Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Door het Parlement aangenomen teksten
DOC 136k
Woensdag 5 april 2006 - Straatsburg Definitieve uitgave
Programma "Burgers voor Europa" (2007-2013) ***I
P6_TA(2006)0127 A6-0076/2006
Resolutie
  Geconsolideerde tekst

Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement over het voorstel voor een besluit van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling voor de periode 2007-2013 van het programma "Burgers voor Europa" ter bevordering van een actief Europees burgerschap (COM(2005)0116 – C6-0101/2005 – 2005/0041(COD))

(Medebeslissingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement ,

–   gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2005)0116)(1) ,

–   gelet op artikel 251, lid 2 en de artikelen 151 en 308 van het EG-Verdrag, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C6-0101/2005),

–   gelet op artikel 51 van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie cultuur en onderwijs en de adviezen van de Begrotingscommissie, de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken en de Commissie constitutionele zaken (A6-0076/2006),

1.   hecht zijn goedkeuring aan het Commissievoorstel, als geamendeerd door het Parlement;

2.   beklemtoont dat de kredieten die in het wetgevingsvoorstel zijn vermeld voor de periode na 2006, afhankelijk zijn van het besluit over het volgende meerjarig financieel kader;

3.   verzoekt de Commissie indien nodig een voorstel in te dienen tot aanpassing van het financiële referentiebedrag voor dit programma, zodra het volgende meerjarig financieel kader is goedgekeurd;

4.   verzoekt om hernieuwde voorlegging indien de Commissie voornemens is ingrijpende wijzigingen in dit voorstel aan te brengen of dit door een nieuwe tekst te vervangen;

5.   verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1) Nog niet in het PB gepubliceerd.


Standpunt van het Europees Parlement, in eerste lezing vastgesteld op 5 april 2006, met het oog op de aanneming van Besluit nr. .../2006/EG van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling voor de periode 2007-2013 van het programma "Europa voor burgers" ter bevordering van actieve Europese waarden, zoals vastgelegd in het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie, en een actief Europees burgerschap
P6_TC1-COD(2005)0041

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op de artikelen 151 en 308,

Gezien het voorstel van de Commissie ,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité(1) ,

Gezien het advies van het Comité van de Regio's(2) ,

Handelend volgens de procedure van artikel 251 van het Verdrag(3) ,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)  Het burgerschap van de Unie is ingesteld in het Verdrag en vormt een aanvulling op het nationale burgerschap. Het is een belangrijk middel om het Europese eenwordingsproces te versterken en te beschermen .

(2)  De Gemeenschap moet de burgers ten volle doordringen van hun Europese burgerschap, de voordelen daarvan en de rechten en plichten die met inachtneming van het subsidiariteitsbeginsel en in het belang van de cohesie moeten worden bevorderd.

(3)  Gezien de uitslag van enkele referenda over het ontwerp voor een Verdrag tot vaststelling van een Grondwet voor Europa is het bijzonder urgent de Europese burgers volledig bewust te maken van hun Europees burgerschap. Het programma "Europa voor burgers" dient derhalve een aanvulling te zijn op, maar niet te overlappen met het Plan D van de Commissie voor democratie, dialoog en debat.

(4)  Om ervoor te zorgen dat de burgers de Europese integratie ten volle steunen en er ten volle aan deelnemen , moet meer nadruk worden gelegd op hun gemeenschappelijke waarden, geschiedenis en cultuur als sleutelelementen van hun lidmaatschap van een samenleving die, volledig in overeenstemming met het op 7 december 2000 afgekondigde Handvest van de grondrechten van de Europese Unie op vrijheid, democratie en respect voor mensenrechten, culturele verscheidenheid, verdraagzaamheid en solidariteit is gebaseerd.

(5)  Het bevorderen van actief burgerschap is een sleutelelement voor het versterken van de bestrijding van racisme, vreemdelingenhaat en onverdraagzaamheid, en voor het bevorderen van integratie, cohesie en ontwikkeling van democratie.

(6)  In het kader van de voorlichtings- en communicatiestrategie van de EU moet ervoor worden gezorgd dat de via het programma gesteunde activiteiten alom bekend worden en voelbaar effect sorteren.

(7)  Om Europa dichter bij de burgers te brengen en de burgers de kans te geven om ten volle aan de opbouw van een steeds nabijer Europa deel te nemen moeten alle burgers worden aangesproken en bij transnationale uitwisselingen en samenwerkingsactiviteiten worden betrokken, zodat een samenhorigheidsgevoel ten aanzien van gemeenschappelijke Europese idealen kan worden gecreëerd.

(8)  Immigranten en hun nakomelingen mogen niet worden vergeten. Het is dan ook belangrijk hen te helpen zoveel mogelijk uit hun pas-verworven burgerschap te halen.

(9)  Om de burgers deelgenoot van Europa te maken moeten ze geïnformeerd worden over de concrete rechten die uit het Europees burgerschap voortvloeien, zoals de vrijheid van verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten, in het bijzonder na de inwerkingtreding van Richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004, betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden (4) .

(10)  Het Europees Parlement stelde in zijn resolutie van 15 april 1988 over de voorstellen van de Commissie voor maatregelen ter bevordering van de Europese cultuur (5) dat het wenselijk was een grote inspanning te leveren om de betrekkingen tussen de burgers van de diverse lidstaten te intensiveren en dat specifieke steun van de Europese Unie voor de totstandkoming van jumelages tussen gemeenten of steden van verschillende landen van de Gemeenschap zowel gemotiveerd als gewenst is.

