Plenair Huizinga-Heringa bij behandeling Wet invoering tweestatusstelsel, Asielnoodmaatregelenwet en novelle aanpassing strafbaarstelling illegaal verblijf



Verslag van de vergadering van 13 april 2026 (2025/2026 nr. 25)

Status: ongecorrigeerd

Aanvang: 16.41 uur

Een verslag met de status "ongecorrigeerd" is niet voor citaten en er kan geen recht aan ontleend worden.


Bekijk de video van deze spreekbeurt

Mevrouw Huizinga-Heringa i (ChristenUnie):

Voorzitter, dank u wel. Vandaag behandelen we drie wetten die op dit moment eigenlijk al achterhaald zijn. Enkele jaren geleden was het de bedoeling van minister Faber om deze wetten met een kunstgreep met grote snelheid buiten het parlement om in te voeren. Ze riep een crisis uit. Het noodrecht zou van toepassing zijn. Gelukkig wist de Eerste Kamer dat te voorkomen.

Deze drie wetten lopen deels vooruit op de invoering van het Europees Asiel- en Migratiepact. De vorige minister had zo'n haast dat ze daar niet op kon wachten. In 2024 konden we ons daar misschien nog iets bij vooropstellen, maar nu, in april 2026, zien wij de noodzaak van het invoeren van deze wetten niet meer. Over nog geen twee maanden moet het Europees Asiel- en Migratiepact geïmplementeerd zijn. Kan de minister uitleggen waarom deze wetten nu moeten worden behandeld, terwijl we over een paar weken de implementatiewet bij het pact gaan bespreken? Waarom heeft de minister deze wetten niet ingetrokken wegens overbodigheid?

Voorzitter. Wat daarvan zij, mijn fractie houdt deze wetsvoorstellen vandaag tegen het licht van de proportionaliteit, de doelmatigheid en de uitvoerbaarheid. Anders gezegd: gaan deze wetten doen wat ze beloven, namelijk de rust in de asielketen terugbrengen, en zijn ze uitvoerbaar?

In de memories van toelichting bij beide wetten leest mijn fractie dat deze wetsvoorstellen maatregelen bevatten die als doel hebben de instroom te verlagen. Als eerste merk ik op dat de enorme instroom, waarover in de memorie van toelichting bij de Wet invoering tweestatusstelsel wordt gesproken, door de feiten wordt genuanceerd. Vanaf 2023 was het aantal eerste asielaanvragen per hoofd van de bevolking in Nederland lager dan het EU-gemiddelde, en lager dan de aantallen in onze buurlanden België en Duitsland. Het is dus niet zo dat Nederland een hogere instroom heeft dan onze buurlanden of de landen van de Europese Unie als geheel, zoals vaak wordt gesuggereerd. Kan de minister daarop reageren?

Voorzitter. Mijn fractie betwijfelt of de maatregelen die in deze wetsvoorstellen worden voorgenomen inderdaad zullen bijdragen aan een lagere instroom. De leidende gedachte achter veel van deze maatregelen is dat Nederland minder aantrekkelijk moet worden voor asielzoekers. Maar onderzoek laat zien dat asielzoekers het liefst kiezen voor een land waar familie of landgenoten wonen. Dat maakt een land aantrekkelijk, en niet direct de geldende regels.

Daarbij komt dat de minister in de schriftelijke voorbereiding van dit debat erkende dat de asielinstroom in belangrijke mate afhankelijk is van internationale en geopolitieke ontwikkelingen. Zweden, dat door de minister meerdere keren als voorbeeld wordt gebruikt, heeft de instroom weliswaar kunnen verlagen, maar de regering kan niet onderbouwen welke maatregelen daaraan hebben bijdragen. Waarop baseert de minister de overtuiging dat deze wetsvoorstellen de instroom van asielzoekers zullen verlagen?

In het coalitieakkoord van het kabinet is afgesproken dat het de ambitie blijft om onnodige nationale koppen op Europese regels te schrappen. Deze wetsvoorstellen — dat geldt ook voor de implementatiewet bij het Asiel- en Migratiepact — bevatten echter nieuwe koppen op Europees beleid. Daarbij denkt mijn fractie in dit bestek vooral aan het tweestatusstelsel. Hier voegt het kabinet immers een stevige kop toe aan de Europese regelgeving. De regering heeft bij herhaling gezegd dat het Migratiepact vereist dat er een tweestatusstelsel wordt ingevoerd waarin vluchtelingen anders worden behandeld dan subsidiair beschermden. Na schriftelijke vragen van mijn fractie bleek dit een halve waarheid te zijn. Het is immers niet verplicht om beide statussen verschillend te behandelen. De situatie zoals die nu in Nederland bestaat, komt daarmee al dicht bij de situatie die het pact voorschrijft.

