Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2006/2651(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : B6-0544/2006

Ingediende teksten :

B6-0544/2006

Debatten :

PV 25/10/2006 - 12
CRE 25/10/2006 - 12

Stemmingen :

PV 26/10/2006 - 6.9
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P6_TA(2006)0458

Door het Parlement aangenomen teksten
DOC 37k
Donderdag 26 oktober 2006 - Straatsburg Definitieve uitgave
Milieubescherming door het strafrecht
P6_TA(2006)0458B6-0544/2006

Resolutie van het Europees Parlement over het vervolg van het advies van het Parlement inzake milieubescherming: misdaadbestrijding, misdrijven en straffen

Het Europees Parlement ,

–   gezien het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad inzake milieubescherming door het strafrecht(1) ,

–   gezien zijn standpunt van 9 april 2002 met het oog op de aanneming van een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad inzake milieubescherming door het strafrecht(2) ,

–   gezien zijn standpunt van 9 april 2002 over het voorstel voor een besluit van de Raad tot vaststelling van een kaderprogramma op basis van titel VI van het Verdrag betreffende de Europese Unie - Politiële en justitiële samenwerking in strafzaken(3) ,

–   gezien het arrest van het Hof van Justitie van 13 september 2005 in de zaak C-176/03, Commissie/Raad(4) ,

–   gezien de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad over de gevolgen van het arrest van het Hof van 13 september 2005 (C-176/03, Commissie/Raad) (COM(2005)0583),

–   gezien zijn resolutie van 14 juni 2006 over de gevolgen van het arrest van het Hof van 13 september 2005 (C-176/03 Commissie/Raad)(5) ,

–   gelet op artikel 108, lid 5 van zijn Reglement,

A.   overwegende dat het Hof van Justitie in zijn arrest van 13 september 2005 van oordeel was dat de communautaire wetgever gerechtigd is om maatregelen te nemen die met het strafrecht van de lidstaten verband houden, indien hij zulks nodig acht om te zorgen dat de door hem vastgestelde voorschriften inzake milieubescherming ten volle effectief zijn,

B.   overwegende dat het Hof van Justitie van mening is dat de bepalingen van artikel 135 en artikel 280, lid 4 van het EG-Verdrag een eventuele harmonisatie van het strafrecht, voor het doel van de tenuitvoerlegging van het milieubeleid, niet in de weg staan,

C.   overwegende dat het Hof van Justitie van mening is dat "het kaderbesluit, wegens zijn ondeelbare karakter, in zijn geheel in strijd is met artikel 47 EU, aangezien het inbreuk maakt op de bevoegdheden die artikel 175 EG aan de Gemeenschap toekent",

D.   overwegende dat de Europese Commissie, in haar mededeling over de gevolgen van het arrest van het Hof van 13 september 2005, verklaarde dat de voor de doeltreffende toepassing van het communautair recht noodzakelijke strafrechtelijke bepalingen onder het EG-Verdrag vallen,

E.   overwegende dat het standpunt van het Hof van Justitie, zoals door de Commissie geherinterpreteerd, moet worden toegejuicht omdat het steun verleent aan het reeds door het Europees Parlement ingenomen standpunt in zijn resolutie van 3 september 2003 over de rechtsgrondslagen en de naleving van het communautair recht(6) ,

1.   is verheugd dat het Hof van Justitie het kaderbesluit inzake milieubescherming dat verkeerdelijk onder de derde in plaats van onder de eerste pijler was aangenomen, nietig heeft verklaard;

2.   merkt op dat het arrest van het Hof van Justitie een rechtsvacuüm schept aangaande de milieubescherming door het strafrecht;

3.   meent dat uit de aanneming van het kaderbesluit door de Raad blijkt dat de lidstaten erkennen dat de instrumenten van het strafrecht nodig zijn om de naleving van de wetgeving inzake milieubescherming te versterken;

4.   meent dat uit de aanneming van het kaderbesluit door de Raad blijkt dat de lidstaten de noodzaak erkennen van een zekere mate van harmonisatie op het gebied van de milieubescherming door middel van het strafrecht;

5.   merkt op dat het Hof duidelijk heeft verklaard dat de artikelen 1 tot en met 7 van het kaderbesluit hadden kunnen worden vastgesteld op grond van artikel 175 van het EG-Verdrag;

6.   betreurt dat de Europese Commissie, in haar genoemde mededeling over de gevolgen van het arrest van het Hof van 13 september 2005, niet explicieter is over de maatregelen die zij voornemens is te nemen in verband met het bestaande voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad inzake milieubescherming door het strafrecht;

7.   verzoekt de Raad het oorspronkelijke voorstel van de Commissie te bestuderen met het oog op wijziging of het geven van een richtsnoer voor een nieuw voorstel inzake milieubescherming door het strafrecht op basis van artikel 175 van het EG-Verdrag;

8.   verzoekt de Europese Commissie om, ingeval de Raad niet besloten is voortgang te maken met het goedkeuren van een gemeenschappelijk standpunt inzake het oorspronkelijke Commissievoorstel, een nieuw voorstel inzake milieubescherming door het strafrecht op te stellen op basis van artikel 175 van het EG-Verdrag, rekening houdend met het arrest van het Hof van Justitie en met opneming van het resultaat van de stemming in eerste lezing in het Europees Parlement over het oorspronkelijke voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad;

9.   verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en aan de regeringen en parlementen van de lidstaten.

(1) PB C 180 E van 26.6.2001, blz. 238.
(2) PB C 127 E van 29.5.2003, blz. 119.
(3) PB C 127 E van 29.5.2003, blz. 132.
(4) Jurispr. 2005, blz. 1-7879.
(5) Aangenomen teksten van die datum, P6_TA(2006)0260.
(6) PB C 76 E van 25.3.2004, blz. 224.

Laatst bijgewerkt op: 15 mei 2007Juridische mededeling