Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2007/0163(COD)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A6-0131/2008

Ingediende teksten :

A6-0131/2008

Debatten :

PV 22/05/2008 - 6
CRE 22/05/2008 - 6

Stemmingen :

PV 22/05/2008 - 9.3
CRE 22/05/2008 - 9.3
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P6_TA(2008)0227

Door het Parlement aangenomen teksten
Donderdag 22 mei 2008 - Straatsburg Voorlopige uitgave
Oprichting van een Europese Stichting voor opleiding (herschikking) ***I
P6_TA-PROV(2008)0227A6-0131/2008
Resolutie
 Geconsolideerde tekst

Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 22 mei 2008 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot oprichting van een Europese Stichting voor opleiding (herschikking) (COM(2007)0443 – C6-0243/2007 – 2007/0163(COD))

(Medebeslissingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement ,

–   gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2007)0443),

–   gelet op artikel 251, lid 2 en artikel 150 van het EG­Verdrag, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C6-0243/2007),

–   gezien het Interinstitutioneel akkoord van 28 november 2001 over een systematischer gebruik van de herschikking van besluiten(1) ,

–   gezien de brief dd. 24 januari 2008 van de Commissie juridische zaken aan de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken overeenkomstig artikel 80 bis, lid 3, van zijn Reglement,

–   gelet op de artikelen 80 bis en 51 van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken (A6-0131/2008),

A.   overwegende dat het betreffende voorstel volgens de adviesgroep van de juridische diensten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie geen andere inhoudelijke wijzigingen bevat dan die welke als zodanig in het voorstel worden vermeld en dat met betrekking tot de ongewijzigd gebleven bepalingen van de bestaande teksten kan worden geconstateerd dat het voorstel een eenvoudige codificatie hiervan behelst, zonder inhoudelijke wijzigingen,

1.   gaat akkoord met het voorstel van de Commissie zoals dit is aangepast aan de aanbevelingen van de adviesgroep van de juridische diensten van het Parlement, de Raad en de Commissie, en zoals dit hieronder is geamendeerd;

2.   verzoekt om hernieuwde voorlegging indien de Commissie voornemens is ingrijpende wijzigingen in dit voorstel aan te brengen of dit door een nieuwe tekst te vervangen;

3.   verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1) PB C 77 van 28.3.2002, blz. 1.


Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 22 mei 2008 met het oog op vaststelling van Verordening (EG) nr. .../2008 van het Europees Parlement en de Raad houdende oprichting van een Europese Stichting voor opleiding (herschikking)
P6_TC1-COD(2007)0163

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 150 ,

Gezien het voorstel van de Commissie║,

Gezien het advies van het Europees  Economisch en Sociaal Comité(1) ,

Gezien het advies van het Comité van de Regio's(2)

Handelend volgens de procedure van artikel 251 van het Verdrag(3) ,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)  Verordening (EEG) nr. 1360/90 van 7 mei 1990 tot oprichting van de Europese Stichting voor opleiding is herhaaldelijk ingrijpend gewijzigd(4) . Aangezien nieuwe wijzigingen nodig zijn, dient ter wille van de duidelijkheid tot herschikking van deze verordening te worden overgegaan.

(2)  De Europese Raad van Straatsburg van 8 en 9 december 1989 heeft de Raad verzocht om begin 1990 op voorstel van de Commissie de voor de oprichting van een Europese Stichting voor opleiding voor Midden- en Oost-Europa nodige besluiten te nemen. Daartoe heeft de Raad op 7 mei 1990 Verordening (EEG) nr. 1360/90 tot oprichting van deze Stichting vastgesteld.

(3)  Overeenkomstig het in onderlinge overeenstemming genomen besluit van de vertegenwoordigers van de regeringen van de lidstaten, op het niveau van de staatshoofden en regeringsleiders op 29 oktober 1993(5) in Brussel bijeen, heeft de Stichting haar zetel in Turijn (Italië).

(4)  De Raad heeft op 18 december 1989 Verordening (EEG) nr. 3906/89(6) betreffende economische hulp ten gunste van de Republiek Hongarije en de Volksrepubliek Polen vastgesteld, waarin werd voorzien in hulp op bepaalde gebieden waaronder opleiding om het proces van economische en sociale hervormingen in Hongarije en Polen te steunen.

(5)  De Raad heeft deze hulp vervolgens bij besluiten  ter zake uitgebreid  tot andere landen van Midden- en Oost-Europa.

(6)  Op 27 juli 1994 heeft de Raad Verordening (EG) nr. 2063/94(7) tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 1360/90 vastgesteld teneinde de landen die steun krijgen uit hoofde van Verordening (Euratom, EG) nr. 2053/93 (Tacis-programma) bij de activiteiten van de Europese Stichting voor opleiding te betrekken.

(7)  Op 17 juli 1998 heeft de Raad Verordening (EG) nr. 1572/98(8) tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 1360/90 vastgesteld teneinde de mediterrane niet-lidstaten en gebieden die uit hoofde van Verordening (EG) nr. 1488/96 financiële en technische steun krijgen ter ondersteuning van de hervorming van hun economische en maatschappelijke structuren, bij de activiteiten van de Europese Stichting voor opleiding te betrekken.

(8)  Op 5 december 2000 heeft de Raad Verordening (EG) nr. 2666/2000(9) betreffende de steun aan Albanië, Bosnië-Herzegovina, Kroatië, de Federale Republiek Joegoslavië en de Voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië, en tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 1360/90 vastgesteld teneinde de onder de verordening vallende Westelijke-Balkanlanden bij de activiteiten van de Europese Stichting voor opleiding te betrekken.

(9)  De programma's voor externe bijstand aan de landen die bij de activiteiten van de Europese Stichting voor opleiding betrokken zijn, moeten worden vervangen door nieuwe beleidsinstrumenten voor externe betrekkingen, hoofdzakelijk de twee instrumenten die zijn ingesteld bij respectievelijk Verordening (EG) nr. 1085/2006 van de Raad van 17 juli 2006 tot invoering van een instrument voor pretoetredingssteun(10) en Verordening (EG) nr. 1638/2006 van het Europees Parlement en de Raad houdende algemene bepalingen tot invoering van een Europees nabuurschaps- en partnerschapsinstrument(11) .

