Verslag van de vergadering van 13 april 2026 (2025/2026 nr. 25)
Status: gecorrigeerd
Aanvang: 23.34 uur
De heer Lievense i (BBB):
Beste voorzitter. Vandaag spreken we over twee ingrijpende wetsvoorstellen, twee maanden voor de inwerkingtreding van het Migratiepact. We spreken vandaag over de Asielnoodmaatregelenwet en de Wet invoering tweestatusstelsel. Die wetten komen niet uit de lucht vallen en zijn het antwoord op een werkelijkheid die inwoners van Nederland dagelijks ervaren in hun wijk, hun dorp, hun stad. De fractie van BBB ziet in het land een verschil in ervaring tussen inwoners van de Randstad en inwoners van het platteland. Ik zal daar later in mijn betoog nog op terugkomen.
Voor de BoerBurgerBeweging staat één uitgangspunt centraal: Nederland moet weer grip krijgen op migratie. Volgens mij zijn we het daar, nu bijna alle sprekers zijn geweest, allemaal over eens. Die grip moet er komen voor onze inwoners, voor onze gemeentes en, last but not least, voor alle regio's die in vele vormen al jaren onevenredig belast worden.
Deze wetsvoorstellen staan niet op zichzelf. De koerswijziging die nu voorligt, twee maanden voor de inwerkingtreding van het Migratiepect of -pact, of hoe je het ook uitspreekt … Dank u wel. Het is laat, hè? Het is laat. Het is een pactje! De koerswijziging is voor het overgrote deel al ingezet met de Europese regels. Voor het gemeenschappelijk immigratiebeleid van de EU geldt de gewone wetgevingsprocedure. Die is geregeld in artikel 294 van het EU-verdrag. Dat heb ik me allemaal keurig laten uitleggen. Dat kunt u begrijpen. Het is een bijzonder ingewikkeld artikel. In de praktijk bestaat de procedure veelal uit veel onderhandelingen tussen de Commissie, de Raad en het Europees Parlement. Dat is de zogenaamde triloog en die kwam al een aantal keer in betogen van collega's voorbij. Uiteindelijk moeten zowel de Raad als het Europees Parlement instemmen met een wetgevingshandeling.
Of het nou een pect of een pact is, of dat iemands telefoon afgaat, meneer Dittrich … Mijn tijd stond stil, hoor! Zo hebben we alle twee iets, meneer Dittrich. Ik vervolg mijn betoog.
Het akkoord op hoofdlijnen is het resultaat van de onderhandelingen. Nu gaat zijn telefoon weer af!
(Hilariteit)
De heer Lievense (BBB):
Voorzitter, ik wacht even tot de heer Dittrich uitgebeld is! Ik weet niet met wie hij belt, maar …
De voorzitter:
Dit was inderdaad een onaangekondigde interruptie. U mag wat mij betreft uw betoog vervolgen.
De heer Lievense (BBB):
Voor de kijkers thuis: de heer Dittrich vertrekt op dit moment met zijn telefoon naar de ministerskamer.
(Hilariteit)
De heer Lievense (BBB):
Zo snel kan het gaan. Hij loopt zo de ministerskamer in! Maar goed, de minister zit hier nog tegenover me.
De voorzitter:
U vervolgt uw betoog.
De heer Lievense (BBB):
Uiteindelijk moeten zowel de Raad als het Europees Parlement instemmen met een wetgevingshandeling. In dit geval gaat het om de negen verordeningen en één richtlijn van het Migratiepact. Het akkoord op hoofdlijnen is het resultaat van de onderhandelingen tussen het voorzitterschap van de Raad en de vertegenwoordigers van het Europees Parlement. Daarna is er nog verdere uitwerking nodig, waarna de formele goedkeuring door de Raad en het Europees Parlement volgt. In dit geval heeft de Raad op 14 mei 2024 de formele goedkeuring verleend, en het Europees Parlement al op 10 april 2024. Nederland is dus op 14 mei 2024 formeel akkoord gegaan met het Europese Migratie- en Asielpact.
Voorzitter. Het is ten aanzien van dit Europese wetgevingsproces goed om te benadrukken dat de Nederlandse regering al sinds de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon, in 2009, geen instemming van de Kamers meer nodig heeft om in de Raad akkoord te gaan met voorstellen. Het Verdrag van Lissabon heeft, zoals u weet, de positie van het rechtstreeks gekozen Europese Parlement versterkt. De Nederlandse wetgever, dus de Staten-Generaal en wij als Eerste Kamer, heeft in de laatste fase voor de ratificatie van het Verdrag van Lissabon in 2007, het instemmingsrecht op JBZ-terrein sterk afgebouwd. Ook dat hoorde ik al tussen de regels door bij een aantal collega's. Wij als Kamers hebben nu uitsluitend nog een controlerende rol.
Voorzitter. Het is voor de fractie van de BBB belangrijk om hierbij terug te gaan in de geschiedenis, en daarbij de partijen die hier vandaag het woord voeren en die indertijd betrokken waren bij de behandeling en het besluit om te komen tot het verdrag, te wijzen op de gevolgen. Die gevolgen maken nu dat ze impliciet bijna al hebben ingestemd met dat Migratiepact en die vele overkoepelende maatregelen die wij nu terugzien in de wetgeving die nu in de asielwetten voor ons ligt. Ik neem u mee in een overzicht van hoe de belangrijkste partijen zich opstelden tijdens die parlementaire behandeling. Dat gebeurde allemaal tijdens het kabinet-Balkenende IV.