Waarom heeft de regering er niet voor gekozen om een tweestatenstelsel te introduceren volgens de minimumnormen van het pact met inhoudelijk geen of zo min mogelijk onderscheid? Het is immers de verwachting dat veel vreemdelingen die een status als subsidiair beschermde krijgen, in beroep zullen gaan om de vluchtelingenstatus te krijgen. Begrijpelijk, want deze subsidiaire status betekent voor hen in vergelijking met de vluchtelingenstatus een schrijnende extra beperking van de mogelijkheid tot gezinshereniging. Deze beroepszaken zullen een grote druk op de uitvoering leggen. De IND gaat er zelfs bij een laag scenario al van uit dat 75% van de subsidiair beschermden in beroep gaat, zo blijkt uit de uitvoeringstoets. Kan de minister hierop reageren?

Mevrouw Karimi had het er al over, maar ik vraag er ook aandacht voor: het Belgische Grondwettelijk Hof heeft recent prejudiciële vragen gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Unie. Het Belgische hof vraagt zich af of grote verschillen in de voorwaarden voor gezinshereniging tussen vluchtelingen en mensen met subsidiaire bescherming verenigbaar zijn met het unierecht. Kan de regering toezeggen om, zoals de Commissie Meijers de Eerste Kamer heeft geadviseerd, de bepalingen over het tweestatusstelsel in elk geval niet eerder in werking te laten treden dan drie maanden na de beantwoording van deze vragen door het Hof van Justitie.

Voorzitter. Of je nu een A-status of een B-status krijgt, gezinshereniging wordt met deze wetsvoorstellen alleen mogelijk voor het zogenaamde kerngezin. Mijn fractie vindt dat moeilijk te begrijpen. Een statushouder die een relatie heeft die in het land van herkomst niet wordt erkend, bijvoorbeeld omdat daar op homoseksualiteit strenge straffen staan, en daardoor simpelweg nooit heeft kunnen trouwen, moet volgens het kabinet dan maar op grond van artikel 8 EVRM om gezinshereniging vragen.

Gezinsherenigingsaanvragen op grond van artikel 8 EVRM, zo antwoordde de minister op schriftelijke vragen van mijn fractie, zijn in de regel complexe en tijdsintensieve aanvragen, ook omdat de beslissing op dit soort aanvragen een individuele belangenafweging vergt waarvoor geen vast omlijnd toetsingskader geldt. Met andere woorden, mensen die in hun thuisland gediscrimineerd en mogelijk vervolgd worden vanwege hun seksuele voorkeur, worden geconfronteerd met een procedure die zwaarder is dan die voor heteroseksuele personen. Hoe kan dit mogelijk zijn? Dat het kerngezin de vereiste internationaalrechtelijke minimumnorm is, kan toch geen argument zijn, gezien de samenlevingsvormen die in Nederland gebruikelijk zijn? Waarom heeft het kabinet voor de beperking tot gehuwde partners gekozen, nu het gevolg is dat mensen die vanwege wetgeving of sociale stigma's nooit een huwelijk konden aangaan, in een ingewikkeldere en tijdrovendere procedure voor gezinshereniging terechtkomen?

Bij de behandeling van de Asielnoodmaatregelenwet is het amendement-Diederik van Dijk c.s. aangenomen, waarmee de rechterlijke dwangsommen worden afgeschaft. Naar het oordeel van mijn fractie wordt met dit amendement de oplossing op de verkeerde plaats gezocht. Het zou veel beter zijn om in te zetten op snellere behandeling in plaats van de gevolgen van termijnoverschrijding weg te nemen. Tijdens de behandeling van dit amendement in de Tweede Kamer heeft de ambtsvoorganger van deze minister opgemerkt dat er enige twijfels zijn over de juridische haalbaarheid van dit amendement. Ook sprak hij over risico's. Kan de minister toelichten welke juridische risico's aan dit amendement kleven en hoe hij deze risico's weegt?

