Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2007/2106(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A6-0003/2008

Ingediende teksten :

A6-0003/2008

Debatten :

PV 30/01/2008 - 22
CRE 30/01/2008 - 22

Stemmingen :

PV 31/01/2008 - 8.10
CRE 31/01/2008 - 8.10
Stemverklaringen
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P6_TA(2008)0033

Aangenomen teksten
DOC 82k
Donderdag 31 januari 2008 - Brussel Definitieve uitgave
Actieplan voor energie-efficiëntie – Het potentieel realiseren
P6_TA(2008)0033A6-0003/2008

Resolutie van het Europees Parlement van 31 januari 2008 over het actieplan voor energie-efficiëntie – Het potentieel realiseren (2007/2106(INI))

Het Europees Parlement ,

–   gezien de mededeling van de Commissie getiteld "actieplan voor energie-efficiëntie – Het potentieel realiseren" (COM(2006)0545),

–   gezien het werkdocument van de Commissie (SEC(2006)1173) – begeleidend document bij de hierboven vermelde mededeling van de Commissie,

–   gezien de effectbeoordeling van het actieplan (SEC(2006)1174), en de samenvatting (SEC(2006)1175),

–   gezien de mededeling van de Commissie "Een energiebeleid voor Europa" (COM(2007)0001),

–   gezien de conclusies van het voorzitterschap van de Europese Raad van 8 en 9 maart 2007 betreffende de goedkeuring door de Raad van een "actieplan van de Raad (2007-2009) - Een energiebeleid voor Europa" (7224/07),

–   gezien Richtlijn 92/75/EEG van de Raad van 22 september 1992 betreffende de vermelding van het energieverbruik en het verbruik van andere hulpbronnen op de etikettering en in de standaardproductinformatie van huishoudelijke apparaten(1) ,

–   gezien Richtlijn 2002/91/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2002 betreffende de energieprestatie van gebouwen(2) ,

–   gezien Richtlijn 2004/8/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 inzake de bevordering van warmtekrachtkoppeling op basis van de vraag naar nuttige warmte binnen de interne energiemarkt(3) ,

–   gezien Richtlijn 2005/32/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 juli 2005 betreffende de totstandbrenging van een kader voor het vaststellen van eisen inzake ecologisch ontwerp voor energieverbruikende producten(4) ,

–   gezien Richtlijn 2006/32/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 april 2006 betreffende energie-efficiëntie bij het eindgebruik en energiediensten(5) ,

–   gezien Besluit nr. 2006/1005/EG van de Raad van 18 december 2006 betreffende de sluiting van de Overeenkomst tussen de regering van de Verenigde Staten van Amerika en de Europese Gemeenschap over de coördinatie van programma's voor energie-efficiëntie-etikettering voor kantoorapparatuur(6) en gezien de tekst van deze Overeenkomst(7) ,

–   gezien het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende een communautair energie-efficiëntie-etiketteringsprogramma voor kantoorapparatuur (COM(2006)0576),

–   gezien Besluit nr. 1639/2006/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 oktober 2006 tot vaststelling van een kaderprogramma voor concurrentievermogen en innovatie (2007-2013)(8) , en in het bijzonder Titel II, hoofdstuk III daarvan, getiteld Programma Intelligente energie - Europa,

–   gezien Besluit nr. 1982/2006/EG van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006 betreffende het zevende kaderprogramma van de Europese Gemeenschap voor activiteiten op het gebied van onderzoek, technologische ontwikkeling en demonstratie (2007-2013)(9) ,

–   gezien Verordening (EG) nr. 761/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 19 maart 2001 inzake de vrijwillige deelneming van organisaties aan een communautair milieubeheer- en milieuauditsysteem (EMAS)(10) ,

–   gezien zijn resolutie van 1 juni 2006 over het Groenboek inzake energie-efficiëntie "Meer doen met minder"(11) ,

–   gezien zijn resolutie van 14 december 2006 over een Europese strategie voor duurzame, concurrerende en continu geleverde energie voor Europa - Groenboek(12) ,

–   gelet op artikel 45 van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie industrie, onderzoek en energie en de adviezen van de Commissie economische en monetaire zaken, de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid en de Commissie regionale ontwikkeling (A6-0003/2008),

A.   overwegende dat een stijging van de temperatuur wereldwijd met méér dan twee graden Celsius ten opzichte van de pre-industriële niveaus tot onvoorspelbare klimaatveranderingen zal leiden, hetgeen onder meer de intergouvernementele werkgroep inzake klimaatverandering in haar verslag van mei 2007 bevestigt; overwegende dat de CO2-emissies tussen nu en 2015 drastisch zullen moeten worden gereduceerd om de stijging van de temperatuur wereldwijd tot twee graden Celsius te beperken; overwegende dat het efficiënter gebruiken van energie de snelste en meest kostenefficiënte manier is om de CO2-emissies te reduceren,

