Gedragscode ongewenste omgangsvormen Eerste Kamer: debat samengevat



De Eerste Kamer debatteerde dinsdag 21 april in eerste termijn over de eigen ontwerp-Gedragscode ongewenste omgangsvormen. De Gedragscode is voorgesteld door het College van Voorzitter en Ondervoorzitters (CVO) en volgt uit de herziening van het Reglement van Orde van de Eerste Kamer in 2023. Op 19 mei zal het CVO antwoorden op de vragen van de Kamer en vindt ook de tweede termijn van het debat plaats.


Over de gedragscode

Het voorstel voor een Gedragscode ongewenste omgangsvormen wil invulling geven aan de wens van de Kamer zoals die is opgenomen in het Reglement van Orde van de Eerste Kamer (artikel 131). In de voorgestelde code staan de gedragingen van Kamerleden onderling centraal, maar ook tegenover medewerkers en gasten. Het gaat erom ongewenste gedragingen tegen te gaan en te voorkomen.

De voorgestelde code zorgt er bovendien voor dat personen die menen met ongewenst gedrag door Kamerleden te maken te hebben (gehad), hierover een melding kunnen doen bij een vertrouwenspersoon. Ook kunnen zij hierover een klacht indienen bij een onafhankelijke klachtencommissie. De klachtenprocedure is zo ingericht dat klager en beklaagde zoveel als mogelijk dezelfde rechten en plichten hebben. Anonieme klachten zijn niet mogelijk en de procedures zijn vertrouwelijk.


Impressie van de eerste termijn

GroenLinks-PvdA: Voorstander, maar code alleen niet genoeg

Senator Fiers (GroenLinks-PvdA) sprak mede namens Volt, ChristenUnie, D66, PvdD en OPNL. Ze haalde onderzoek aan waaruit blijkt dat jaarlijks 17% van de Nederlandse werknemers ongewenste omgangsvormen op de werkvloer ervaart. 'We hebben allemaal een verantwoordelijkheid om ongewenste omgangsvormen bespreekbaar te maken,' zei Fiers. Ze was daarom positief gestemd dat er een voorstel voor een gedragscode voorligt. Ze vroeg of bekend is wat de omvang van ongewenst gedrag is in de Eerste Kamer. Hoe vaak komt het voor? Fiers zei dat het belangrijk is om te realiseren wat factoren zijn die ongewenste omgangsvormen veroorzaken, zoals de bijzondere positie van Kamerleden. Zou onderzoek kunnen worden gedaan naar de situatie in de Eerste Kamer? Ze is het ermee eens dat het CVO de omgangsvormen niet wil juridiseren, het is een hulpmiddel als iemand nauwelijks mogelijkheden ziet om ongewenst gedrag van een Kamerlid aan de orde te stellen. Fiers is voorstander van een gedragscode, maar een code alleen is niet genoeg. Om succesvol te zijn, is de bedrijfscultuur doorslaggevend.

PVV: Daadwerkelijk ontoelaatbaar gedrag aanpakken

Senator Van Hattem zei dat zijn fractie moeite heeft met de invulling van de Gedragscode ongewenste omgangsvormen. De fractie is geen voorstander van de gedragscode, maar het Reglement van Orde schrijft het voor. In deze vorm is volgens Van Hattem niet specifiek genoeg gemaakt wat 'ongewenst' is. Men kan zich al te snel gekwetst voelen. Hij is wel voorstander van het aanpakken van daadwerkelijk ontoelaatbare gedragingen. Het lastige is dat het in deze gedragscode moeilijk is een grens te trekken tussen wat al strafbaar is en wat niet. Van Hattem wil voorkomen dat het CVO een rechtbank wordt. Een niet-strafbare gedraging moet dan ook niet onderworpen worden aan maatregelen of consequenties die een bestraffend karakter hebben. Een ongewenste niet-strafbare gedraging hoort dus niet gesanctioneerd te worden, omdat de strafbaarheid ontbreekt. Daarmee is er dus ook geen rechtsnorm geschonden. Hij had ook vragen over het gebruik van het woord 'schuldig'. Het CVO stelt dat ze niet naar het strafrechtelijke begrip verwijst. In dat geval is het beter een ander begrip te kiezen, zei van Hattem. Hij vroeg of indirecte gevallen uitgesloten zijn van deze gedragscode. Ook wilde hij weten hoe machtsverschillen en afhankelijkheden concreet worden bepaald. Tot slot vroeg hij hoe het CVO omgaat met het risico van manipulatie, bijvoorbeeld door AI.