(10)  Door in het kader van haar externe beleid steun te verlenen voor de ontwikkeling van menselijk kapitaal , draagt de EU bij tot de economische ontwikkeling in deze landen door in de nodige vaardigheden voor meer productiviteit en werkgelegenheid te helpen voorzien, en bevordert zij de sociale samenhang door actief burgerschap aan te moedigen.

(11)  In het kader van de inspanningen van deze landen om hun economische en maatschappelijke structuren te hervormen, is de ontwikkeling van menselijk kapitaal van wezenlijk belang om langdurige stabiliteit en welvaart en in het bijzonder een sociaaleconomisch evenwicht tot stand te brengen.

(12)  De Europese Stichting voor opleiding kan in de context van het externe beleid van de EU  een belangrijke bijdrage leveren tot een betere ontwikkeling van menselijk kapitaal , en met name onderwijs en opleiding met het oog op een leven lang leren.

(13)  Om haar bijdrage te kunnen leveren, zal de Europese Stichting voor opleiding een beroep moeten doen op de binnen de Europese Unie opgedane ervaring met onderwijs en opleiding met het oog op een leven lang leren en op de EU-instellingen die zich daarmee bezighouden.

(14)  In de Gemeenschap en in derde landen, waaronder de landen die bij de activiteiten van de Europese Stichting voor opleiding betrokken zijn, bestaan regionale en/of nationale, openbare en/of particuliere voorzieningen waarop een beroep kan worden gedaan om behulpzaam te zijn bij de daadwerkelijke verlening van hulp op het gebied van de ontwikkeling van menselijk kapitaal , en met name onderwijs en opleiding met het oog op een leven lang leren.

(15)  Het statuut en de structuur van de Europese Stichting voor opleiding moeten deze in staat stellen om op de specifieke, uiteenlopende behoeften van de afzonderlijke landen die moeten worden geholpen, op soepele wijze in te spelen, en om in nauwe aansluiting op de bestaande nationale en internationale organen haar taken te vervullen.

(16)  De Europese Stichting voor opleiding moet rechtspersoonlijkheid verkrijgen en moet tegelijkertijd nauwe organieke betrekkingen met de Commissie onderhouden en de algemene politieke en operationele verantwoordelijkheden van de Gemeenschap en haar instellingen eerbiedigen.

(17)  De Europese Stichting voor opleiding moet nauwe banden hebben met het Europees Centrum voor de ontwikkeling van de beroepsopleiding (Cedefop), alsook met het Trans-Europees Mobiliteitsprogramma voor universiteitsstudies (Tempus) en de andere programma's die door de Raad in het leven zijn geroepen om hulp op opleidingsgebied te verschaffen aan de landen die bij de activiteiten van de Stichting betrokken zijn.

(18)  De Europese Stichting voor opleiding moet openstaan voor de deelneming van landen die geen lid van de Gemeenschap zijn en die zich evenals de Gemeenschap en de lidstaten ertoe verbinden hulp op het gebied van de ontwikkeling van menselijk kapitaal , en met name onderwijs en opleiding met het oog op een leven lang leren, te verlenen aan de landen die bij de activiteiten van de Europese Stichting voor opleiding betrokken zijn, overeenkomstig regelingen die moeten worden vastgelegd in overeenkomsten tussen de Gemeenschap en de eerstgenoemde landen.

(19)  Om effectief toezicht op de activiteiten van de Stichting te kunnen uitoefenen, moeten het Europees Parlement, de Commissie en alle lidstaten in een raad van bestuur vertegenwoordigd zijn █.

(20)  Om de volledige autonomie en onafhankelijkheid van de Stichting te waarborgen, moet de Stichting een eigen begroting worden toegekend die in de eerste plaats uit een bijdrage van de Gemeenschap wordt gefinancierd. Op de communautaire bijdrage en andere subsidies die ten laste komen van de algemene begroting van de Gemeenschap moet de communautaire begrotingsprocedure van toepassing zijn. De Rekenkamer moet de rekeningen controleren.

(21)  De Stichting is een door de Gemeenschappen opgericht orgaan in de zin van artikel 185, lid 1, van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad van 25 juni 2002 houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen(12) (hierna "het Financieel Reglement" genoemd) en moet haar financiële regeling dienovereenkomstig vaststellen.

(22)  Verordening (EG, Euratom) nr. 2343/2002 van de Commissie van 19 november 2002 houdende de financiële kaderregeling van de organen, bedoeld in artikel 185 van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen(13) moet op de Stichting van toepassing zijn.

(23)  Ter bestrijding van fraude, corruptie en andere onwettige handelingen moet Verordening (EG) nr. 1073/1999 van het Europees Parlement en de Raad van 25 mei 1999 betreffende onderzoeken door het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF)(14) onverkort op de Stichting van toepassing zijn.

(24)  Verordening (EG) nr. 1049/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2001 inzake de toegang van het publiek tot documenten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie(15) moet op de Stichting van toepassing zijn.

(25)  Verordening (EG) nr. 45/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2000 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door de communautaire instellingen en organen en betreffende het vrije verkeer van die gegevens(16) moet op de verwerking van persoonsgegevens door de Stichting van toepassing zijn.

(26)  Aangezien de doelstellingen van het overwogen optreden, namelijk […] hulp aan derde landen op het gebied van de ontwikkeling van menselijk kapitaal , niet voldoende door de lidstaten kunnen worden verwezenlijkt en derhalve beter door de Gemeenschap kunnen worden verwezenlijkt, kan de Gemeenschap, overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze verordening niet verder dan wat nodig is om die doelstellingen te verwezenlijken.