B.   overwegende dat energie-efficiëntie een essentiële rol toekomt bij het verkleinen van Europa's afhankelijkheid van energie-importen, bij het aanpakken van de toekomstige grote schaarste aan energiebronnen en bij het beperken van de gevolgen van plotselinge energieprijsstijgingen,

C.   overwegende dat de effectbeoordeling betreffende het actieplan voor energie-efficiëntie een tekort aan handhavingscapaciteit op alle beleidsniveaus binnen de Commissie aan het licht heeft gebracht en dat er 20 extra personeelsleden nodig zijn om het actieplan succesvol te laten zijn,

D.   overwegende dat Richtlijn 2002/91/EG door slechts vijf lidstaten naar behoren in hun nationale wetgeving is omgezet,

E.   overwegende dat de lidstaten krachtens richtlijn 2006/32/EG verplicht zijn uiterlijk op 30 juni 2007 een nationaal actieplan voor energie-efficiëntie in te dienen; overwegende dat de Commissie op 1 september 2007 van slechts negen lidstaten zo'n nationaal actieplan had ontvangen, en op 10 januari 2008 nog altijd slechts zeventien,

F.   overwegende dat de omzetting in nationaal recht door de lidstaten van Richtlijn 2004/8/EG achterligt op schema en verre van perfect is,

G.   overwegende dat de EU behoort tot de rijkste en technologisch meest geavanceerde regio's in de wereld; overwegende dat sinds 1990 de economische productie van de EU met bijna 40% is gestegen en het gemiddelde inkomen per hoofd van de bevolking met één derde; overwegende dat over diezelfde periode de vraag naar energie en energiebronnen slechts met 11% is gestegen,

H.   overwegende dat met de toepassing van informatie- en communicatietechnologieën een hogere productiviteitsstijging kan worden bereikt dan de stijging van 20% die de EU zich als doel heeft gesteld, mits de juist beleidssignalen worden gegeven; voorts overwegende dat technologieën zoals intelligente netwerktechnologie, intelligente beheerssystemen en "speckled computing" bijgevolg het voorwerp van effectieve beleidsaanbevelingen moeten zijn,

1.   is verheugd met het bovengenoemde actieplan voor energie-efficiëntie van 2006 en steunt de daarin vermelde doelstellingen en het toepassingsgebied;

2.   is van oordeel dat de doelstelling van het tussen nu en 2020 met méér dan 20% verbeteren van de energie-efficiëntie, naast verbeteringen ten gevolg van autonome structurele of prijseffecten, technisch en economisch absoluut haalbaar is, en roept de Commissie en de lidstaten op zich voor het bereiken van deze doelstelling in te zetten alsook voor het bereiken van de doelstellingen in verband met klimaatverandering;

3.   betreurt het feit dat de tenuitvoerlegging door de lidstaten van de bestaande wetgeving inzake energie-efficiëntie tekortschiet en achterloopt op schema;

4.   benadrukt dat het energie-efficiëntiebeleid op alle bestuursniveaus moet worden uitgevoerd;

5.   betreurt dat de lidstaten Richtlijn 2004/8/EG niet volledig in nationaal recht hebben omgezet en bij de omzetting bovendien ver achterliggen op schema;

6.   betreurt het feit dat er bij de Commissie te weinig ambtenaren worden ingezet om het actieplan en de energie-efficiëntiewetgeving die eraan ten grondslag ligt volledig en tijdig ten uitvoer te leggen;

7.   betreurt het feit dat van de 21 acties van de Commissie die volgens het actieplan in 2007 zouden moeten worden afgerond er op 1 september 2007 slechts drie volledig waren geïmplementeerd; neemt nota van het feit dat de Commissie heeft laten weten dat op 30 oktober 2007 16 van de 21 acties "op schema" lagen en betreurt de ernstige achterstand bij de goedkeuring van minimumenergieprestatie-normen voor prioritaire productgroepen;

8.   betreurt het feit dat de regeringen van een groot aantal lidstaten geen prioriteit toekennen aan de volledige en snelle omzetting en de naleving van de wetgeving inzake energie-efficiëntie, ondanks hun toezeggingen om de klimaatverandering aan te pakken en de import van energie in de EU te reduceren;

9.   dringt er bij de Commissie op aan haast te maken met het opstellen van de toekomstige intentieverklaring in samenwerking met het Comité van Europese energieregelgevers (CEER) voor het vastleggen van gemeenschappelijke richtsnoeren en een gemeenschappelijke gedragscode met het oog op verbetering van de efficiëntie van het eindgebruik van energie in alle sectoren;