(11)  De Europese Raad heeft meermaals erkend dat de Europese Unie en haar instellingen dichter bij de burgers van de lidstaten moeten worden gebracht. Hij heeft de instellingen van de Unie aangemoedigd een open, transparante en regelmatige dialoog met de georganiseerde civiele samenleving te voeren en te bevorderen , en aldus de participatie van de burgers aan het openbare leven en de besluitvorming te bevorderen en de nadruk te leggen op de door de burgers van Europa gedeelde essentiële waarden(6) .

(12)  In Besluit 2004/100/EG van 26 januari 2004(7) heeft de Raad een communautair actieprogramma ter bevordering van actief Europees burgerschap (civic participation) ingesteld, waarin wordt bevestigd dat een permanente dialoog met gemeenten, maatschappelijke organisaties en de burgers in het algemeen moet worden bevorderd en de actieve betrokkenheid van de burgers moet worden gesteund. Deze dialoog moet ook open staan voor organisaties die in de Europese Unie woonachtige onderdanen van derde landen vertegenwoordigen. Ook het Europees Parlement heeft in zijn resolutie van 8 juni 2005 over de beleidsuitdagingen en begrotingsmiddelen in de uitgebreide Unie 2007-2013 (8) erop aangedrongen dat een programma voor de participatie van de burger "een prioriteit blijft om (...) Europa dichter bij de burgers te brengen door middel van een bottom-up benadering".

(13)  Burgerprojecten van transnationale en sectoroverschrijdende omvang zijn belangrijke middelen om de burger te bereiken en een Europees bewustzijn, Europese politieke integratie, maatschappelijke betrokkenheid en wederzijds begrip te bevorderen via door burgers en plaatselijke organisaties georganiseerde manifestaties en acties, in het bijzonder projecten die verschillende groepen burgers in staat stellen elkaar te ontmoeten, zoals bibliotheken, stichtingen of amateursportverenigingen, en aldus racisme te bestrijden overeenkomstig het Handvest van de Grondrechten.

(14)  Het delen van een gemeenschappelijk Europees burgerschap moet leiden tot steeds nauwere betrekkingen tussen de burgers van de lidstaten en moet de aandacht hebben van nationale en regionale wetgevers, lokale overheden en allen die tot taak hebben om de burgerschapsrechten op het nationale vlak te beschermen, zoals gezagsdragers die belast zijn met veiligheid en rechtsbescherming, verstrekkers van rechtbijstand zoals ombudsmannen; de Europese Unie heeft er dan ook belang bij de dialoog en uitwisseling van beste ervaringen tussen deze gezagsdragers en hun netwerken van contactpunten op Europees niveau te bevorderen.

(15)  Europese, nationale, regionale en plaatselijke maatschappelijke organisaties zijn belangrijke instrumenten om de burger actief bij de maatschappij te betrekken en zij leveren een bijdrage tot alle aspecten van het gemeenschapsleven. Zij fungeren eveneens als tussenpersonen tussen Europa en zijn burgers. Hun transnationale samenwerking moet daarom worden bevorderd en aangemoedigd door bijzondere aandacht te besteden aan de kandidaatlanden en hen te helpen vergelijkbare organen in het leven te roepen .

(16)  Europese organisaties die onderzoek naar het overheidsbeleid doen, kunnen het debat op Europees vlak met ideeën en standpunten aanwakkeren. Het verdient daarom ook aanbeveling om, als link tussen de Europese instellingen en de burgers, activiteiten te steunen die een weerspiegeling zijn van hun wil om een Europese identiteit en een Europees burgerschap te creëren, door het vaststellen van procedures met transparante criteria ter bevordering van netwerken voor informatieverschaffing en uitwisseling .

(17)  Het programma moet openstaan voor alle burgers, met inbegrip van onderdanen van derde landen die permanent legaal in een lidstaat verblijven, en er moet dan ook bijzondere aandacht worden geschonken aan de evenwichtige integratie van burgers en maatschappelijke organisaties uit alle lidstaten in transnationale projecten en activiteiten.

(18)  In de verklaring over sport die is aangenomen door de Europese Raad van Nice (7-9 december 2000), wordt er nadrukkelijk op gewezen dat de Gemeenschap in verband met haar werkzaamheden uit hoofde van de uiteenlopende Verdragsbepalingen rekening moet houden met de maatschappelijke, educatieve en culturele functies die aan sport eigen zijn.

(19)  De kandidaat-lidstaten en de EVA-landen die partij zijn bij de EER-Overeenkomst, worden als mogelijke deelnemers aan communautaire programma's erkend in overeenstemming met de met hen gesloten overeenkomsten.

(20)  De Europese Raad van Thessaloniki van 19 en 20 juni 2003 heeft "de agenda van Thessaloniki voor de westelijke Balkan: op weg naar Europese integratie" goedgekeurd, waarin de landen van de westelijke Balkan worden uitgenodigd aan communautaire programma's en agentschappen deel te nemen. De landen van de westelijke Balkan moeten daarom worden erkend als mogelijke deelnemers aan communautaire programma's.

(21)  Het programma moet regelmatig samen met de Commissie en de lidstaten worden gecontroleerd en onafhankelijk worden geëvalueerd om de aanpassingen mogelijk te maken die nodig zijn om de maatregelen goed uit te kunnen voeren .