Voor mijn fractie is het de vraag op welke manier een vreemdeling straks nog toegang heeft tot een doeltreffende voorziening in rechte, zoals bedoeld in artikel 47 van het EU-Handvest, nu met dit amendement de rechter geen mogelijkheid meer heeft om een uitspraak te doen naleven. De prikkel van de dwangsom is immers afgeschaft. De Raad van State was in een eerdere uitspraak van oordeel dat het ontbreken van deze mogelijkheid in strijd is met het beginsel van effectieve rechtsbescherming. Kan de minister hierop reageren?

Voorzitter. De mogelijkheid van het aanbieden van een kopje soep heeft de discussie over de strafbaarstelling van illegaliteit gedomineerd en heeft geleid tot een novelle. Met de novelle is voor mijn fractie de kou niet uit de lucht. In de uitvoeringstoets bij de novelle lezen we: "Het is maar zeer de vraag of vreemdelingen die echt niet mee willen werken aan vertrek, door deze maatregel alsnog zullen meewerken aan vertrek. Het lijkt daarmee twijfelachtig of strafbaarstelling een manier is om onrechtmatig in Nederland verblijvende vreemdelingen te bewegen om ons land te verlaten." Daarnaast heeft de VNG bijvoorbeeld opgemerkt dat de huidige regelgeving wat haar betreft al voldoende is. Mijn fractie ziet in het licht hiervan geen enkele reden om onrechtmatig verblijf strafbaar te stellen. De minister ziet die reden klaarblijkelijk wel. Kan hij toelichten welke positieve effecten hij verwacht van het strafbaar stellen van onrechtmatig verblijf?

Voorzitter. De maatschappelijke gevolgen van dit wetsvoorstel zijn groot. Vele kerkelijke leiders noemen dit wetsvoorstel "onbarmhartig". Vanmorgen nog werd hier vlakbij in de Kloosterkerk een wake gehouden door de Raad van Kerken. De bisschop van Den Bosch en de scriba van de Protestantse Kerk in Nederland schreven onlangs in een open brief het volgende. "De simpele criminalisering van illegaal verblijf berokkent onnoemelijke en onherstelbare schade aan de levens van heel veel mensen, die in kwetsbare omstandigheden al zo veel leed en tegenslag hebben moeten doorstaan."

Voorzitter. Niet iedereen die onrechtmatig in Nederland verblijft, heeft daar zelf schuld aan. Slachtoffers van mensenhandel, arbeidsmigranten die op straat terechtkomen, mensen die op een of andere manier tussen wal en schip raken: het is een diverse groep. Kan de minister toelichten waarom het nodig is om hun enkele aanwezigheid strafbaar te stellen? Uit de memorie van toelichting bij de novelle blijkt dat illegaal verblijf alleen tot een veroordeling kan leiden bij vreemdelingen die wel kunnen, maar niet willen vertrekken en hun vertrek effectief frustreren. Maar deze beperking staat niet in de wet zelf. De brede formulering die nu onderdeel uitmaakt van het wetsvoorstel zal, zo is de vrees bij betrokken organisaties, waaronder de politie, leiden tot terughoudendheid bij ongedocumenteerden om aangifte te doen en tot zorgmijding.

Kortom, de strafbaarstelling van illegaliteit zal bij een grote groep — die, nogmaals, niet alleen bestaat uit uitgeprocedeerde asielzoekers — leiden tot grote onzekerheid en tot verdwijnen onder de radar, waardoor er helemaal geen zicht meer is op deze mensen. Het zal er ook toe leiden dat zij nog meer dan nu worden gemarginaliseerd. Waarom doet de minister zorgmijding, terughoudendheid om aangifte te doen van strafbare feiten en angst om kinderen naar school te sturen, af als "denkbeeldige gevolgen", terwijl betrokken organisaties daar bij herhaling voor hebben gewaarschuwd?

Vanmiddag bij de aanbieding van de petitie hoorde ik nog twee voorbeelden. Een betrof een school die kinderen niet wilde opnemen, want dat was toch strafbaar? Het tweede ging over een vrouw in verwachting, die door de GGD niet werd geholpen, want zij was illegaal en dat was toch strafbaar? Graag een reactie daarop van de minister. Dit wetsvoorstel loopt daarnaast de kans te leiden tot draaideurbeleid, waarbij mensen steeds opnieuw veroordeeld worden voor illegaal verblijf, zonder dat zij uiteindelijk Nederland verlaten of uitzetting mogelijk is. Hoe wil de minister dat voorkomen?