10.   dringt erop aan dat binnen de Commissie en in de lidstaten op zo kort mogelijke termijn een gedetailleerde beoordeling wordt gemaakt van de tekorten aan capaciteit en andere obstakels die tot nu toe tot een onvoldoende tenuitvoerlegging van de energie-efficiëntiewetgeving hebben geleid, en dat ze de maatregelen in kaart brengen die nodig zijn om iets aan deze tekortkomingen en obstakels te doen;

11.   wijst in het bijzonder op het veel voorkomende gebrek aan eenvoudige, direct beschikbare informatie en organisatorische ondersteuning met betrekking tot energie-efficiëntie op het moment (bijv. wanneer een huishoudelijk apparaat of andere apparatuur kapot gaat) of bij de gelegenheid (bijv. een verhuizing) dat daaraan behoefte bestaat; is van mening dat een gebrek aan aandacht voor de praktische behoeften van de burgers ondermijnend werkt voor veel energie-efficiëntieregelingen en benadrukt daarom het belang van praktische hulp en zogenaamde up-frontfinanciering;

12.   benadrukt dat informatie- en communicatietechnologieën (ICT) moeten worden gepromoot als een sleutelelement voor het stimuleren van energiebesparingen in sectoren als het transport, de bouw, de energiesector en de verwerkende industrie; is in dit verband verheugd over de studie van de Commissie naar de potentiële bijdrage van verscheidene op ICT gebaseerde speerpunttechnologieën aan het verbeteren van de energie-efficiëntie van de economie van de EU en het verminderen van broeikasgasemissies tegen 2020; dringt er bij de Commissie op aan om in deze studie intelligente beheerssystemen in het algemeen en intelligente netwerktechnologieën en geïntegreerde systemen in het bijzonder op te nemen;

Apparatuur en toestellen

13.   is verheugd over de strategie van het vaststellen van minimumenergieprestatie-normen en verzoekt de Commissie deze tegen 2008 vast te stellen en te implementeren voor airconditioning en alle soorten set-topboxen voor televisie; dringt erop aan dit te doen in combinatie met een dynamische herziening van etikettering en merkt op dat het CE-merkteken kan helpen bij de handhaving van minimumenergieprestatie-normen; roept de lidstaten op méér middelen ter beschikking te stellen voor markttoezicht;

14.   stemt in met het toevoegen van woningverlichting aan de lijst van prioritaire productgroepen en benadrukt dat het belangrijk is dat de Commissie zich houdt aan het voorgestelde tijdschema voor het uit de handel nemen van de meest inefficiënte (gloei)lampen, overeenkomstig de conclusies van de Europese Raad van maart 2007;

15.   wijst op de vooruitgang die recentelijk is gemaakt in de LED-lamptechnologie; verzoekt de Commissie te onderzoeken hoe het onderzoek naar LED-lampen en het gebruik ervan kan worden bevorderd;

16.   verzoekt de Commissie met klem tijdschema's op te stellen voor het uit de handel nemen van de minst energiezuinige apparatuur en toestellen en van andere energieverbruikende producten, zoals terrasverwarmers;

17.   verwelkomt de specifieke aandacht voor het reduceren van 'stand-by'-verliezen en voor betere beschikbaarheid van producten en technologieën die ervoor zorgen dat goederen en apparaten die energie verbruiken dat alleen doen wanneer dat daadwerkelijk nodig is; verzoekt de Commissie een eis van één watt voor de 'stand-by'-prestatie te formuleren, alsook een analyse te maken van de potentiële energiebesparing van zowel het minimaliseren, als het helemaal elimineren van niet-essentiële 'stand-by'-energieconsumptie, in het bijzonder passieve 'stand-by';

18.   is verheugd over de ondertekening van de nieuwe Energy Star-overeenkomst met de Verenigde Staten, waarin gemeenschappelijke energie-efficiëntienormen voor kantoorapparatuur worden vastgesteld, en in het bijzonder over de opname - in de tenuivoerleggingsverordening - van de verplichting om een openbare aanbesteding uit te schrijven; spoort de Commissie aan in de onderhandelingen te blijven streven naar een verruiming van het toepassingsgebied van de Energy Star-samenwerking tussen de EU en de VS met andere producten, overeenkomstig de tijdens de Europees-Amerikaanse top op 30 april 2007 gedane belofte;

19.   is verheugd over het voorstel om uiterlijk in 2010 voor alle andere apparatuur en toestellen met een groot energieverbruik minimumprestatie-normen vast te stellen; roept de Commissie op om te beginnen met de minst energie-efficiënte producten op de markt;