(22)  Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad van 25 juni 2002 houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen (hierna het Financieel Reglement genoemd)(9) en Verordening (EG, Euratom) nr. 2342/2002 van de Commissie van 23 december 2002 tot vaststelling van uitvoeringsvoorschriften van het Financieel Reglement (10) beschermen de financiële belangen van de Europese Gemeenschap en moeten worden toegepast. De daarbij gehanteerde uitgangspunten zijn eenvoud en samenhang bij de keuze van de begrotingsinstrumenten, een beperking van het aantal gevallen waarin de Commissie rechtstreeks verantwoordelijk is voor de uitvoering en het beheer van de begrotingen, en evenredigheid tussen het bedrag van de subsidies en de administratieve eisen voor de besteding ervan .

(23)  Er moeten ook passende maatregelen worden genomen om onregelmatigheden en fraude te voorkomen en verloren, ten onrechte betaalde of verkeerd bestede bedragen te kunnen terugvorderen.

(24)  Bij dit besluit worden voor de gehele looptijd van het programma financiële middelen vastgesteld die voor de begrotingsautoriteit het voornaamste referentiepunt zijn in de zin van punt 33 van het interinstitutioneel akkoord van 6 mei 1999 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie over de begrotingsdiscipline en de verbetering van de begrotingsprocedure(11) .

(25)  Aangezien de doelstellingen van het programma "Europa voor Burgers " niet voldoende door de lidstaten kunnen worden verwezenlijkt en wegens het transnationale en multilaterale karakter van de acties en de maatregelen van het programma beter door de Gemeenschap kunnen worden verwezenlijkt, kan de Gemeenschap maatregelen nemen overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag neergelegde subsidiariteitsbeginsel. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat dit besluit niet verder dan nodig is om deze doelstellingen te verwezenlijken.

(26)  De voor de uitvoering van dit besluit noodzakelijke maatregelen moeten worden genomen overeenkomstig Besluit 1999/468/EG van de Raad van 28 juni 1999 tot vaststelling van de voorwaarden voor de uitoefening van de aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden(12) .

(27)  Overeenkomstig Besluit 2004/100/EG moeten overgangsmaatregelen worden genomen om toezicht uit te oefenen op vóór 31 december 2006 begonnen acties,

BESLUITEN:

Artikel 1

Onderwerp en omvang van het programma

1.  Dit besluit stelt het programma "Europa voor burgers " voor de periode van 1 januari 2007 tot en met 31 december 2013 vast.

2.  
   de burgers de kans geven om samen te werken en deel te nemen aan de opbouw van een steeds nabijer Europa, pluriform, rechtvaardig, democratisch en op de wereld gericht Europa dat verenigd is in en verrijkt door zijn culturele verscheidenheid, en aldus bijdragen aan de ontwikkeling van het concept Europees burgerschap ;
   een op erkende gemeenschappelijke waarden, geschiedenis, cultuur en een Europees burgerschap, de bron van de legitimiteit van de instellingen, gebaseerde Europese identiteit ontwikkelen en versterken ;
   kennis en begrip tussen de Europese burgers vergroten, en respect en waardering voor de culturele verscheidenheid en meertaligheid stimuleren, waarbij de interculturele dialoog wordt bevorderd met name door bestrijding van racisme, vreemdelingenhaat en alle vormen van discriminatie en onverdraagzaamheid;
   ervoor zorgen dat met de eisen van het Europese burgerschap meer rekening wordt gehouden door de gekozen, bestuurlijke en burgerhulporganen op nationaal, regionaal en lokaal niveau.

Artikel 2

Specifieke doelstellingen van het programma

Het programma streeft de volgende specifieke doelstellingen na, die aansluiten bij de fundamentele doelstellingen van het Verdrag en die op transnationale basis worden uitgevoerd:

   a) mensen uit plaatselijke gemeenschappen in heel Europa samenbrengen om ervaringen, opvattingen en waarden te delen en uit te wisselen, van de geschiedenis te leren en de toekomst op te bouwen;
   b) acties, debatten en denkoefeningen over het Europees burgerschap en de democratie, gedeelde waarden, gemeenschappelijke geschiedenis en cultuur bevorderen via de samenwerking in het maatschappelijk middenveld op Europees niveau ;
   c) de uitwisseling van ervaringen op het gebied van het Europese burgerschap tussen nationale, regionale en lokale gekozen organen en instanties die zich bezighouden met het verlenen van rechtsbescherming en bestuurlijke bijstand aan burgers, bevorderen door grensoverschrijdende samenwerking en de vorming van Europese netwerken van contactpunten te stimuleren en waar deze reeds bestaat te versterken;
   d) Europa tastbaarder voor de burgers maken door de waarden en successen van Europa te promoten en te huldigen en de herinnering aan het verleden levendig te houden;
   e) de evenwichtige integratie van burgers en maatschappelijke organisaties uit alle lidstaten stimuleren, waarbij de interculturele dialoog wordt bevorderd en zowel Europa's verscheidenheid als eenheid wordt benadrukt, met bijzondere aandacht voor de activiteiten met lidstaten die onlangs tot de Europese Unie zijn toegetreden.

Artikel 3

Acties

1.  De doelstellingen van het programma worden nagestreefd door steun te verlenen aan de volgende acties, waarover deel I van de bijlage bijzonderheden bevat:

a)  Actieve burgers voor Europa, bestaande uit:

–   jumelages van steden;

–   burgerprojecten en ondersteunende maatregelen.

b)  Een actieve civiele samenleving in Europa, bestaande uit:

–   structurele steun voor Europese organisaties die onderzoek naar het overheidsbeleid doen (denktanks);

–   structurele steun voor maatschappelijke organisaties, verenigingen en netwerken op Europees niveau;

–   steun voor projecten waartoe maatschappelijke organisaties de aanzet hebben gegeven.

c)  Samen voor Europa, bestaande uit:

–   evenementen met een hoge zichtbaarheid, zoals herdenkingen, prijzen, artistieke evenementen, Europawijde conferenties;

–   studies, onderzoeken en opiniepeilingen;

–   hulpmiddelen voor informatievoorziening en –verspreiding.

d)  Actief Europees gedenken, bestaande uit:

   steun aan projecten om de gedachtenis aan de slachtoffers van de massadeportatie en -vernietiging door nazi's en stalinisten levendig te houden.