SGP: Eenzame positie niet wenselijk

Senator Schalk zei dat de kwetsbaarheid van klagers en beklaagden tot zorgvuldigheid noopt. Dat is met de schriftelijke vragenrondes gebeurd. Hij vroeg of het niet vreemd is dat er eerst een melding moet worden gedaan bij de vertrouwenspersoon. Brengen we die niet in een onmogelijke positie als de beklaagde ook bij de vertrouwenspersoon terecht moet kunnen? Het is volgens hem cruciaal dat de melder schriftelijk toestemming moet geven om diens identiteit bekend te maken, een anonieme klacht is niet mogelijk. Biedt artikel 26 voldoende rechtszekerheid voor beide betrokkenen? Ook wees hij artikel 18 in samenhang met artikel 21: het onderscheid tussen een waarschuwing en een berisping. Na vragen hierover heeft het CVO een derde mogelijkheid toegevoegd (onderscheid tussen vertrouwelijke en openbare berisping). Zijn de criteria daarvoor voldoende duidelijk gemaakt? De hele gedragscode ademt voorzichtigheid, geheimhouding en beslotenheid, maar een Kamerlid dat wil klagen of dat beklaagd wordt, zit in een soort eenzame positie. Bij wie kun je nog terecht als in artikel 24, lid 1 staat dat je over niets mag communiceren anders dan met je raadsman? Je moet toch kunnen overleggen met bijvoorbeeld je fractievoorzitter. Bij de SGP zouden we in strijd met onze eigen integriteitscode handelen, aldus Schalk.

JA21: Aan voorkant duidelijk filteren

Senator Van Bijsterveld vreest dat situaties al in een vroeg stadium groot zouden kunnen worden gemaakt. De gedragscode is bedoeld als laagdrempelig. Daarom pleit zij voor een duidelijk filter aan de voorkant. Is formele melding wel echt noodzakelijk? In de praktijk is gebleken dat een formeel traject veel schade toebrengt. Triage aan de voorkant zou dat kunnen voorkomen. De ervaring leert dat een klachtenprocedure zelf zelden iets oplost. Persoonlijke problematiek kan een rol spelen. Niet elke klacht is primair gericht op het corrigeren van ongewenst gedrag. Het kan ook gebruikt worden om druk uit te oefenen. Gaan we uit van snelle formalisering of kiezen we voor de-escalatie en zorgvuldige weging aan de voorkant? De insteek van JA21 is: richt triage in, zet bemiddeling voorop en gebruik de formele klachtenprocedure echt alleen daar waar dat noodzakelijk is. Werk aan weerbaarheid in plaats van slachtofferschap te creëren, besloot Van Bijsterveld.

SP: Bescherming beklaagde waarborgen

Senator Van Aelst sprak mede namens de Fractie-Visseren-Hamakers. Ze haalde aan dat het initiatief voor de gedragscode is genomen door de Kamer zelf. Met elkaar afspraken maken is een goede stap, mits goed gewaarborgd en met nalevingsbereidheid door de leden, zei zij. Haar grootste zorg is niet wat wordt opgeschreven of afgesproken, maar óf ook echt iets wordt afgesproken. Een gedragscode werkt namelijk bij de gratie van leden en fracties die zich aanspreekbaar opstellen, bij de gratie van gezag en onderlinge afspraken, bij het accepteren van aangesproken worden en bij de bereidheid om uiteindelijk je gedrag te verbeteren, aldus Van Aelst. Ze heeft ook zorgen bij de mogelijkheid tot het opleggen van sancties. Melding van ongewenste omgangsvormen kan ook een politiek wapen zijn. Welke waarborgen zijn er om diegene te beschermen over wie een melding wordt gedaan? En komt er een moment dat ze toch in de openbaarheid komen? Op welke wijze wordt geheimhouding gehandhaafd of komt dat toch, eventueel jaren later, toch naar buiten? De klachtencommissie gaat niet over wat er in een openbare vergadering is gebeurd. Bij wie kan een Kamerlid dan terecht als daar sprake is van ongewenste omgangsvormen, vroeg Van Aelst.