20.   ondersteunt de inspanningen van de Commissie voor het opstellen van criteria voor milieu-etikettering voor verwarmings- en koelapparatuur, die in het bijzonder betrekking hebben op het verbruik van primaire energie, zodat gebruikers er zeker van kunnen zijn dat ze betrouwbare informatie krijgen over de meest energiezuinige en milieuvriendelijke alternatieven beschikbaar op de markt voor apparatuur voor de verwarming of koeling van gebouwen;

21.   dringt met klem aan op strikte naleving van de in 2006 vastgestelde eisen inzake de installatie van intelligente meters om de consument meer bewust te maken van energieverbruik, elektriciteitsleveranciers te helpen efficiënter op de vraag in te spelen en de vereisten met betrekking tot energie-efficiëntiestatistieken te helpen verbeteren;

22.   roept op tot het formuleren van een norm voor intelligente warmteverbruiksmeters die worden gebruikt in centrale verwarmingssystemen en stadsverwarmingsnetwerken, teneinde eindgebruikers te bewegen tot meer energiebewust gedrag ("pay-for-what-you-use"-systemen) en af te komen van systemen met vaste kosten, die het tegenovergestelde effect hebben;

23.   is van mening dat industriële technologieën ervoor moeten zorgen dat in productieprocessen minder energie wordt verbruikt; gelooft dat aanzienlijke energiebesparingen kunnen worden gerealiseerd wanneer het gewicht van voertuigen voor de weg en andere transportmiddelen wordt verminderd;

Eisen inzake energieprestaties voor gebouwen

24.   dringt bij de Commissie aan op versnelling van de inbreukprocedures tegen de lidstaten die Richtlijn 2002/91/EG niet naar behoren hebben omgezet in nationaal recht of niet volledig ten uitvoer hebben gelegd;

25.   wijst er gezien de lange levensduur van gebouwen op dat het uitermate belangrijk is ervoor te zorgen dat nieuwe gebouwen aan de hoogst mogelijke energie-efficiëntienormen voldoen en dat bestaande gebouwen worden opgewaardeerd om aan de eisen van deze tijd te voldoen; is van mening dat de sloop van energieverslindende gebouwen in combinatie met de bouw van energiezuinige nieuwe gebouwen soms zou kunnen worden ondersteund als alternatief voor renovatie;

26.   verzoekt de Commissie Richtlijn 2002/91/EG te herzien, zodat vanaf 2009 alle gebouwen die verwarming of koeling behoeven, ongeacht hun grootte, worden opgenomen in de werkingssfeer van artikel 6;

27.   roept de Commissie op om er bij de beoordeling van de prestaties van boilers rekening mee te houden dat (micro)warmtekrachtkoppelingsboilers verreweg het hoogste rendement opleveren en voor boilers minimumprestatie-eisen te stellen die met dit gegeven in overeenstemming zijn;

28.   is verheugd over het voorstel om voor nieuwe en gerenoveerde gebouwen, en voor onderdelen van gebouwen, zoals ramen en raamfolie, minimumprestatie-eisen vast te stellen;

29.   roept de Commissie op een voorstel te presenteren voor een bindende eis dat vanaf 2011 alle nieuwe gebouwen die verwarming en/of koeling behoeven aan eisen voor 'passieve woningen' of commerciële gebouwen moeten voldoen, en voor een eis dat vanaf 2008 passieve oplossingen voor verwarming en koeling moeten worden gebruikt;

30.   roept de Commissie op om voor alle gebouwen de geleidelijke invoering van stadsverwarmings- en stadskoelingsnetten te overwegen, zodat het verbruik van fossiele brandstoffen voor verwarmings- en koelingsdoeleinden kan worden verminderd door gebruik te maken van energie die anders bij de omzetting van de brandstof verloren zou gaan;

31.   verzoekt de Commissie om bij het overwegen van fiscale en andere maatregelen voor het bevorderen van energie-efficiëntie, ook het bevorderen van architectonische oplossingen voor passieve verwarming en koeling, zoals bouwstructuren met warmte-isolerende eigenschappen, te overwegen;

32.   roept de Commissie en de lidstaten op stadskoeling uit hernieuwbare energiebronnen te bevorderen, als een efficiënt alternatief middel om aan de groeiende vraag naar comfortkoeling te voldoen;

33.   roept de Commissie op tot het opzetten van een transparante, voor EU-burgers toegankelijke, databank met informatie over nationale, regionale en lokale maatregelen – in het bijzonder financieringsmaatregelen – voor het bevorderen van energie-efficiëntie in gebouwen, ten behoeve van de uitwisseling van beste praktijken in de EU en van voorlichting en bewustmaking van het publiek;