2.  Bij elke actie mag prioriteit worden verleend aan de evenwichtige integratie van burgers en maatschappelijke organisaties uit alle lidstaten, zoals bepaald in de specifieke doelstelling van artikel 2, onder e) .

3.  Communautaire maatregelen mogen de vorm hebben van subsidies of overheidsopdrachten.

4.  Communautaire subsidies mogen worden verleend via specifieke vormen, zoals subsidies voor huishoudelijke uitgaven, subsidies voor acties, beurzen en prijzen.

5.  Overheidsopdrachten bestrijken de aankoop van diensten, zoals de organisatie van evenementen, studies en onderzoek, hulpmiddelen voor informatievoorziening en -verspreiding, toezicht en evaluatie.

6.  Alleen begunstigden die aan de voorwaarden van deel II van de bijlage voldoen, komen in aanmerking voor een subsidie van de Gemeenschap.

Artikel 4

Deelname aan het programma

De volgende landen, hierna de "deelnemende landen" genoemd, kunnen aan het programma deelnemen:

   a) de lidstaten;
   b) de EVA-landen die partij zijn bij de EER-Overeenkomst, in overeenstemming met de bepalingen van die overeenkomst;
   c) de kandidaat-lidstaten die betrokken zijn bij een pretoetredingsstrategie, in overeenstemming met de algemene beginselen en de algemene voorwaarden voor de deelname van deze landen aan communautaire programma's, die respectievelijk in de kaderovereenkomst en de besluiten van de Associatieraden zijn vastgesteld;
   d) de landen van de westelijke Balkan, in overeenstemming met de afspraken die met deze landen moeten worden gemaakt in het kader van de kaderovereenkomsten over de algemene beginselen voor hun deelname aan communautaire programma's.

Artikel 5

Toegang tot het programma

Het programma staat open voor alle belanghebbende partijen die de doelen ervan door hun werkzaamheden bevorderen, met name:

   - maatschappelijke en burgergroepen, lokale verenigingen, organisaties en overheden, vormingscentra, centra voor onderzoek naar overheidsbeleid , platformen, netwerken,
   - Europese stichtingen die zich met Europese kwesties bezighouden zoals de Europese Beweging en andere maatschappelijke organisaties.

Teneinde de toegang tot financiering te vergemakkelijken is het evenredigheidsbeginsel van toepassing ten aanzien van de te overleggen documenten en wordt een databank voor de indiening van aanvragen opgericht.

Artikel 6

Samenwerking met internationale organisaties

Het programma kan gezamenlijke activiteiten met en deelneming van op het gebied van actief burgerschap – met name het Europese burgerschap – competente internationale organisaties omvatten, zoals de Raad van Europa of de Unesco, op basis van gezamenlijke bijdragen en overeenkomstig het Financieel Reglement en de regels van elke instelling of organisatie.

Artikel 7

Uitvoeringsmaatregelen

1.  De voor de uitvoering van het programma vereiste maatregelen worden vastgesteld in overeenstemming met de procedure van artikel 8, lid 2.

2.  De Commissie kan richtsnoeren voor alle acties in de bijlage opstellen om het programma aan te passen aan wijzigingen van de prioriteiten op het gebied van Europees actief burgerschap.

3.  De Commissie zorgt er in het kader van de voorlichtings- en communicatiestrategie van de EU en via andere informatie-, publicatie- en verspreidingswerkzaamheden voor dat de door het programma gesteunde activiteiten alom bekend zijn en ingrijpende gevolgen hebben.

Artikel 8

Comité

1.  De Commissie wordt bijgestaan door een comité, hierna "het comité" genoemd.

2.   Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn de artikelen 3 en 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing met inachtneming van artikel 8 van dat besluit.

3.  Het comité stelt zijn reglement van orde vast.

Artikel 9

Samenhang met andere instrumenten van de Gemeenschap en de Europese Unie

1.  De Commissie zorgt voor de samenhang en de complementariteit tussen dit programma en instrumenten op andere actiegebieden van de Gemeenschap, met name onderwijs, beroepsopleidingen, cultuur, jeugd, sport, milieu, audiovisuele en massamedia, grondrechten en vrijheden, sociale integratie, gelijkheid van vrouwen en mannen, bestrijding van alle vormen van discriminatie, racisme en vreemdelingenhaat, en bevordering van wetenschappelijk onderzoek en het extern beleid van de Gemeenschap, met name op het niveau van het Europees nabuurschapsbeleid.

2.  Het programma deelt middelen met andere instrumenten van de Gemeenschap en de Unie en houdt zich aan de nieuwe richtsnoeren over voorlichting om acties uit te voeren die aan de doelstellingen van zowel dit programma als deze andere instrumenten beantwoorden.

Artikel 10

Begrotingsmiddelen

1.  Het indicatieve financieel kader voor de uitvoering van dit programma voor de in artikel 1, lid 1 vermelde periode van zeven jaar vanaf 1 januari 2007 wordt vastgesteld op 235 000 000 EUR .

2.  De jaarlijkse kredieten worden door de begrotingsautoriteit toegestaan binnen de grenzen van de financiële vooruitzichten.

