker in steden, van groot belang is te zorgen voor een goede integratie (in structurele, sociale, economische en culturele zin), waarbij het daadwerkelijk waarborgen dat geïntegreerden in volle omvang aan de Europese samenleving kunnen deelnemen een absolute randvoorwaarde vormt. De recente ongeregeldheden in de Franse steden getuigen mede van het belang van een dergelijke aanpak;

2.44 onderstreept dat er bij integratie zorg moet zijn voor een gemeenschappelijke binding met de samenleving waarvan men deel uitmaakt, wat niet kan als integratie als 'vrijblijvend' wordt gezien. Vanuit de Europese Unie moet dan ook worden gezorgd voor heldere kaders en randvoorwaarden voor een succesvolle integratie, waarbij wordt erkend dat integratie in zijn uitwerking vooral een nationale aangelegenheid is. Lokale overheden moeten worden geholpen - zowel met voorlichting, financiële middelen, als de ontwikkeling van best practices - bij het organiseren van het integratieproces. Tijdens de conferentie van Europese ministers verantwoordelijk voor integratie, in november 2004 in Groningen (Nederland), is hiervoor een goede basis gelegd;

2.45 stelt de bevordering voor van stadsdebatten, dialogen, taalonderwijs, inburgeringstrajecten, werkgelegenheidsprojecten, emancipatietrajecten, anti-discriminatieprojecten enz., alsmede van een systematische uitwisseling en monitoring van ervaringen, vernieuwingen, successen en mislukkingen op het lokale niveau;

2.46 vindt dat sociale wanhoop bij bevolkingsgroepen moet worden voorkomen en dat maatregelen moeten worden gestimuleerd die bijdragen aan een evenwichtige balans in de wijken in de grote steden, bijvoorbeeld maatregelen op het gebied van vestigingsbeleid, inkomensbeleid en opleidingen;

2.47 acht het goed dat er een volgende editie van het Europese Integratiehandboek komt, die met name ook bij lokale en regionale overheden onder de aandacht moet worden gebracht, want de indruk bestaat dat de eerste editie van het handboek onvoldoende bekendheid heeft gekregen;

2.48 ondersteunt de gedachte om jaarlijks een Europees Forum over integratie te organiseren en stelt voor om daarbij de ervaringen en expertise van regionale en lokale overheden nauw te betrekken;

Privacy en veiligheid bij informatie-uitwisseling

2.49 wijst erop dat de bescherming van de privacy in de tweede helft van de vorige eeuw sterk georiënteerd is op bescherming van burgers tegenover de overheid, gevoed door de angst voor een politiestaat, en dat het noodzakelijk is naar een nieuwe balans te zoeken, die meer rekening houdt met de bescherming van de veiligheid van burgers vis-à-vis kwaadwillende wetsovertreders;

2.50 meent dat, tegen die achtergrond, de doelstelling steun verdient om bij de uitwerking van het actieprogramma de bescherming van persoonsgegevens bijzondere aandacht te geven, maar dat daarbij wel beseft moet worden dat steeds vaker een keuze moet worden gemaakt tussen bescherming van individuele belangen inzake privacy enerzijds en bescherming van collectieve belangen, zoals veiligheid, anderzijds. In de strijd tegen terrorisme speelt informatie een sleutelrol;

2.51 verzoekt de Commissie er bij de uitwerking van het beleid rekening mee te houden dat veel regionale en lokale overheden netwerken van informatie-uitwisseling hebben opgezet, waarbij gegevens over bijvoorbeeld adressen, huisvesting, belastingen, sociale zaken, gezondheid, enz. worden gekoppeld met gegevens van politie en justitie. Een dergelijke aanpak kan, zijns inziens, veel vruchten afwerpen bij de bestrijding van bijvoorbeeld terrorisme, zware criminaliteit of zelfs stedelijke overlast door veelplegers, mits deze te rijmen is met de nationale wet- en regelgeving natuurlijk;

2.52 dringt daarom aan op een heldere algemene juridische basis voor de bescherming van persoonsgegevens, die proportioneel is en voldoende ruimte biedt om waar nodig voorrang te geven aan het belang van een veilige samenleving, en op het bevorderen van een discussie hierover met de burgers van Europa waarbij de lokale en regionale overheden worden betrokken;