Elektriciteitsproductie en -distributie

34.   spoort de lidstaten aan in hun nationale actieplannen voor energie-efficiëntie plannen voor méér zeer efficiënte warmtekrachtkoppeling op te nemen, over te stappen op een alomvattende planning en stimulering van de elektriciteits-, verwarmings- en koelingsbevoorrading, en vraagt de Commissie met klem om zich zeer kritisch op te stellen ten aanzien van nationale actieplannen die op deze punten tekortschieten; in het algemeen spoort de lidstaten aan maatregelen te bevorderen voor het gebruik van kleinschalige en micro-warmtekrachtkoppeling en het elimineren van de obstakels daarvoor;

35.   wijst erop dat vervoer en distributie medeveroorzaker zijn van energieverlies en stroomstoringen en benadrukt de rol die micro-opwekking, decentrale opwekking en gediversifieerde opwekking kunnen spelen bij het veiligstellen van de energievoorziening en het terugdringen van verliezen; is van oordeel dat er prikkels gegeven dienen te worden voor de verbetering van de infrastructuur teneinde de transmissie- en distributieverliezen terug te dringen;

36.   verzoekt de Commissie meer aandacht te besteden aan de verwarmingsmarkt, omdat verwarming verantwoordelijk is het grootste deel van het energieverbruik, en aan instrumenten zoals stadsplanning, thermografie en investeringsfaciliteiten die het mogelijk maken om via de ontwikkeling van stadsverwarmings- en stadskoelingsinfrastructuren overtollige warmte van hernieuwbare energie terug te winnen;

37.   verzoekt de Commissie de tenuitvoerlegging van Richtlijn 2004/8/EG nauwkeurig te bewaken en vast te stellen of de steunregelingen voldoende zijn om het nationale potentieel voor hoogrenderende warmtekrachtkoppeling volledig te benutten;

38.   wijst de Commissie op de noodzaak van lokale koelnetwerken als een effectief alternatief middel om aan de groeiende vraag naar comfortkoeling te voldoen en de daaraan gerelateerde CO2-emissies drastisch te verminderen;

39.   verzoekt de Commissie de bestaande financiële prikkels ook te laten gelden voor ontwikkelingen die het mogelijk maken dat energie uit hernieuwbare bronnen in de bestaande netwerken voor energie uit fossiele brandstoffen wordt geleid; is van mening dat verbetering van bestaande netwerken in minder tijd en tegen lagere kosten de efficiëntie van de energieproductie uit hernieuwbare bronnen aanmerkelijk zou verhogen en door dergelijke verbeteringen tijdig door te voeren tegelijkertijd de zekerheid van de energievoorziening zou worden vergroot;

Vervoer

40.   verzoekt de Commissie voor alle transportmodi, met inbegrip van het openbaar vervoer, minimumenergieprestatie-eisen vast te stellen; benadrukt het belang van beleid inzake energie-efficiënt vervoer dat vooral inzet op openbaar vervoer, en fietsen en lopen in stedelijke gebieden; verwelkomt het Groenboek inzake stedelijk vervoer en vraagt de Commissie een initiatief te ontwikkelen dat speciaal gericht is op stedelijk vervoer en het in een duurzaam mobiliteitsbeleid voor steden en stedelijke gebieden integreren van klimaatbescherming, energiebesparing en volksgezondheid; spoort de stedelijke overheid in de EU aan na te denken over maatregelen voor het verminderen van de CO2-uitstoot van personenauto's, bijvoorbeeld door middel van fileheffingen; herinnert eraan dat bindende jaarlijkse emissiegrenswaarden voor alle nieuw personenauto's eraan bijdragen dat de EU haar bindende CO2-doelstellingen haalt;

41.   dringt erop aan Richtlijn 1999/94/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 1999 betreffende de beschikbaarheid van consumenteninformatie over het brandstofverbruik en de CO2-uitstoot bij de verbranding van nieuwe personenauto's(13) zo te wijzigen dat auto's kunnen worden geëtiketteerd volgens een duidelijke indeling met verschillende categorieën, zoals deze voor het etiketteren van apparaten wordt gebruikt (momenteel de zeven categorieën tellende A tot G-indeling); stelt voor dat ten minste 20% van alle ruimte die voor reclame en marketing van nieuwe auto's wordt gebruikt informatie over brandstofefficiëntie en emissies moet bevatten;