Mijn fractie is daarbij van mening dat de regering duidelijkheid moet verschaffen over de mogelijkheid van burgerarresten. In antwoord op schriftelijke vragen uit deze Kamer heeft de regering welswaar opgemerkt burgerarresten onwenselijk te vinden, maar zij kan de mogelijkheid ervan vanwege de reikwijdte van artikel 53 van het Wetboek van Strafvordering niet uitsluiten. Mijn fractie zou willen dat daders van een ongeoorloofd burgerarrest in dit kader streng worden aangepakt en bestraft. Kan de minister dit toezeggen? Kan de minister ook toezeggen dat hij hierover op niet mis te verstane wijze zal communiceren, bijvoorbeeld via een voorlichtingscampagne?

Voorzitter. Zo goed als alle organisaties die deze wetsvoorstellen moeten gaan uitvoeren, hebben de noodklok geluid over de uitvoerbaarheid van deze wetten, of het nu gaat om de politie, de rechtspraak of de Dienst Terugkeer en Vertrek. Al deze organisaties waarschuwen voor de uitvoeringsgevolgen. De minister berekende in antwoord op een vraag van mijn fractie dat de IND mogelijk 462 fte of zelfs nog meer extra personeel zou moeten werven om deze wetswijzigingen uit te voeren.

De heer Van Hattem i (PVV):

Mevrouw Huizinga van de ChristenUnie heeft namens haar partij altijd de mond vol van de rechtsstaat en de scheiding der machten, maar ik hoor haar nu zeggen dat een bepaalde groep streng moet worden aangepakt en streng moet worden bestraft. Gaat de ChristenUnie hiermee niet op de stoel van de rechter zitten en ondertussen ten aanzien van de strafbaarstelling van illegaliteit precies het omgekeerde doen?

Mevrouw Huizinga-Heringa (ChristenUnie):

"De mond vol"; dat laat ik aan u. Ik wil van de minister weten op welke manier hij ervoor kan zorgen dat deze burgerarresten niet voor zullen komen. Ik wil van hem graag de garantie dat wanneer deze burgerarresten voorkomen, deze mensen streng zullen worden bestraft. Op welke manier de minister dat voor elkaar wil brengen, is aan hem. Mijn fractie vindt dit een groot risico van deze wet. Wij wijzen daarop. Wij zouden willen dat daarop zodanig gereageerd wordt dat de mensen die dit burgerarrest doen, streng worden bestraft.

De heer Van Hattem (PVV):

"Streng worden bestraft"; daar zou normaal gesproken niet de minister over gaan, maar de rechter. Is mevrouw Huizinga het dan met mij eens dat wie hier als illegaal in dit land is en hier bijvoorbeeld misdrijven pleegt, ook heel streng moet worden bestraft, keihard moet worden aangepakt en het land moet worden uitgezet?

Mevrouw Huizinga-Heringa (ChristenUnie):

De rechter spreekt recht op basis van wetten. Als wij dus vragen om strenge bestraffing, moet daar een basis voor komen in de wet, zodat de rechter streng kan bestraffen, want de rechter gaat natuurlijk niet zomaar zelf bedenken welke straf hij zal geven. Als het gaat om bestraffing van illegaal verblijf, zeg ik: mijn hele bijdrage gaat over waarom wij dat nu juist geen goed idee vinden en waarom wij denken dat het veel mensen die buiten hun schuld in die situatie terechtkomen, alleen nog maar verder in de narigheid zal helpen. Wij denken dat het geen enkel effect zal hebben op het voorkomen van ongedocumenteerdheid.

De voorzitter:

Tot slot, meneer Van Hattem.

De heer Van Hattem (PVV):

Dan moet ik toch duidelijk concluderen dat wat de ChristenUnie betreft de wetten niet gelden voor illegalen en dat die gewoon lak kunnen hebben aan de rechtsstaat. Er wordt hier dus door mevrouw Huizinga van ChristenUnie met twee maten gemeten ten aanzien van de rechtsstaat.