2.53 vindt dat handhaving van openbare orde en veiligheid en de bestrijding van grensoverschrijdende criminaliteit noodzaakt tot een intensieve informatie-uitwisseling tussen lidstaten. Gelet op de cruciale rol die lokale en regionale overheden vervullen bij de uitvoering en handhaving van veiligheidsbeleid, meent het dat de lidstaten expliciet moeten maken op welke wijze informatie-uitwisseling met de lokale en regionale overheden effectief vorm kan krijgen;

Georganiseerde criminaliteit

2.54 stelt vast dat lokale en regionale overheden bij de besluitvorming omtrent subsidies, contracten, vergunningen enz. een belangrijke toegevoegde waarde kunnen leveren in de aanpak van (georganiseerde) criminaliteit en dat bevorderd moet worden dat (eerdere) overtredingen een rol kunnen spelen bij die besluitvorming, zodat bijvoorbeeld een vergunning kan worden geweigerd als er gronden zijn om aan te nemen dat de aanvrager wederom 'de fout in zal gaan';

2.55 zou graag zien dat wordt bevorderd dat opsporingsdossiers door politie en justitie worden 'gescreend' op informatie, die kan worden doorgegeven aan regionale en lokale overheden, zodat die daar bij vergunning- en subsidieverlening rekening mee kunnen houden. Als bijvoorbeeld een horecaondernemer wordt veroordeeld voor mensensmokkel of mensenhandel, is het niet onaannemelijk dat diezelfde ondernemer illegalen aan het werk zet in zijn onderneming. Indien het toezicht op de naleving van een horecavergunning bij de lokale overheid ligt, is het in zo'n situatie zeer effectief om die informatie te delen en te bezien of er een basis is om de vergunning van het betrokken bedrijf in te trekken;

2.56 verzoekt op Europees niveau te stimuleren dat de ervaringen van lokale en regionale overheden op dit punt worden geïnventariseerd, beschreven en toegankelijk gemaakt, en waar mogelijk te bevorderen dat Europese regelgeving - waaronder ook het Europese aanbestedingsrecht - dergelijke aanpakken van lokale en regionale overheden ondersteunt;

2.57 vraagt ook de ontwikkeling te stimuleren van best practices op het terrein van informatie-uitwisseling en koppeling van bestanden tussen regionale en lokale overheidsdiensten (zoals op het terrein van belastingen, huisvesting, sociale en werkgelegenheidszaken, vergunningverlening en administratie van burgergegevens) enerzijds en politie en justitie anderzijds, bijvoorbeeld op het terrein van de aanpak van overlastgevende panden. Netwerken van georganiseerde criminaliteit kunnen zo effectiever worden opgespoord en aangepakt, vooropgesteld dat de nationale wet- en regelgeving een dergelijke uitwisseling toestaat;

2.58 benadrukt dat de politie niet langer moet worden belast met de administratieve taken i.v.m. legale immigratie (b.v. de verlenging van verblijfsvergunningen); dan kan meer energie en vakbekwaamheid worden gestoken in de bestrijding van de georganiseerde misdaad die van het verschijnsel illegale immigratie profiteert. Volgens het Comité zouden die taken, waar mogelijk, aan gespecialiseerde ambtelijke diensten van de lokale overheden kunnen worden overgelaten, die daartoe met adequate financiële middelen worden toegerust door de lidstaten;

2.59  verzoekt de verdere ontwikkeling van een actief integriteitsbeleid bij regionale en lokale overheden te bevorderen, gebaseerd op een gedegen risico-inventarisatie van de bevoegdheden en taken;

Voorkomen en verminderen van geweld en overlast

2.60 stelt vast dat het actieprogramma aangeeft dat speciale aandacht zal worden geschonken aan de bescherming van de rechten van kinderen, alsmede aan het bestrijden van geweld tegen kinderen en vrouwen en dat activiteiten op het terrein van slachtofferhulp worden uitgebreid;

2.61 onderschrijft dat in het kaderprogramma 'Grondrechten en justitie' het beleid op het gebied van het voorkomen en verminderen van geweld voorzien is van een breed opgezet financieel kader en dat daarbij het zogenaamde Daphne-programma een adequaat vervolg krijgt en de mogelijkheden worden vergroot om preventiebeleid toe te passen ten aanzien van drugsgebruik. Het is goed dat participatie van NGO's daarbij wordt bevorderd;