42.   betreurt tevens dat het richtlijnvoorstel inzake de belastingheffing op personenauto's, waarmee beoogd wordt de CO2-uitstoot overeenkomstig de verplichtingen van de EU in het kader van het protocol van Kyoto te verminderen, nog steeds niet door de Raad is goedgekeurd, en dringt aan op een snelle goedkeuring en tenuitvoerlegging;

43.   verzoekt de Commissie een kaderstrategie te formuleren voor het faciliteren van aanzienlijke efficiencyverbeteringen in het stedelijk en voorstedelijk openbaar vervoer, waarvoor het nodig is dat beheerders van stedelijke en voorstedelijke openbaarvervoersystemen studies verrichten, waaronder haalbaarheidsstudies, naar systeemgerelateerde aspecten, efficiëntieniveaus en het niveau van de dienstverlening, en die is gericht op een dusdanige aanpassing van horizontale steunregelingen voor de ontwikkeling van openbaarvervoersystemen, dat deze regelingen voldoen aan strengere voorwaarden ten aanzien van efficiëntie en consistentie;

44.   verwelkomt de gemeenschappelijke onderneming "Clean Sky", die tot doel heeft om groenere, uit milieuoogpunt duurzamere en meer energiezuinige vliegtuigen te produceren;

Financiële regelingen en regionaal beleid

45.   wijst op het belang van toegang tot structuurmiddelen voor het financieren van energie-efficiëntie, via organen zoals de Europese Investeringsbank en de Europese Bank voor Wederopbouw en Ontwikkeling, alsmede van financiering via particuliere financieringsmechanismen;

46.   verzoekt de Commissie het aandeel van de middelen van de structuurfondsen en het Cohesiefonds dat voor het verbeteren van de energie-efficiëntie van bestaande woningen moet worden gebruikt van 3% naar minimaal 5% te verhogen, en de lidstaten te verplichten ten volle van deze mogelijkheid gebruik te maken;

47.   betreurt het ingewikkelde karakter van veel EU-regelingen voor het financieren van energie-efficiëntie, ondanks het bestaan van het initiatief "gemeenschappelijke Europese middelen voor de zeer kleine en middelgrote ondernemingen" (JEREMIE); wijst erop dat het ontbreken van eenvoudige en gemakkelijk toegankelijke financieringsregelingen met name voor kleine en zeer kleine ondernemingen een groot probleem is omdat zij de capaciteit ontberen om ingewikkelde regelingen te gebruiken;

48.   wijst op het cruciale belang van onderzoek en ontwikkeling en innovatie op het gebied van energie-efficiëntie; dringt er bij de lidstaten, regionale en lokale autoriteiten en NGO's op aan hun voordeel te doen met de financiële middelen die beschikbaar zijn uit hoofde van het zevende kaderprogramma, de structuurfondsen en het kaderprogramma voor concurrentievermogen en innovatie/"Intelligente energie voor Europa", die zijn bedoeld voor het stimuleren van onderzoek op het gebied van energie-efficiëntie en het bevorderen van technologieën voor hernieuwbare energie, alsook voor de ontwikkeling van nieuwe manieren voor het transporteren en opslaan van energie waarbij minder energie verloren gaat; verzoekt de Commissie ruimhartig te zijn bij de behandeling van verzoeken om financiering voor onderzoek naar energie-efficiëntie; verzoekt de Commissie en de lidstaten energie-efficiëntie een hoge prioriteit te geven bij de aanhoudende inspanningen die moeten worden gedaan om de EU-programma's voor onderzoek en technologische ontwikkeling maximaal te benutten;

49.   dringt erop aan zeer kleine ondernemingen als huishoudens te behandelen en hen toegang te verschaffen tot eenvoudige regelingen voor het financieren van verbetering van de energie-efficiëntie van gebouwen, zoals up-frontsubsidies;

50.   verzoekt de Commissie haar steun te geven aan regels voor overheidssubsidies die dienstiger zijn voor het uitvoeren van energie-efficiëntiemaatregelen (bijv. maatregelen gericht op eco-innovatie en productiviteitsverbetering); is van mening dat zulke regels simpel, praktisch en transparant moeten zijn, zodat ze geen belemmering vormen voor de effectieve uitvoering van energie-efficiëntiemaatregelen;

51.   vraagt de Commissie met de grootst mogelijke spoed voorstellen voor specifieke maatregelen te presenteren voor meer energie-efficiëntie in zeer afgelegen regio's, toegesneden op hun specifieke kenmerken die voortvloeien uit de permanente beperkingen waar deze regio's aan onderhevig zijn;

52.   benadrukt de rol van lokale en regionale energieagentschappen bij de effectieve uitvoering van energie-efficiëntiemaatregelen; roept ertoe op al deze agentschappen (Europese, nationale en lokale) bij het opstellen en uitvoeren van actieplannen voor energie-efficiëntie te betrekken;