(27)  Deze verordening eerbiedigt de grondrechten die zijn erkend in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie(17) , met name █ artikel 43 daarvan ,

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Onderwerp en toepassingsgebied

Er wordt een Europese Stichting voor opleiding opgericht, hierna "Stichting" genoemd, die tot doel heeft in het kader van het externe beleid van de EU bij te dragen tot een betere ontwikkeling van menselijk kapitaal in de volgende landen:

   a) de landen die in aanmerking komen voor steun krachtens Verordening (EG) nr. 1085/2006 tot invoering van een instrument voor pretoetredingssteun (IPA) en latere, daarmee gerelateerde wetsbesluiten;
   b) de landen die in aanmerking komen voor steun krachtens Verordening (EG) nr. 1638/2006 houdende algemene bepalingen tot invoering van een Europees nabuurschaps- en partnerschapsinstrument en latere, daarmee gerelateerde wetsbesluiten;
   c) andere, █ bij besluit van de raad van bestuur █ aangewezen landen, op grond van een voorstel, gesteund door tweederde van zijn leden en advies van de Commissie en in toepassing van een Gemeenschapsinstrument of een internationale overeenkomst met een onderdeel voor de ontwikkeling van menselijk kapitaal en binnen de grenzen van de beschikbare middelen.

De onder a), b) en c) genoemde landen worden hierna de "partnerlanden" genoemd.

Voor de toepassing van deze verordening wordt de ontwikkeling van menselijk kapitaal omschreven als "werkzaamheden die bijdragen tot de levenslange ontwikkeling van de vaardigheden en bekwaamheden van eenieder door middel van betere stelsels voor beroepsonderwijs en beroepsopleiding"

Ter verwezenlijking van deze doelstelling kan de Stichting partnerlanden hulp verlenen op het gebied van:

   het vlotter laten verlopen van de aanpassing aan veranderingen in het bedrijfsleven, met name door beroepsopleiding en omscholing;
   het verbeteren van de initiële beroepsopleiding en van bij- en nascholing met het oog op een vlottere integratie en reïntegratie in de arbeidsmarkt;
   het vergemakkelijken van de toegang tot beroepsopleidingen en het bevorderen van de mobiliteit van opleiders en leerlingen, met name jongeren;
   het bevorderen van de samenwerking inzake opleiding tussen onderwijsinstellingen en ondernemingen;
   het bevorderen van de uitwisseling van informatie en ervaring omtrent gemeenschappelijke vraagstukken waarmee de opleidingsstelsels van de lidstaten worden geconfronteerd;
   het vergroten van het aanpassingsvermogen van werknemers, met name door een verhoogde deelname aan onderwijs en opleiding met het oog op een leven lang leren;
   het ontwerpen, invoeren en uitvoeren van hervormingen in de onderwijs- en opleidingsstelsels, teneinde de inzetbaarheid en arbeidsmarktrelevantie te verhogen.

Artikel 2

Taken

Met het oog op de in artikel 1 genoemde doelstellingen vervult de Stichting, met inachtneming van de aan de raad van bestuur toegekende bevoegdheden en overeenkomstig de op communautair niveau vastgestelde algemene richtsnoeren, de volgende taken:

   a) zij verstrekt informatie, beleidsanalyses en -advies over de ontwikkeling van menselijk kapitaal in relatie met de sectorale beleidsdoelstellingen in de partnerlanden;
   b) zij bevordert kennis en de analyse van de behoefte aan vaardigheden in nationale en lokale arbeidsmarkten;
   c) zij ondersteunt de stakeholders in de partnerlanden bij het opbouwen van capaciteit op het gebied van de ontwikkeling van human resources;
   d) zij vergemakkelijkt de uitwisseling van informatie en ervaringen tussen donors die in de partnerlanden betrokken zijn bij de hervorming van de ontwikkeling van menselijk kapitaal ;
   e) zij ondersteunt de verlening van communautaire bijstand aan de partnerlanden op het gebied van de ontwikkeling van menselijk kapitaal ;
   f) zij verspreidt informatie en stimuleert de vorming van netwerken en de uitwisseling van ervaringen en good practices tussen de Europese Unie en de partnerlanden en tussen de partnerlanden onderling op het gebied van de ontwikkeling van menselijk kapitaal ;
   g) zij draagt op verzoek van de Commissie bij tot de analyse van de algemene doeltreffendheid van de bijstand aan de partnerlanden op het gebied van opleiding.
   h) zij voert in het algemene kader van deze verordening  andere taken uit waarover tussen de raad van bestuur en de Commissie overeenstemming is bereikt.

Artikel 3

Algemene bepalingen

1.  De Stichting bezit rechtspersoonlijkheid. Zij beschikt in elk van de lidstaten over de ruimste handelingsbevoegdheid die door de nationale wetgeving aan rechtspersonen wordt toegekend; zij kan met name roerende en onroerende goederen verkrijgen of vervreemden en in rechte optreden. De Stichting is een lichaam zonder winstoogmerk.

2.  De Stichting heeft haar zetel in Turijn (Italië).

3.  De Stichting werkt samen met de andere relevante lichamen van de Gemeenschap, met steun van de Commissie. De Stichting werkt met name samen met het Europees Centrum voor de ontwikkeling van de beroepsopleiding (Cedefop) in het kader van een gezamenlijk jaarlijks werkprogramma dat bij het jaarlijkse werkprogramma van beide agentschappen wordt gevoegd om synergie en complementariteit tussen hun activiteiten te bevorderen.

4.  Vertegenwoordigers van de sociale partners op Europees niveau, reeds betrokken bij de werkzaamheden van communautaire instellingen, alsmede internationale organisaties die actief zijn op het gebied van opleiding, kunnen, waar passend, worden uitgenodigd om deel te nemen aan de werkzaamheden van de Stichting.

5.  █De Stichting staat onder administratief toezicht van de Europese Ombudsman, overeenkomstig de bepalingen van artikel 195 van het EG-Verdrag.

6.  De Stichting kan samenwerkingsovereenkomsten sluiten met andere organen in de EU en in internationaal verband die actief zijn op het gebied van de ontwikkeling van menselijk kapitaal . Dergelijke overeenkomsten worden door de raad van bestuur goedgekeurd op basis van een ontwerp dat de directeur na advies van de Commissie voorlegt. De in deze overeenkomsten vervatte afspraken moeten in overeenstemming zijn met de communautaire wetgeving.