3.  De totale administratieve uitgaven voor het programma met inbegrip van de interne en beheerskosten voor het uitvoerend agentschap moeten in verhouding staan tot de in het desbetreffende programma opgenomen taken en zijn afhankelijk van besluiten van de begrotings- en de wetgevende autoriteiten.

Artikel 11

Financiële bepalingen

1.  Krachtens artikel 176, lid 2, van Verordening (EG, Euratom) nr. 2342/2002 kan de Commissie op grond van de eigenschappen van de begunstigden en de aard van de acties besluiten de begunstigden vrij te stellen van de verificatie van de beroepsbekwaamheden en -kwalificaties die vereist zijn om de voorgestelde actie of het voorgestelde werkprogramma tot een goed einde te brengen.

2.  Er wordt financiële steun verleend in de vorm van subsidies aan rechtspersonen en Europese organisaties van nationale openbare instellingen die werkzaam zijn op het gebied van de bescherming van de burgers . Overeenkomstig artikel 114, lid 1, van het Financieel Reglement kunnen in sommige gevallen subsidies aan natuurlijke personen worden toegekend.

3.  De Commissie kan prijzen aan natuurlijke of rechtspersonen toekennen voor in het kader van het programma uitgevoerde acties of projecten.

4.  Overeenkomstig artikel 181 van Verordening (EG, Euratom) nr. 2342/2002 en afhankelijk van de aard van de actie kunnen forfaitaire financieringen worden toegestaan en/of tarieven op grond van eenheidskosten worden toegepast.

5.  Subsidies voor huishoudelijke uitgaven die in het kader van dit programma worden verleend aan organen die een doelstelling van algemeen Europees belang nastreven, zoals bedoeld in artikel 162 van Verordening (EG, Euratom) nr. 2342/2002, hebben in overeenstemming met artikel 113, lid 2, van het Financieel Reglement bij verlenging niet automatisch een degressief karakter.

6.  Voor kleine subsidies is medefinanciering in natura toegestaan.

7.  De hoeveelheid informatie mag bij kleine subsidies, zoals studiebeurzen en individuele mobiliteitsbeurzen, worden beperkt.

8.  In specifieke gevallen, zoals het verlenen van een kleine subsidie, hoeft de begunstigde niet aan te tonen over voldoende financiële draagkracht te beschikken om het geplande project of het werkprogramma uit te voeren.

Artikel 12

Bescherming van de financiële belangen van de Gemeenschap

1.  De Commissie ziet erop toe dat bij de uitvoering van uit hoofde van dit besluit gefinancierde acties de financiële belangen van de Gemeenschap worden gevrijwaard door de toepassing van maatregelen ter voorkoming van fraude, corruptie en andere illegale activiteiten, door doeltreffende controles en de terugvordering van ten onrechte uitbetaalde bedragen en, indien onregelmatigheden worden vastgesteld, door doeltreffende, evenredige en afschrikkende sancties, overeenkomstig Verordening (EG, Euratom) nr. 2988/95 van 18 december 1995 betreffende de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen (13) , Verordening (Euratom, EG) nr. 2185/96 van 11 november 1996 betreffende de controles en verificaties ter plaatse die door de Commissie worden uitgevoerd ter bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen tegen fraude en andere onregelmatigheden (14) , en Verordening (EG) nr. 1073/1999 van het Europees Parlement en de Raad van 25 mei 1999 betreffende onderzoeken door het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) (15) .

2.  Bij de uit hoofde van het programma gefinancierde acties van de Gemeenschap wordt onder het begrip onregelmatigheid in de zin van artikel 1, lid 2, van Verordening (EG, Euratom) nr. 2988/95 elke inbreuk op het Gemeenschapsrecht of elke schending van een contractuele verplichting als gevolg van een handeling of een nalaten van een economische actor verstaan die door een ongerechtvaardigde uitgave een nadelig effect heeft of zou kunnen hebben op de algemene begroting van de Gemeenschappen of op de door de Gemeenschappen beheerde budgetten.

3.  De Commissie vermindert de voor een actie toegekende financiële steun, schorst de uitbetaling ervan of vordert ze terug, indien zij onregelmatigheden vaststelt, met inbegrip van de niet-naleving van de bepalingen van dit besluit of van de individuele beschikking of het contract of de overeenkomst waarbij de financiële steun in kwestie is toegekend, of indien aan het licht komt dat de actie, zonder dat de toestemming van de Commissie is gevraagd, is gewijzigd op een manier die in strijd is met de aard of de uitvoeringsvoorwaarden van het project.

4.  Indien de termijnen niet worden gerespecteerd of slechts een deel van de toegekende financiële steun gerechtvaardigd blijkt in het licht van de voortgang bij de uitvoering van de actie, verzoekt de Commissie de begunstigde om binnen een vastgestelde termijn zijn opmerkingen kenbaar te maken. Indien de begunstigde geen bevredigend antwoord geeft, kan de Commissie de resterende financiële steun schrappen en de terugbetaling van de reeds uitbetaalde bedragen eisen.

5.  Alle ten onrechte uitbetaalde bedragen worden aan de Commissie terugbetaald. Bedragen die niet tijdig worden terugbetaald, worden verhoogd met een achterstandsrente overeenkomstig de in het Financieel Reglement vastgestelde voorwaarden.

Artikel 13

Toezicht en evaluatie

1.  De Commissie zorgt voor regelmatig toezicht op het programma. Bij de uitvoering van het programma wordt gebruikgemaakt van de resultaten van het toezicht en het evaluatieproces.