2.62 steunt de initiatieven om in gezamenlijkheid mensensmokkel, vooral van vrouwen en kinderen, tegen te gaan door een betere samenwerking en informatie-uitwisseling tussen de betrokken overheidsinstanties; bij mensensmokkel is immers veelal sprake van georganiseerde criminaliteit;

2.63 merkt op dat veel lokale overheden ervaring hebben met het signaleren en aanpakken van geweld 'achter de voordeur', aangezien geweld tegen kinderen en vrouwen ook vaak plaats vindt binnen de eigen familie. Het is van groot belang dat de lokale aanpak van dit soort geweld een substantiële bijdrage levert aan de bewustwording van de relevante doelgroepen en dat ten aanzien van geweld tegen vrouwen en kinderen sprake is van een absolute maatschappelijke en justitiële nultolerantie;

 

2.64 stelt voor dat bij de uitvoering van het actieprogramma de ervaringen van lokale en regionale overheden op dit gebied bij elkaar worden gebracht, zodat ook hier best practices kunnen worden ontwikkeld en dat de totstandkoming van lokale meldpunten van geweld wordt bevorderd.

Aanbevelingen betreffende onderdelen van het Europese beleid inzake vrijheid, veiligheid en recht, die niet direct tot de verantwoordelijkheid van de regionale en lokale overheden behoren, maar die wel direct effect sorteren op het regionale en lokale niveau

Een gemeenschappelijke asielruimte

Het Comité van de Regio's

2.65 wijst er nogmaals op dat lokale overheden rechtstreeks geconfronteerd worden met de problemen van asielzoekers en dat uitgeprocedeerde asielzoekers die niet direct het land (moeten of kunnen) verlaten vaak de anonimiteit van de steden opzoeken, waardoor in steden sociale en veiligheidsproblemen kunnen ontstaan;

2.66 acht het derhalve van groot belang dat er een gemeenschappelijke asielruimte en asielprocedure, alsmede een uniforme status voor asielgerechtigden tot stand worden gebracht;

2.67 verzoekt de Europese instellingen zich in te zetten voor een eenduidige facilitering van terugkeer van asielzoekers naar het land van herkomst. Vrijwillige terugkeer moet ondersteund worden door een aanbod dat gericht is op het ontwikkelen van zelfredzaamheid. Het stelt vast dat er in diverse Europese lidstaten voorbeelden zijn van lokale en regionale projecten die op deze basis werken en het verzoekt dergelijke projecten en informatie-uitwisseling over de aanpak en resultaten te bevorderen;

Migratiebeleid

2.68 beveelt de EU aan een gemeenschappelijk migratiebeleid te definiëren door coördinatie van het nationale beleid van de lidstaten; dit beleid dient dan wel gepaard te gaan met een gedegen integratiebeleid; hier ligt voor de lokale overheden een belangrijke taak om sociale cohesie te behouden en te bevorderen;

2.69 verzoekt de lokale overheden bij de uitvoering van deze taak te ondersteunen, bijvoorbeeld door vernieuwende lokale initiatieven te stimuleren, in het besef dat hier ook een raakvlak ligt met het voorkomen van radicalisering en extremisme;

 

2.70 vindt dat er oog moet zijn voor de op dit moment onduidelijke juridische status en rechten van ingezetenen uit derde landen, omdat dit de lokale overheden met name op het gebied van integratiebeleid raakt. Niet EU-ingezetenen ontlenen bijvoorbeeld geen rechten aan de Europese Unie op het gebied van de arbeidsmarkt, terwijl dat een belangrijke voorwaarde is voor een geslaagd integratiebeleid. Het Comité vraagt daarbij voor ogen te houden dat het van groot belang is dat high potentials afkomstig uit landen buiten Europa zich niet van Europa afkeren.

Brussel, 16 februari 2006

De voorzitter

van het

Comité van de Regio's 

M. DELEBARRE

De secretaris-generaal

van het

Comité van de Regio's 

G. STAHL

_____________

1  PB C 231 van 20.9.2005 blz. 83


- -