Artikel 4

Transparantie

1.  De Stichting gaat met een hoge mate van transparantie te werk en voldoet aan de bepalingen van de leden 2 tot en met 4.

2.  De Stichting maakt binnen zes maanden na de instelling van haar raad van bestuur het volgende openbaar:
   a) haar reglement van orde, alsook dat van de raad van bestuur;
   b) haar jaarlijks activiteitenverslag.

3.  Zo nodig kan de raad van bestuur █ vertegenwoordigers van belanghebbende partijen uitnodigen de vergaderingen van de organen van de Stichting als waarnemers bij te wonen.

4.  Verordening (EG) nr. 1049/2001 is van toepassing op de documenten die bij de Stichting berusten.

De raad van bestuur stelt de praktische regelingen voor de toepassing van die verordening vast.

Artikel 5

Vertrouwelijkheid

1.  Onverminderd artikel 4, lid 4, maakt de Stichting vertrouwelijke informatie die zij ontvangt met een met redenen omkleed verzoek om die informatie als vertrouwelijk te behandelen, niet aan derden bekend.

2.  De leden van de raad van bestuur en de directeur zijn gebonden door de geheimhoudingsplicht als bedoeld in artikel 287 van het EG-Verdrag.

3.  Op gegevens die de Stichting overeenkomstig het basisbesluit verzamelt, is Verordening (EG) nr. 45/2001 van toepassing.

Artikel 6

Beroepsmogelijkheden

Tegen de beslissingen van de Stichting uit hoofde van artikel 8 van Verordening (EG) nr. 1049/2001 kan beroep worden ingesteld door middel van een klacht bij de Ombudsman of door middel van een beroep bij het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, onder de voorwaarden van respectievelijk artikel 195 en artikel 230 van het Verdrag.

Artikel 7

Raad van bestuur

1.  De Stichting heeft een raad van bestuur die bestaat uit vertegenwoordigers van de lidstaten volgens de rouleringsbepalingen van het Verdrag van Lissabon betreffende de benoeming van Commissieleden, drie vertegenwoordigers van de Commissie en drie door het Europees Parlement aangewezen deskundigen . Bovendien mogen drie vertegenwoordigers van de partnerlanden de vergaderingen van de raad van bestuur als waarnemers bijwonen.

De vertegenwoordigers kunnen zich laten vervangen door gelijktijdig aangewezen plaatsvervangers.

2.  De lidstaten en de Commissie wijzen beide hun eigen vertegenwoordigers en plaatsvervangers in de raad van bestuur aan.

De vertegenwoordigers van de partnerlanden worden aangewezen door de Commissie op grond van een lijst met kandidaten die door die landen worden voorgedragen en van hun ervaring en deskundigheid op de werkgebieden van de Stichting .

De lidstaten, het Europees Parlement en de Commissie █streven naar een evenwichtige vertegenwoordiging van mannen en vrouwen in de raad van bestuur.

3.  De ambtstermijn van de leden van de raad van bestuur bedraagt vijf jaar. Deze kan eenmaal worden verlengd.

4.  De raad van bestuur wordt voorgezeten door een van de vertegenwoordigers van de Commissie. De ambtstermijn van de voorzitter loopt af wanneer zijn lidmaatschap van de raad van bestuur eindigt.

5.  De raad van bestuur stelt zijn reglement van orde vast.

Artikel 8

Stemregels en taken van de voorzitter

1.  De leden van de raad van bestuur die de lidstaten █vertegenwoordigen, hebben elk een stem. De vertegenwoordigers van de Commissie beschikken samen over één stem.

Behoudens het in de leden 2 en 3   bedoelde geval worden besluiten van de raad van bestuur genomen met een meerderheid van twee derde van de stemgerechtigde leden van deze raad.

2.  De raad van bestuur stelt met eenparigheid van stemmen van zijn stemgerechtigde leden de taalregeling van de Stichting vast, waarbij er rekening mee wordt gehouden dat alle belanghebbende partijen toegang moeten hebben tot en deel moeten kunnen nemen aan de werkzaamheden van de Stichting.

3.  De voorzitter roept de raad van bestuur ten minste eenmaal per jaar bijeen. Verdere vergaderingen kunnen worden bijeengeroepen op verzoek van █een gewone   meerderheid █van de leden van deze raad.

De voorzitter licht de raad van bestuur in over andere communautaire activiteiten die met het werk van de raad van bestuur verband houden alsmede over de verwachtingen van de Commissie met betrekking tot de activiteiten van de Stichting in het komende jaar.

Artikel 9

Bevoegdheden van de raad van bestuur

De raad van bestuur heeft de volgende taken en bevoegdheden:

   a) hij wijst de directeur van de Stichting aan en ontslaat hem zo nodig overeenkomstig artikel 10, lid 5;
   b) hij houdt disciplinair toezicht over de directeur van de Stichting;
   c) hij stelt het jaarlijkse werkprogramma van de Stichting vast op basis van een ontwerp dat de directeur na advies van de Commissie voorlegt overeenkomstig artikel 12;
   d) hij stelt een jaarlijkse raming van de ontvangsten en uitgaven van de Stichting op en zendt deze toe aan de Commissie;
   e) hij stelt na afloop van de jaarlijkse begrotingsprocedure de definitieve begroting en de personeelsformatie van de Stichting vast overeenkomstig artikel 16;
   f) hij stelt het jaarlijkse activiteitenverslag van de Stichting vast overeenkomstig de procedure van artikel 13 en zendt het toe aan de instellingen en de lidstaten;
   g) hij stelt het reglement van orde van de Stichting vast op basis van een ontwerp dat de directeur na advies van de Commissie voorlegt;
   h) hij stelt de financiële regeling die van toepassing is op de Stichting vast op basis van een ontwerp dat de directeur na advies van de Commissie voorlegt overeenkomstig artikel 19;
   i) hij stelt de procedures voor de toepassing van Verordening (EG) nr. 1049/2001 vast overeenkomstig artikel 4 van deze verordening.