In het kader van het toezicht worden met name de in lid 3, onder a) en c), vermelde verslagen opgesteld.

De specifieke doelstellingen kunnen afhankelijk van de resultaten van de toezichtsverslagen worden herzien.

2.  De Commissie zorgt voor een regelmatige, externe en onafhankelijke evaluatie van het programma en houdt de ter zake bevoegde commissies van het Europees Parlement regelmatig hiervan op de hoogte .

3.  
   a) een tussentijds evaluatieverslag over de doeltreffendheid en de kwalitatieve en kwantitatieve aspecten van de uitvoering van het programma, drie jaar na goedkeuring ervan ;
   b) een mededeling over de voortzetting van het programma, vier jaar na goedkeuring ervan ;
   c) uiterlijk 31 december 2015 een gedetailleerde voortgangsevaluatie over de uitvoering en de resultaten van het programma, na de voltooiing ervan.

Artikel 14

Overgangsbepaling

Acties die overeenkomstig Besluit 2004/100/EG vóór 31 december 2006 worden opgestart, blijven tot de voltooiing ervan aan de bepalingen van dat besluit onderworpen.

Artikel 15

Dit besluit treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van zijn bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Het is van toepassing met ingang van 1 januari 2007.

Gedaan te

Voor het Europees Parlement Voor de Raad

De voorzitter De voorzitter

BIJLAGE

I.  Beschrijving van de acties

Actie 1 : Actieve burgers voor Europa

Deze actie omvat dat deel van het programma dat specifiek gericht is op activiteiten waarbij burgers direct of indirect worden betrokken. Deze activiteiten vallen onder twee soorten maatregelen:

Jumelages van steden

Bij deze maatregel gaat het om activiteiten waarbij directe uitwisselingen tussen Europese burgers plaatsvinden of worden bevorderd via activiteiten in het kader van jumelages van steden. Het kan gaan om eenmalige of proefactiviteiten maar ook om gestructureerde, meerjarige overeenkomsten tussen verschillende partners op basis van een meer geprogrammeerde benadering en bestaande uit een reeks activiteiten variërend van bijeenkomsten van burgers bijvoorbeeld door gejumeleerde sportverenigingen georganiseerde manifestaties tot specifieke conferenties of seminars over thema's van gemeenschappelijk belang en publicaties naar aanleiding van activiteiten in het kader van jumelages van steden. Dankzij deze maatregel worden de wederzijdse kennis en het wederzijds begrip tussen burgers en culturen actief bevorderd.

Om deze maatregel te helpen uitvoeren mag rechtstreeks structurele steun worden verleend aan de Raad van Europese gemeenten en regio's (CEMR), een orgaan dat een doelstelling van algemeen Europees belang nastreeft en op het gebied van jumelages van steden actief is.

Burgerprojecten en ondersteunende maatregelen

In het kader van deze maatregel wordt steun verleend aan allerlei transnationale en sectoroverschrijdende projecten waarbij de burgers direct worden betrokken. Voorrang wordt verleend aan projecten ter bevordering van de actieve deelname op plaatselijk niveau door organisaties zoals plaatselijke amateursportverenigingen. De omvang en de reikwijdte van deze projecten hangt af van de maatschappelijke ontwikkelingen. De projecten zullen via innovatieve methoden mogelijke oplossingen voor de vastgestelde problemen bestuderen. Voor projecten in het kader van deze maatregel is een achtergrond van jumelage tussen steden niet vereist. Het gebruik van nieuwe technologieën, vooral informatie- en communicatietechnologieën (ICT), zal worden gestimuleerd. Bij de projecten worden burgers met verschillende achtergronden betrokken. Ze zullen samenwerken en in debat treden over gemeenschappelijke Europese thema's om tot meer wederzijds begrip te komen en de kennis over de Europese integratie aan te scherpen.

Met het oog op betere burgerprojecten moeten ook ondersteunende maatregelen worden ontwikkeld om beste praktijken uit te wisselen, ervaringen tussen plaatselijke en regionale belanghebbenden (inclusief overheden) te bundelen en nieuwe vaardigheden te ontwikkelen (bijvoorbeeld via opleidingen).

Naar verwachting zal ongeveer 40% van de totale begroting van het programma aan deze actie worden besteed.

Actie 2: Een actieve civiele samenleving in Europa

Structurele steun voor Europese organisaties die onderzoek naar het overheidsbeleid doen (denktanks)

Organisaties met nieuwe ideeën en standpunten over Europese thema's zijn belangrijke institutionele gesprekspartners die de Europese instellingen onafhankelijke, strategische en sectoroverschrijdende aanbevelingen kunnen doen. Ze kunnen activiteiten ondernemen om met name het debat over het burgerschap van de Europese Unie en de Europese waarden en culturen aan te wakkeren. Deze maatregel beoogt de institutionele capaciteit van deze organisaties te versterken. Het zijn representatieve organisaties die een reële Europese meerwaarde opleveren, belangrijke multipliereffecten genereren en met andere begunstigden van dit programma kunnen samenwerken. Het is in dit verband belangrijk de trans-Europese netwerken te versterken. Er kunnen subsidies worden verleend op basis van een meerjarig werkprogramma dat een reeks thema's of activiteiten bundelt.

Er mag rechtstreeks structurele steun worden verleend aan de vereniging "Groupement d'études et de recherches Notre Europe" en het "Institut für Europäische Politik" uit Berlijn, organen die , een doelstelling van algemeen Europees belang nastreven.