Belastingen

53.   verzoekt de Raad de lidstaten aan te sporen voor arbeid, materialen en onderdelen die de energie-efficiëntie van gebouwen verbeteren een verlaagd BTW-tarief hanteren; verzoekt de Raad ervoor te zorgen dat het algemene belastingstelsel de doelstelling van verbetering van de energie-efficiëntie in gebouwen op coherente wijze weerspiegelt;

54.   spoort de lidstaten aan volledig gebruik te maken van de mogelijkheid van een verlaagd BTW-tarief op arbeid bij de renovatie en reparatie van privéhuizen gericht op verbetering van de energie-efficiëntie; is verheugd over het besluit van de Commissie om onderzoek te doen naar de doeltreffendheid van belastingkortingen voor zowel consumenten die de meest energie-efficiënte apparaten kopen, als ondernemingen die dergelijke apparaten produceren en bevorderen;

55.   wijst erop dat belastingen onder de verantwoordelijkheid van de lidstaten vallen; wijst er voorts op dat nationale belastingmaatregelen op dit gebied onderdeel van alle nationale actieplannen voor energie-efficiëntie kunnen uitmaken; pleit voor internalisering van de milieukosten;

56.   verzoekt alle lidstaten specifieke prikkels te ontwikkelen om huishoudens, zeer kleine ondernemingen en verhuurders aan te sporen energie-efficiëntiemaatregelen te nemen en energie-efficiënte producten te kopen;

57.   is van mening dat het in bepaalde omstandigheden mogelijk moet zijn de sloop van energieverslindende gebouwen via belastingprikkels te stimuleren, mits de sloop wordt gevolgd door de bouw van energiezuinige nieuwe gebouwen;

Wijziging van het gedrag

58.   wijst op de belangrijke rol van de overheidssector bij het bevorderen van energiezuinige oplossingen;

59.   deelt de opvatting dat programma's voor onderwijs en opleiding inzake energie-efficiëntie uitermate belangrijk zijn, in het bijzonder voor kleine en middelgrote ondernemingen; wijst erop dat het gebruiken van innovatieve technieken voor bouw- en energiebeheer alleen mogelijk is indien er voldoende gekwalificeerd personeel voorhanden is; betreurt het feit dat de lidstaten vooralsnog verzuimd hebben geëigende opleidingsprogramma's te ontwikkelen voor vaardigheden op het gebied van energie-efficiëntie; dringt erop aan eisen op het gebied van human resources als een essentieel onderdeel van de nationale actieplannen voor energie-efficiëntie te beschouwen;

60.   moedigt de regionale en plaatselijke autoriteiten aan nauw samen te werken met regionale energieagentschappen teneinde de opleidingsfaciliteiten voor energietechnici en beroepsbeoefenaars uit verwante sectoren te verbeteren; benadrukt het belang van beter gecoördineerde netwerken van plaatselijke actoren teneinde goede praktijkvormen op het vlak van energie-efficiëntie te verspreiden naar minder ontwikkelde regio's;

61.   onderstreept de rol die openbare aanbestedingen, alsmede diensten als energie-audits zouden kunnen spelen bij het terugdringen van verspilling en het bevorderen van een betere exploitatie van het energiepotentieel van elk gebouw; dringt er bij de lidstaten en hun regionale, plaatselijke en andere overheden op aan zelf als eerste het goede voorbeeld te geven, niet alleen in administratieve gebouwen, maar ook in andere openbare gebouwen zoals scholen, universiteiten en ziekenhuizen en in dienstenbedrijven op het gebied van water, energie, vervoer en post;

62.   verzoekt de Commissie meer onderzoek te doen naar gedragseconomische en besluitvormingsaspecten, zodat toekomstige voorlichtingscampagnes over energie-efficiëntie (zoals de campagne "Duurzame Energie Europa") beter kunnen worden afgestemd op specifieke doelgroepen en zodoende een optimaal resultaat kan worden behaald;

63.   onderschrijft de stelling dat energie-efficiëntie thuis begint; dringt er bij de Commissie, de Raad en haar eigen diensten op aan het voortouw te nemen door te eisen dat voor de gebouwen van alle EU-instellingen hoge energieprestatie-normen worden vastgesteld, als onderdeel van een breder opgezette audit van het energieverbruik van de instellingen, met aandacht voor regelingen voor werken en reizen, stimuli en locaties, én apparatuur en aankoop;

64.   verzoekt de Commissie en de lidstaten elk jaar een Europese Actiedag inzake energie-efficiëntie te organiseren;