Artikel 10

De directeur

1.  De directeur van de Stichting wordt op basis van een door de Commissie voorgestelde lijst van ten minste drie kandidaten door de raad van bestuur benoemd voor een ambtstermijn van vijf jaar. Alvorens de door de raad van bestuur geselecteerde kandidaat wordt benoemd, wordt hem gevraagd een verklaring voor het (de) bevoegde comité(s) van het Europees Parlement af te leggen en vragen van de comitéleden te beantwoorden.

In de loop van de negen maanden vóór het verstrijken van de ambtstermijn verricht de Commissie een evaluatie, op basis van een voorafgaande evaluatie door externe deskundigen, waarbij met name wordt beoordeeld :

   de prestaties van de directeur;
   de taken en verplichtingen van de Stichting in de komende jaren.

Op voorstel van de Commissie, rekening houdend met het evaluatieverslag en alleen indien de taken en verplichtingen van de Stichting het rechtvaardigen, kan de raad van bestuur de ambtstermijn van de directeur eenmaal met maximaal drie jaar verlengen.

De raad van bestuur stelt het Europees Parlement in kennis van zijn voornemen om de ambtstermijn van de directeur te verlengen. In de loop van de maand die voorafgaat aan de verlenging van zijn ambtstermijn kan de directeur worden gevraagd een verklaring voor het (de) bevoegde comité(s) van het Europees Parlement af te leggen en vragen van de comitéleden te beantwoorden.

Indien de ambtstermijn van de directeur niet wordt verlengd, blijft hij zijn ambt uitoefenen totdat zijn vervanger is aangewezen.

2.  De directeur wordt benoemd op grond van persoonlijke verdienste, bestuurs- en managementcapaciteiten en ervaring op het werkgebied van de Stichting.

3.  De directeur vertegenwoordigt de Stichting in rechte.

4.  De directeur heeft de volgende taken en bevoegdheden:
   a) op basis van de door de Commissie vastgestelde algemene richtsnoeren stelt hij het jaarlijkse werkprogramma en de ontwerpraming van de ontvangsten en de uitgaven van de Stichting, het reglement van orde van de Stichting en de raad van bestuur en de financiële regeling van de Stichting op en bereidt hij de werkzaamheden van de raad van bestuur en de door de raad van bestuur bijeengeroepen ad-hocwerkgroepen voor;
   b) hij neemt zonder stemrecht deel aan de vergaderingen van de raad van bestuur;
   c) hij voert de besluiten van de raad van bestuur uit;
   d) hij voert het jaarlijkse werkprogramma van de Stichting uit en geeft gehoor aan verzoeken van de Commissie om bijstand;
   e) hij vervult de functie van ordonnateur overeenkomstig de artikelen 33 tot en met 42 van Verordening (EG, Euratom) nr. 2343/2002 ║;
   f) hij voert de begroting van de Stichting uit;
   g) hij voert een effectief toezichtsysteem in met het oog op de regelmatige evaluaties als genoemd in artikel 24 en stelt op basis daarvan een ontwerpjaarverslag over de activiteiten van de Stichting op;
   h) hij presenteert het verslag aan het Europees Parlement;
   i) hij beheert alle personeelszaken en oefent met name de in artikel 21 vastgestelde bevoegdheden uit;
   j) hij stelt het organisatieschema van Stichting op en legt dit ter goedkeuring voor aan de raad van bestuur;
   k) hij vertegenwoordigt de Stichting tegenover het Europees Parlement en de Raad overeenkomstig artikel 18.

5.  De directeur legt voor zijn werkzaamheden  verantwoording af aan de raad van bestuur , die hem op voorstel van de Commissie vóór het verstrijken van zijn ambtstermijn uit zijn ambt kan ontzetten.

Artikel 11

Algemeen belang en onafhankelijkheid

De leden van de raad van bestuur en de directeur handelen in het algemeen belang en onafhankelijk van elke invloed van buitenaf. Daartoe leggen zij jaarlijks schriftelijk een verbintenisverklaring en een belangenverklaring af.

Artikel 12

Jaarlijks werkprogramma

1.  Het jaarlijkse werkprogramma stemt overeen met het onderwerp, het toepassingsgebied en de taken van de Stichting zoals omschreven in de artikelen 1 en 2 van deze verordening.

2.  Het wordt in samenwerking met de diensten van de Commissie opgesteld in het kader van een meerjarenwerkprogramma  van vier jaar, waarbij rekening wordt gehouden met de prioriteiten van het externe beleid voor de betreffende landen en gebieden en op basis van de verworven ervaring in onderwijs en opleiding binnen de Gemeenschap .

3.  Bij de in het jaarlijkse werkprogramma genoemde projecten en werkzaamheden worden een raming van de noodzakelijke uitgaven en een verdeling van de personele en budgettaire middelen gevoegd.

4.  Na advies van de Commissie legt de directeur het ontwerpwerkprogramma voor aan de raad van bestuur.

5.  De raad van bestuur keurt het ontwerp van jaarlijks werkprogramma voor het volgende jaar uiterlijk op 30 november goed. Het werkprogramma wordt aan het begin van elk jaar definitief goedgekeurd.

6.  Om het communautaire beleid doeltreffender te maken, kan het programma in de loop van het jaar zo nodig volgens dezelfde procedure worden aangepast.

Artikel 13

Jaarlijks activiteitenverslag

1.  De directeur brengt in de vorm van een jaarlijks activiteitenverslag aan de raad van bestuur verslag uit over de uitvoering van zijn taken.

2.  Dit verslag bevat financiële en managementinformatie over de resultaten van de activiteiten, met verwijzing naar het jaarlijks werkprogramma en met vermelding van de doelstellingen, de aan deze activiteiten verbonden risico's, het gebruik van de toegewezen middelen en de wijze van functioneren van het internecontrolesysteem.

3.  De raad van bestuur stelt een analyse en een beoordeling van het jaarlijkse activiteitenverslag over het vorige begrotingsjaar op.

4.  De raad van bestuur keurt het jaarlijkse activiteitenverslag van de directeur goed en zendt het uiterlijk op 15 juni toe aan de bevoegde organen van het Europees Parlement, de Raad, de Commissie, het Europees Economisch en Sociaal Comité en de Rekenkamer. Het verslag wordt ook toegezonden aan de lidstaten en, ter informatie, aan de partnerlanden.