Structurele steun voor maatschappelijke organisaties op Europees niveau

Maatschappelijke organisaties zijn een belangrijk onderdeel van de sociale, educatieve, culturele en politieke activiteiten voor participatie in de samenleving. Zij zijn nodig en moeten op Europees niveau kunnen opereren en samenwerken. Zij moeten ook via overleg aan beleidsvorming kunnen meedoen. Dankzij deze maatregel beschikken ze over de capaciteit en de stabiliteit om sectoroverschrijdend en horizontaal als transnationale katalysatoren te fungeren voor hun leden en de Europese civiele samenleving en aldus bij te dragen tot de doelen van het programma . Het is in dit verband belangrijk de Trans-Europese netwerken en Europese verenigingen te versterken. Er kunnen subsidies worden verleend op basis van een meerjarig werkprogramma dat een reeks thema's of activiteiten bundelt.

Er mag rechtstreeks structurele steun worden verleend aan drie organen die een doelstelling van algemeen Europees belang nastreven: het Platform van Europese sociale ngo's, de Europese Beweging en de Europese Raad voor vluchtelingen .

Steun voor projecten waartoe maatschappelijke organisaties, verenigingen en netwerken de aanzet hebben gegeven

Maatschappelijke organisaties (niet-gouvernementele organisaties, vakbonden, federaties, denktanks, instellingen die niet-formeel volwassenenonderwijs aanbieden, enzovoort) kunnen via debatten, publicaties, pleitbezorging, opleidingsactiviteiten en andere concrete transnationale projecten burgers bereiken en hun belangen behartigen. De introductie of de voortzetting van een Europese dimensie in de activiteiten van maatschappelijke organisaties stelt deze organisaties in staat hun capaciteiten te vergroten en een breder publiek te bereiken. De directe samenwerking tussen maatschappelijke organisaties uit verschillende lidstaten zal het wederzijds begrip voor verschillende culturen en standpunten ten goede komen en gedeelde zorgen en waarden helpen identificeren. Dit kan in de vorm van afzonderlijke projecten, al staat een benadering op lange termijn borg voor duurzamere effecten en de ontwikkeling van netwerken en synergieën.

Naar verwachting zal ongeveer 38% van de totale begroting van het programma aan deze actie worden besteed.

Actie 3: Samen voor Europa

Evenementen met een hoge zichtbaarheid

Deze maatregel verleent steun aan door of in samenwerking met de Commissie georganiseerde evenementen van aanzienlijke omvang en reikwijdte die bij de volkeren van Europa weerklank vinden, hun samenhorigheidsgevoel verdiepen, hen bewust van de geschiedenis, de successen en de waarden van de Europese Unie maken, hen bij de interculturele dialoog betrekken en tot de ontwikkeling van hun Europese identiteit bijdragen.

Het gaat onder meer om herdenkingen van historische gebeurtenissen, vieringen van Europese successen, artistieke evenementen , voorlichtingsactiviteiten rond specifieke thema's, Europawijde conferenties, Europese amateursportmanifestaties en de uitreiking van prijzen naar aanleiding van belangrijke prestaties. Het gebruik van nieuwe technologieën, vooral ICT, zal worden gestimuleerd.

Studies

Om meer inzicht te krijgen in het concept actief Europees burgerschap zal de Commissie studies, onderzoeken en opiniepeilingen (Eurobarometer) uitvoeren.

Hulpmiddelen voor informatievoorziening en -verspreiding

Aangezien de aandacht wordt toegespitst op de burgers en de verschillende initiatieven op het gebied van actief burgerschap is er behoefte aan uitgebreide informatie over de activiteiten van het programma, Europese acties met betrekking tot burgerschap en andere relevante initiatieven. Deze informatie zal worden verstrekt via een internetportaal en andere hulpmiddelen. In het bijzonder moet voorrang worden verleend aan informatie over Richtlijn 2004/38/EG, die uiterlijk op 30 april 2006 in de nationale wetgevingen moet zijn omgezet.

Er mag rechtstreeks structurele steun worden verleend aan de "Association Jean Monnet", het "Centre européen Robert Schuman", alsook aan de op nationaal en Europees niveau aaneengesloten "Europahuizen", organen die een doelstelling van algemeen Europees belang nastreven.

Naar verwachting zal ongeveer 8% van de totale begroting van het programma aan deze actie worden besteed.

Actie 4: Actief Europees Gedenken

In het kader van deze actie kan steun worden verleend aan de volgende soorten projecten:

   behoud van de voornaamste locaties en gedenktekens in verband met de massadeportaties, de voormalige concentratiekampen en andere grootschalige martel- en -vernietigingslocaties van het nazisme, alsook archieven waarin deze gebeurtenissen worden beschreven en om de herinnering aan de slachtoffers op deze locaties levendig te houden;
   het levend houden van de herinnering aan hen die onder extreme omstandigheden mensen hebben gered uit de Holocaust;
   herinnering aan de slachtoffers van de massavernietiging en -deportatie in verband met het stalinisme, en behoud van de gedenktekens en archieven waarin deze gebeurtenissen worden beschreven.

Projecten in het kader van deze actie moeten een transnationale betekenis hebben of een transnationaal element bevatten en zij moeten bij de volkeren van Europa het begrip van de beginselen democratie, vrijheid en eerbiediging van mensenrechten bevorderen.

II.  Rond de 4% van alle voor dit programma uitgetrokken kredieten is bestemd voor deze actie.

Beheer van het programma

De uitvoering van het programma berust op transparantie en openheid ten aanzien van een grote verscheidenheid van organisaties en projecten. Projecten en activiteiten zullen daarom in de regel via openbare oproepen tot het indienen van voorstellen worden geselecteerd. Afwijkingen zijn alleen in zeer specifieke gevallen mogelijk en in volledige naleving van artikel 168, lid 1, onder c) en d), van de uitvoeringsvoorschriften van het Financieel Reglement.