65.   merkt op dat de hightechsector een cruciale rol kan spelen bij de bewustmaking van de consument en het vergroten van zijn bereidheid om bij te dragen aan energie-efficiëntie door producten aan te bieden die zowel energiezuinig zijn als aan hogere normen voldoen;

66.   is van mening dat energiedienstenovereenkomsten tussen energieleveranciers en afnemers een effectief middel zijn voor het verbeteren van het rendement van verwarmings- en koelsystemen; verzoekt de Commissie om wettelijke en bestuurlijke hindernissen voor het sluiten van dergelijke overeenkomsten weg te nemen;

Steden

67.   erkent het belang van het uitwisselen en bevorderen van beste praktijken op het gebied van energie-efficiëntie in steden; is van mening dat het bestaande forum Eurocities hier heel goed voor gebruikt zou kunnen worden;

68.   dringt bij de Commissie en de andere EU-instellingen aan op samenwerking met de grote steden in de EU en om in te stemmen met het beschikbaar stellen van budgettaire middelen voor jumelage en voor de uitwisseling van goede praktijken tussen de grotere steden;

69.   verwelkomt het initiatief tot oprichting van een convenant van burgemeesters, dat de burgemeesters van europa's 20 à 30 belangrijkste en meest baanbrekende steden in een permanent netwerk bijeenbrengt, en vraagt om meer details met betrekking tot de oprichting ervan; benadrukt echter dat het convenant van burgemeesters de activiteiten van soortgelijke, reeds bestaande netwerken dient aan te vullen;

De mondiale dimensie

70.   steunt het voorstel van de Commissie voor het oprichten van het platform voor internationale samenwerking inzake energie-efficiëntie; roept de lidstaten en de Commissie op tot meer internationale samenwerking op het gebied van energie-efficiëntie om te voorkomen dat nieuwe voorschriften en normen tot fragmentatie van de mondiale markten leiden; dringt er met klem op aan in deze internationale bilaterale en multilaterale overeenkomsten niet alleen bepalingen inzake minimumenergie-efficiëntienormen op te nemen, maar ook bepalingen inzake het uitwisselen van energie-efficiëntietechnologieën; beschouwt technologieverspreiding als een strategische 'must', met het oog waarop intellectuele-eigendomsrechten als van publiek belang moeten worden beschouwd;

71.   erkent dat op technisch niveau voort gewerkt wordt aan gemeenschappelijke energie-efficiëntienormen, met name met China; maakt zich zorgen over het feit dat dit werk wordt ondermijnd door een gebrekkige coördinatie tussen de lidstaten, hetgeen in derde landen tot verwarring leidt; dringt aan op een geïntegreerde benadering inzake normen;

72.   neemt nota van de algemene zorg dat Rusland niet aan zijn binnenlandse en in contracten vastgelegde vraag naar gas zal kunnen voldoen en spoort de Commissie in het belang van de energiebevoorradingszekerheid aan meer energie en middelen te investeren in de dialoog tussen de EU en Rusland over energie-efficiëntie en daarbij in het bijzonder aandacht te besteden aan het moderniseren van de lokale Russische verwarmingsnetwerken en het gebruiken van gas dat momenteel op olievelden wordt afgefakkeld;

73.   is verheugd over het initiatief van de Raad voor een energiepartnerschap tussen de EU en Afrika, en dringt er op aan dat het partnerschap prioritaire aandacht besteed aan energie-efficiëntie en duurzame groei in Afrika;

o
o   o

74.   verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de parlementen en regeringen van de lidstaten.

(1) PB L 297 van 13.10.1992, blz. 16. Richtlijn als gewijzigd door Verordening (EG) nr. 1882/2003 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 284 van 31.10.2003, blz. 1).
(2) PB L 1 van 4.1.2003, blz. 65.
(3) PB L 52 van 21.2.2004, blz. 50.
(4) PB L 191 van 22.7.2005, blz. 29.
(5) PB L 114 van 27.4.2006, blz. 64.
(6) PB L 381 van 28.12.2006, blz. 24.
(7) PB L 381 van 28.12.2006, blz. 26.
(8) PB L 310 van 9.11.2006, blz. 15.
(9) PB L 412 van 30.12.2006, blz. 1
(10) PB L 114 van 24.4.2001, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd door Verordening (EG) nr. 1791/2006 van de Raad (PB L 363 van 20.12.2006, blz. 1).
(11) PB C 298 E van 8.12.2006, blz. 273.
(12) PB C 317 E van 23.12.2006, blz. 876.
(13) PB L 12 van 18.1.2000, blz. 16.

Laatst bijgewerkt op: 2 maart 2009Juridische mededeling