5.  De directeur van de Stichting legt het jaarverslag van de Stichting voor aan de relevante commissies van het Europees Parlement en de voorbereidende organen van de Raad.

Artikel 14

Verband met andere acties van de Gemeenschap

De Commissie draagt in samenwerking met de raad van bestuur zorg voor coherentie en complementariteit tussen de werkzaamheden van de Stichting en andere communautaire acties, zowel binnen de Gemeenschap als ten behoeve van de partnerlanden  .

Artikel 15

Begroting

1.  Alle ontvangsten en uitgaven van de Stichting worden voor ieder begrotingsjaar geraamd en worden opgenomen in de begroting van de Stichting, die een lijst van het aantal ambten bevat; het begrotingsjaar stemt overeen met het kalenderjaar.

2.  Op de begroting van de Stichting moeten ontvangsten en uitgaven in evenwicht zijn.

3.  De begrotingsontvangsten van de Stichting omvatten, onverminderd andere ontvangsten, een subsidie uit de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen, betalingen voor verrichte diensten, alsmede middelen uit andere bronnen.

4.  De begroting omvat tevens bijzonderheden over alle eigen bijdragen van de partnerlanden  zelf voor projecten die financiële bijstand van de Stichting ontvangen.

Artikel 16

Begrotingsprocedure

1.  De raad van bestuur stelt jaarlijks, op basis van een ontwerp van de directeur, de raming van de ontvangsten en uitgaven van de Stichting voor het volgende begrotingsjaar vast. Deze raming, die tevens een ontwerppersoneelsformatie bevat, wordt uiterlijk op 31 maart door de raad van bestuur bij de Commissie ingediend.

2.  De Commissie onderzoekt de raming rekening houdend met de voorgestelde grenzen van het beschikbare totaalbedrag voor externe acties en neemt de bedragen die zij nodig acht voor de personeelsformatie en het subsidiebedrag ten laste van de algemene begroting van de Europese Unie (hierna "de algemene begroting" genoemd) op in het voorontwerp van algemene begroting van de Europese Unie.

3.  De raming wordt samen met het voorontwerp van algemene begroting van de Europese Unie door de Commissie ingediend bij het Europees Parlement en de Raad (hierna "de begrotingsautoriteit" genoemd).

4.  De begrotingsautoriteit keurt de kredieten voor de subsidie aan de Stichting goed.

De begrotingsautoriteit stelt de personeelsformatie van de Stichting vast.

5.  De begroting en de personeelsformatie worden  vastgesteld door de raad van bestuur. Zij worden definitief na de definitieve vaststelling van de algemene begroting. De begroting en de personeelsformatie worden  zo nodig dienovereenkomstig aangepast.

6.  De raad van bestuur stelt de begrotingsautoriteit zo spoedig mogelijk in kennis van projecten die hij voornemens is te realiseren en die aanzienlijke financiële gevolgen voor de financiering van zijn begroting kunnen hebben, met name onroerendgoedprojecten zoals de huur of aankoop van gebouwen. Hij brengt de Commissie daarvan op de hoogte.

Wanneer een tak van de begrotingsautoriteit kennis heeft gegeven van zijn voornemen om een advies te verstrekken, doet hij dit advies aan de raad van bestuur toekomen binnen een termijn van zes weken vanaf de kennisgeving van het project.

Artikel 17

Begroting – tenuitvoerlegging en controle

1.  Uiterlijk op 1 maart van het jaar dat volgt op het afgesloten begrotingsjaar dient de rekenplichtige van de Stichting de voorlopige rekeningen met het verslag over het budgettair en financieel beheer van dat begrotingsjaar in bij de rekenplichtige van de Commissie. De rekenplichtige van de Commissie consolideert de voorlopige rekeningen van de instellingen en de gedecentraliseerde organen overeenkomstig artikel 128 van het Financieel Reglement.

2.  Uiterlijk op 31 maart van het jaar dat volgt op het afgesloten begrotingsjaar dient de rekenplichtige van de Commissie de voorlopige rekeningen van de Stichting met het verslag over het budgettair en financieel beheer van dat begrotingsjaar in bij de Rekenkamer. Het verslag over het budgettair en financieel beheer van het begrotingsjaar wordt ook toegezonden aan het Europees Parlement en de Raad.

3.  De directeur voert de begroting van de Stichting uit.

4.  Na ontvangst van de opmerkingen van de Rekenkamer over de voorlopige rekeningen van de Stichting overeenkomstig artikel 129 van het Financieel Reglement maakt de directeur onder zijn eigen verantwoordelijkheid de definitieve rekeningen van de Stichting op en legt deze voor advies voor aan de raad van bestuur.

5.  De raad van bestuur brengt advies uit over de definitieve rekeningen van de Stichting.

6.  Uiterlijk op 1 juli van het jaar dat volgt op het afgesloten begrotingsjaar dient de directeur de definitieve rekeningen met het advies van de raad van bestuur in bij het Europees Parlement, de Raad, de Commissie en de Rekenkamer.

7.  De definitieve rekeningen worden gepubliceerd.

8.  De directeur dient uiterlijk op 30 september een antwoord op de opmerkingen van de Rekenkamer in bij deze instelling. Hij dient dat  antwoord ook in bij de raad van bestuur.

9.  De directeur verstrekt het Europees Parlement op verzoek, overeenkomstig artikel 146, lid 3, van het Financieel Reglement, alle inlichtingen die nodig zijn voor het goede verloop van de kwijtingsprocedure voor het betrokken begrotingsjaar.

10.  Vóór 30 april van het jaar n + 2 verleent het Europees Parlement op aanbeveling van de Raad, die met gekwalificeerde meerderheid van stemmen besluit, de directeur kwijting voor de uitvoering van de begroting van het begrotingsjaar n.