Het programma zal het beginsel van op overeengekomen doelstellingen gebaseerde meerjarige partnerschappen ontwikkelen en op de analyse van de resultaten voortbouwen om wederzijdse voordelen voor de maatschappelijke organisaties en de Europese Unie te waarborgen. De maximumduur voor de verlening van kredieten via een subsidieovereenkomst is in het kader van dit programma beperkt tot drie jaar.

Voor sommige acties, met name ten behoeve van actie 1, is een indirect gecentraliseerd beheer wellicht noodzakelijk. Indien dit voor de tenuitvoerlegging van het programma noodzakelijk is, moet gebruik worden gemaakt van bestaande beheers- en tenuitvoerleggingsinstrumenten en -structuren.

Alle acties worden transnationaal uitgevoerd en bevorderen de mobiliteit van burgers en ideeën in de Europese Unie.

De vastgestelde selectiecriteria worden met de toegepaste beoordelingsschaal ter beschikking gesteld van alle betrokken actoren. Kredietaanvragen worden beoordeeld aan de hand van onderstaande criteria:

   aansluiting op het doel van het programma;
   hoedanigheid van de overwogen activiteiten;
   mate waarin deze activiteiten waarschijnlijk door de publieke opinie worden overgenomen;
   geografische effecten van de uitgevoerde werkzaamheden;
   mate waarin de burgers betrokken zijn bij de organisatie van de organen in kwestie.

Aanvragers hebben, ongeacht de vraag of zij al dan niet een subsidie hebben ontvangen, het recht op terzake dienende informatie over de redenen van het uiteindelijke besluit.

Het is belangrijk netwerken te vormen en de aandacht op multipliereffecten toe te spitsen (inclusief het gebruik van ICT ). Beide aspecten zullen worden weerspiegeld in de soorten activiteiten en de verscheidenheid van organisaties. Interacties en synergieën tussen de verschillende belanghebbenden bij het programma zullen worden bevorderd.

Het programmabudget mag ook de uitgaven dekken voor activiteiten (voorbereidingen, follow-up, toezicht, audits en evaluaties) die rechtstreeks voor het beheer van het programma en de verwezenlijking van de doelstellingen noodzakelijk zijn, en met name de uitgaven voor studies, bijeenkomsten, voorlichtingsactiviteiten, publicaties, ICT -netwerken voor informatie-uitwisseling en andere vormen van administratieve en technische bijstand waartoe de Commissie met het oog op het beheer van het programma heeft besloten.

De Commissie mag zo nodig informatie publiceren en verspreiden. Voor deze activiteiten kunnen subsidies worden verleend. Ze kunnen ook rechtstreeks door de Commissie worden georganiseerd en gefinancierd op basis van dienstencontracten.

III.  Controles en audits

Voor de overeenkomstig artikel 13, lid 1 geselecteerde projecten wordt een auditsysteem op basis van steekproeven opgezet.

De begunstigde van een subsidie houdt alle bewijsstukken van uitgaven gedurende vijf jaar na de laatste betaling ter beschikking van de Commissie. De begunstigde van een subsidie zorgt ervoor dat eventuele bewijsstukken in het bezit van partners of leden ter beschikking van de Commissie worden gesteld.

De Commissie heeft het recht om de aanwending van de subsidie te onderwerpen aan een audit die rechtstreeks wordt uitgevoerd door haar eigen personeel, dan wel door een bevoegde externe organisatie van haar keuze. Deze audits kunnen worden uitgevoerd tijdens de volledige looptijd van de overeenkomst, en tijdens een periode van vijf jaar na de laatste betaling . De auditresultaten kunnen er eventueel toe leiden dat de Commissie besluiten tot terugvordering neemt.

Het personeel van de Commissie en de door de Commissie gemachtigde externe personen hebben op passende wijze toegang tot met name de kantoren van de begunstigde, alsook tot alle noodzakelijke gegevens, ook in elektronische vorm, om deze audits tot een goed einde te brengen.

De Europese Rekenkamer en het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) hebben dezelfde rechten als de Commissie, en met name het recht van toegang.

(1) PB C 28 van 3.2.2006, blz. 29.
(2) PB C 115 van 16.5.2006, blz. 81.
(3) Standpunt van het Europees Parlement van 5 april 2006 .
(4) PB L 158 van 30.4.2004, blz. 77.
(5) PB C 122 van 9.5.1988, blz. 38.
(6) Conclusies van de Europese Raden van 7-9 december 2000, 14-15 december 2001 (en de bijgevoegde Verklaring van Laken), 4-5 november 2004 en 16-17 december 2004.
(7) PB L 30 van 4.2.2004, blz. 6.
(8) Aangenomen teksten, P6_TA(2005)0224.
(9) PB L 248 van 16.9.2002, blz. 1.
(10) PB L 357 van 31.12.2002, blz. 1. Verordening gewijzigd bij Verordening (EG, Euratom) nr. 1261/2005 (PB L 201 van 2.8.2005, blz. 3).
(11) PB C 172 van 18.6.1999, blz. 1.
(12) PB L 184 van 17.7.1999, blz. 23.
(13) PB L 312 van 23.12.1995, blz. 1.
(14) PB L 292 van 15.11.1996, blz. 2.
(15) PB L 136 van 31.5.1999, blz. 1.

Laatst bijgewerkt op: 9 augustus 2006 Juridische mededeling