Mevrouw Huizinga-Heringa (ChristenUnie):

Ik moet dat toch echt tegenspreken. Deze behandeling gaat over de vraag of wij ongedocumenteerd verblijf strafbaar willen stellen. Mijn fractie is daartegen. Het lijkt erop dat meneer Van Hattem denkt dat dit al het geval is, maar wij hebben het er juist vanmiddag met elkaar over dat wij dat niet strafbaar willen stellen.

Voorzitter. Ik had het over de uitvoerbaarheid en het aantal fte dat nodig is om deze wetten uit te voeren en dat terwijl de regering ook nog eens aangeeft — ik ga maar verder — dat de uitvoering de IND niet op tijd gaat lukken. Het gevolg? De doorlooptijden zullen in elk geval voorlopig nog verder oplopen en dat terwijl het nu al heel lang duurt voordat er een beslissing wordt genomen. Daar komt bij dat de IND in de zeer nabije toekomst met een andere grote wetswijziging wordt geconfronteerd, namelijk de invoering van het Europese Migratiepact. Alleen dat al is voor de IND uiterst uitdagend, begrijpt mijn fractie uit brieven van de IND. Zo heeft de organisatie in een brief gewaarschuwd dat het niet mogelijk is om de wetten die wij vandaag behandelen eerder in werking te laten treden dan het Asiel- en Migratiepact. Hoe kijkt de minister naar de mogelijkheid voor de uitvoeringsorganisaties om in korte tijd de twee wetswijzigingen, nu deze wet en straks de implementatiewet, te verwerken? Hoe weegt de minister in dit verband de brief van de IND?

Voorzitter. Dan nog een opmerking over het ontbreken van overgangsrecht. Deze wetten zullen wanneer ze in werking treden, direct gevolgen hebben, ook in al lopende procedures. Dat betekent dat vluchtelingen of subsidiair beschermden zich van de ene op de andere dag geconfronteerd zien met zwaardere eisen om hun gezin naar ons land te kunnen halen. Is dat niet strijdig met de rechtszekerheid en is dat niet een aanslag op het vertrouwensbeginsel? Waarom heeft de minister niet gekozen voor het toekennen van eerbiedigende werking?

Voorzitter, ik rond af. Vorig jaar heeft mijn fractie bij de begrotingsbehandelingen gepleit voor solide en meerjarige financiering van de IND en het COA. Het is onbegrijpelijk dat er zoveel geld gaat naar dure, tijdelijke huisvesting, terwijl stabiele financiering zoveel goedkoper is en veel meer duidelijkheid biedt. Het is de taak van dit kabinet om de woorden van het coalitieakkoord om te zetten in beleid dat gericht is op rust en duidelijkheid in de asielketen. Daaraan heeft het de afgelopen jaren immers voortdurend ontbroken. Het kabinet zet met deze wetten in op het verminderen van de instroom van asielzoekers, maar pakt de grote uitdagingen in de opvang en doorstroming in de asielketen maar mondjesmaat aan. Naar het oordeel van mijn fractie zijn vier dingen nodig om de problemen in de asielketen op te lossen: een stabiele financiering van het COA, die een vaste opvangvoorraad mogelijk en een noodopvang overbodig maakt, voldoende middelen voor de IND, zodat procedures sneller kunnen worden afgerond, een evenwichtige verdeling van asielzoekers en asielzoekerscentra over Nederland en een streng beleid tegen overlastgevende vreemdelingen. Helaas ziet mijn fractie in deze wetsvoorstellen maar weinig wat bijdraagt aan een van deze vier oplossingsrichtingen.

Voorzitter. Mijn fractie is niet overtuigd van de effectiviteit van de voorliggende wetsvoorstellen. Wij betwijfelen of ze uiteindelijk zullen leiden tot een vermindering van de instroom en tot rust in de asielketen. Daarnaast hebben wij grote moeite met een aantal elementen in deze wetten. Niet alleen de strafbaarstelling van illegaliteit, maar ook de sterke beperking van mogelijkheden van gezinshereniging stuit mijn fractie tegen de borst. Vanuit de christelijke overtuiging van mijn fractie hebben alle mensen naar Gods beeld geschapen recht op onze compassie, ook als ze ongedocumenteerd zijn.

De voorzitter:

Ik dank u wel. Dan geef ik graag het woord aan mevrouw Perin van de fractie van Volt. Zij spreekt mede namens de Partij voor de Dieren. Gaat uw gang.