11.  De directeur neemt alle nodige maatregelen om gevolg te geven aan de opmerkingen bij het besluit tot kwijting.

Artikel 18

Europees Parlement en Raad

Onverminderd bovengenoemde controles, en met name de begrotings- en kwijtingsprocedure, kunnen het Europees Parlement of de Raad op ieder ogenblik █verzoeken om een onderhoud met de directeur over onderwerpen in verband met de activiteiten van de Stichting.

Artikel 19

Financiële regeling

1.  De financiële regeling die van toepassing is op de Stichting wordt vastgesteld door de raad van bestuur, na raadpleging van de Commissie. Deze financiële regeling mag slechts van Verordening (EG, Euratom) nr. 2343/2002 ║ afwijken indien de specifieke vereisten van de taakverrichting van de Stichting dit noodzakelijk maken, en met voorafgaande instemming van de Commissie.

2.  Overeenkomstig artikel 133, lid 1, van het Financieel Reglement past de Stichting de boekhoudregels toe die de rekenplichtige van de Commissie heeft vastgesteld, zodat de rekeningen van de Stichting kunnen worden geconsolideerd met die van de Commissie.

3.  Verordening (EG) nr. 1073/1999 is volledig van toepassing op de Stichting.

4.  De Stichting eerbiedigt het Interinstitutioneel Akkoord van 25 mei 1999 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de interne onderzoeken verricht door het Europees Bureau voor fraudebestrijding OLAF (18) . De raad van bestuur █neemt de nodige maatregelen om OLAF bij deze interne onderzoeken te helpen.

Artikel 20

Voorrechten en immuniteiten

Het Protocol betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Gemeenschappen is op de Stichting van toepassing.

Artikel 21

Personeel

Het personeel van de Stichting is onderworpen aan de verordeningen en regelingen die van toepassing zijn op de ambtenaren en andere personeelsleden van de Europese Gemeenschappen.

De Stichting oefent ten aanzien van haar personeel de bevoegdheden uit van het tot aanstelling bevoegde gezag.

De raad van bestuur stelt in overleg met de Commissie de nodige uitvoeringsbepalingen vast overeenkomstig artikel 110 van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen en artikel 127 van de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Europese Gemeenschappen.

De raad van bestuur kan bepalingen goedkeuren waardoor nationale deskundigen uit de lidstaten of de partnerlanden bij de Stichting kunnen worden gedetacheerd.

Artikel 22

Aansprakelijkheid

1.  De contractuele aansprakelijkheid van de Stichting wordt beheerst door de wet die op het betrokken contract van toepassing is.

2.  Inzake niet-contractuele aansprakelijkheid moet de Stichting, overeenkomstig de algemene beginselen die de rechtsstelsels van de lidstaten gemeen hebben, de schade vergoeden die door de Stichting of haar personeelsleden in de uitoefening van hun functie is veroorzaakt.

Het Hof van Justitie is bevoegd kennis te nemen van geschillen over vergoeding van deze schade.

3.  De persoonlijke aansprakelijkheid van de personeelsleden jegens de Stichting wordt geregeld door de desbetreffende bepalingen betreffende het personeel van de Stichting.

Artikel 23

Deelneming van derde landen

1.  De Stichting staat open voor de deelneming van landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap en die zich evenals de Gemeenschap en de lidstaten ertoe verbinden de in artikel 1 omschreven partnerlanden  steun op het gebied van menselijk kapitaal te verlenen overeenkomstig de regelingen die volgens de procedure van artikel 300 van het Verdrag worden getroffen in overeenkomsten tussen de Gemeenschap en de eerstgenoemde landen.

In deze overeenkomsten worden met name de aard en omvang van en de uitvoeringsbepalingen betreffende de deelneming van deze landen aan de werkzaamheden van de Stichting, alsmede bepalingen inzake financiële bijdragen en personeel vastgesteld. Deze overeenkomsten mogen echter niet bepalen dat derde landen met stemrecht in de raad van bestuur vertegenwoordigd worden, en mogen evenmin bepalingen bevatten die in strijd zijn met het in artikel 21 genoemde Statuut.

2.  Tot deelneming van deze landen aan ad-hocwerkgroepen kan door de raad van bestuur worden besloten zonder dat hiervoor een overeenkomst nodig is.

Artikel 24

Evaluatieprocedure

1.  Overeenkomstig artikel 25, lid 4, van de financiële kaderregeling verricht de Stichting regelmatig evaluaties vooraf en achteraf van zijn acties die aanzienlijke uitgaven met zich brengen. De resultaten van die evaluaties worden medegedeeld aan de raad van bestuur.

2.  De Commissie verricht in overleg met de raad van bestuur om de vier jaar een evaluatie van de uitvoering van deze verordening en van de resultaten en werkmethoden van de Stichting in het licht van de doelstellingen, het mandaat en de taken die in deze verordening zijn vastgesteld. Deze evaluatie wordt uitgevoerd door externe deskundigen. De Commissie legt het Europees Parlement, de Raad en het Europees Economisch en Sociaal Comité de resultaten van deze evaluatie voor.

3.  De Stichting neemt alle nodige maatregelen om eventuele problemen die zich bij de evaluatie voordoen, te verhelpen.

Artikel 25

Herziening

Na de evaluatie dient de Commissie zo nodig een voorstel tot herziening van deze verordening in. Indien de Commissie van mening is dat het voortbestaan van de Stichting niet langer gerechtvaardigd is in het licht van de toegewezen doelstellingen, kan zij voorstellen om deze verordening in te trekken.

Artikel 26

Intrekking

De Verordeningen (EEG) nr. 1360/90, (EG) nr. 2063/94, (EG) nr. 1572/98 en (EG) nr. 1648/2003 van de Raad, alsook artikel 16 van Verordening (EG) nr. 2666/2000 van de Raad, zoals vermeld in bijlage I, worden ingetrokken.

Verwijzingen naar de ingetrokken verordeningen gelden als verwijzingen naar deze verordening en worden gelezen volgens de concordantietabel in bijlage II.

Artikel 27

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie .

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te

Voor het Europees Parlement Voor de Raad

De Voorzitter De Voorzitter

BIJLAGE I

Ingetrokken verordening met de achtereenvolgende wijzigingen

Verordening (EEG) nr. 1360/90 van de Raad van 7 mei 1990

(PB L 131 van 23.5.1990, blz. 1)

Verordening (EG) nr. 2063/94 van de Raad van 27 juli 1994

(PB L 216 van 20.8.1994, blz. 9)

Verordening (EG) nr. 1572/98 van de Raad van 17.07.98

(PB L 206 van 23.7.1998, blz. 1)

Artikel 16 van Verordening (EG) nr. 2666/2000 van de Raad van 5 december 2000

(PB L 306 van 7.12.2000, blz. 1)

Verordening (EG) nr. 1648/2003 van de Raad van 18.06.03

(PB L 245 van 29.9.2003, blz. 22)

BIJLAGE II

Concordantietabel

Verordening (EEG) nr. 1360/90

Deze verordening

Artikel 1, inleidende formulering

Artikel 1, einde van de inleidende formulering

Artikel 1, eerste tot en met vierde streepje

Artikel 1, tweede zin

Artikel 2

Artikel 3, inleidende formulering

Artikel 3, onder a) tot en met g)

Artikel 3, onder h)

Artikel 4, lid 1

Artikel 4, lid 3, eerste zin

Artikel 4, lid 2

Artikel 4 bis, lid 1

Artikel 4 bis, lid 2

Artikel 4 bis, lid 3

Artikel 5, lid 1

Artikel 5, lid 2

Artikel 5, lid 3

Artikel 5, lid 4, eerste alinea

Artikel 5, lid 4, tweede alinea

Artikel 5, lid 4, derde en vierde alinea

Artikel 5, lid 4, laatste alinea

Artikel 5, leden 5 en 6

Artikel 5, leden 7 tot en met 10

Artikel 6

Artikel 7, lid 1, eerste woorden

Artikel 7, lid 1, einde van de eerste zin en tweede zin

Artikel 7, lid 2

Artikel 7, lid 3

Artikel 8 (gedeeltelijk)

Artikel 9

Artikel 10, lid 1

Artikel 10, lid 2

Artikel 10, lid 3

Artikel 10, leden 4 tot en met 6

Artikel 11, lid 1

Artikel 11, leden 2 en 3

Artikel 11, leden 4 tot en met 10

Artikel 12

Artikel 13

Artikel 14

Artikel 15

Artikel 16, lid 1

Artikel 16, lid 2

Artikel 17 (gedeeltelijk)

Artikel 18

Artikel 19

Artikel 1, inleidende formulering

Artikel 1, einde van de inleidende formulering

Artikel 1, onder a), b) en c)

Artikel 1, tweede zin

Artikel 2, inleidende formulering

Artikel 2, onder a) tot en met f)

Artikel 2, onder g)

Artikel 3, lid 1

Artikel 3, lid 2

Artikel 3, lid 3, eerste zin

Artikel 3, lid 3, tweede zin

Artikel 3, lid 4 en 5

Artikel 4, leden 1 tot en met 3

Artikel 4, lid 4, eerste alinea

Artikel 4, lid 4, tweede alinea

Artikel 5

Artikel 6

Artikel 7, lid 1

Artikel 7, lid 2, eerste en tweede alinea

Artikel 7, lid 2, derde en vierde alinea

Artikel 7, lid 3

Artikel 7, lid 4, eerste zin

Artikel 7, lid 4, tweede zin

Artikel 7, lid 5

Artikel 8, lid 1, eerste alinea

Artikel 8, lid 1, tweede alinea

Artikel 8, lid 1, laatste alinea

Artikel 8, leden 2 en 3

Artikel 9

Artikel 10, lid 1, eerste woorden

Artikel 10, lid 1, einde van de eerste zin, tweede zin en tweede, derde en vierde alinea

Artikel 10, lid 2

Artikel 10, lid 5, eerste zin

Artikel 10, lid 3

Artikel 10, lid 4, onder a) tot en met k)

Artikel 11

Artikel 12

Artikel 13

Artikel 14

Artikel 15

Artikel 16, lid 1

Artikel 16, lid 2

Artikel 16, lid 3

Artikel 16, leden 4 tot en met 6

Artikel 17, lid 3

Artikel 17, leden 1 en 2

Artikel 17, leden 4 tot en met 10

Artikel 17, lid 11

Artikel 18

Artikel 19, lid 1

Artikel 19, leden 2 tot en met 4

Artikel 20

Artikel 21, eerste en tweede zin en eerste woorden van de derde zin

Artikel 21, laatste woorden van de derde zin en laatste zin

Artikel 22

Artikel 23, lid 1, eerste alinea en eerste zin van de tweede alinea

Artikel 23, lid 1, laatste zin van de tweede alinea

Artikel 23, lid 2

Artikel 24, lid 1

Artikel 24, lid 2

Artikel 24, lid 3

Artikel 25

Artikel 26

Artikel 27

Bijlage

(1) PB C ...
(2) PB C ...
(3) Standpunt van het Europees Parlement van 22 mei 2008.
(4) PB L 131 van 23.5.1990, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1648/2003 van 18 juni 2003 (PB L 245 van 29.9.2003, blz. 22).
(5) PB C 323 van 30.11.1993, blz. 1.
(6) PB L 375 van 23.12.1989, blz. 11.
(7) PB L 216 van 20.8.1994, blz. 9.
(8) PB L 206 van 23.7.1998, blz. 1.
(9) PB L 306 van 7.12.2000, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 2112/2005 (PB L 344 van 27.12.2005, blz. 23).
(10) PB L 210 van 31.7.2006, blz. 82.
(11) PB L 310 van 9.11.2006, blz. 1.
(12) PB L 248 van 16.9.2002, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1525/2007 (PB L 343 van 27.12.2007, blz. 9).
(13) PB L 357 van 31.12.2002, blz. 72.
(14) PB L 136 van 31.5.1999, blz. 1.
(15) PB L 145 van 31.5.2001, blz. 43.
(16) PB L 8 van 12.1.2001, blz. 1.
(17) PB L 303 van 14.12.2007, blz. 1.
(18) PB L 136 van 31.5.1999, blz. 15.

Laatst bijgewerkt op: 2 juni 2008Juridische mededeling