Het CDA was duidelijk voor ratificatie en de Partij van de Arbeid ook. De ChristenUnie was indertijd kritischer dan de coalitiepartners, maar was uiteindelijk eveneens voor. En vanuit de oppositiepartijen was de VVD ook voor ratificatie. D66 was zeer uitgesproken voor. De heer Dittrich zal dat nu vast horen in de ministerskamer. GroenLinks was ook voor. Expliciete tegenstanders waren de SP, de PVV en de Partij voor de Dieren. Dat gaf een politieke dynamiek. Er was zodoende een ruime … Daar is minister Dittrich weer, wilde ik bijna zeggen, want ik zie de heer Dittrich weer uit de ministerskamer komen. Bent u klaar met bellen, meneer Dittrich? Er was zodoende dus een ruime parlementaire meerderheid voor ratificatie. De steun kwam zowel van regeringspartijen CDA, Partij van de Arbeid en ChristenUnie als van een groot deel van de oppositie, namelijk VVD, D66 en GroenLinks. De tegenstanders heb ik zonet ook al benoemd. Het verdrag werd dus uiteindelijk bij ruime meerderheid in beide Kamers geratificeerd.
Voorzitter. Hiermee is reeds in 2007, en in 2009 met de inwerkingtreding, een van de belangrijkste parlementaire bevoegdheden uit handen gegeven. Sindsdien kennen we de complementaire behandeling. Dat is overigens een van de dingen die ik hier keurig heb geleerd van onze medewerkers toen ik net Kamerlid was. Een van die medewerkers die in het begin altijd moest uitleggen hoe die complementaire behandeling van Europese wetgeving nu precies werkte, zit hier nu ook. Dat wil zeggen: over voorstellen in overleg kunnen treden met de regering en daar te trachten bij te sturen. Tevens betekent het dat wij als medewetgevers sinds 2009 medeverantwoordelijkheid dragen voor de uitvoering van de Europese wetgeving en we zodoende in het geval van het Migratiepact verplicht zijn om onze nationale wetgeving in lijn met die Europese wetgeving op orde te brengen. De wetten die nu voorliggen geven vooruitlopend op de inwerkingtreding van het Migratiepact op 12 juni 2026 al grotendeels invulling daaraan. Het is ongeveer tussen de 60% en de 80%.
Voorzitter. Via de complementaire procedure zijn de Nederlandse Staten-Generaal nadrukkelijk betrokken geweest bij dit Migratiepact. Het parlement heeft zich uitgesproken en heeft de regering meegegeven dat zij moest instemmen met dit pact. Ik heb hier nog een heel mapje, maar ik zal u een gedeelte van mijn spreektekst besparen. Ik gaf al aan dat ik in de stukken vooral ook mevrouw Karimi heel veel zie terugkomen. Ik zie heel veel collega's hier die heel druk doende zijn geweest met het Migratiepact en met al die regels daarin. Maar eigenlijk miste ik juist daar, op dat moment, de scherpte die ik vandaag in het debat hoorde, van: die Europese regels gaan straks gelden en dan móéten we daar iets mee en dan móéten we ze gaan invoeren. Die scherpte miste ik bij die complementaire behandeling, die eigenlijk een beetje achter de schermen plaatsvindt. Wel in het openbaar uiteraard, want alles is openbaar wat wij doen met de schriftelijke behandeling, zowel in Tweede Kamer als Eerste Kamer, maar er is geen debat meer over. Dat is pas als er een uitvoeringswet komt of, zoals in dit geval, er asielwetten op tafel liggen die in de mooie vorm een jaar eerder aangenomen hadden moeten worden. Dan pas krijg je echt een plenair debat waarin iedereen zijn zegje gaat doen.
Voorzitter. De nieuwe minderheidscoalitie van D66, CDA en VVD heeft ervoor gekozen — ik pak even een zijstraatje — om de Spreidingswet voorlopig in stand te houden, om zo een rechtvaardige verdeling over gemeenten te borgen. De BBB betreurt dit ten zeerste, maar constateert dat dit voor de steun van een aantal oppositiepartijen een politieke realiteit is. U zult begrijpen dat wij kritisch blijven op de uitwerking van deze wet. Want wat zien wij in de praktijk? Dat de lasten van opvang onevenredig drukken op kleinere gemeenten en plattelandsgemeenschappen, terwijl de grote Randstadsteden, met grote bevolkingsaantallen en een reeds aanwezige infrastructuur, relatief minder impact ervaren per inwoner. Laat ik dit concreet maken. In Zierikzee, met net 12.000 inwoners, op mijn prachtige eiland Schouwen-Duiveland, zijn 250 asielzoekers in de noodopvang geplaatst. Dat heeft een enorme impact op de gemeenschap. Dit is namelijk meer dan 2% van de bevolking in één keer. Dat raakt scholen, zorg, woningmarkt, veiligheid en de sociale cohesie. Vergelijk dit met een stad als Amsterdam, met bijna een miljoen inwoners, of Rotterdam, met bijna 700.000 inwoners, of Utrecht, met bijna 400.000 inwoners. Daar is de relatieve impact per inwoner fundamenteel anders. En dat is geen waardeoordeel over stad of platteland; dat is een kwestie van schaal, draagkracht en sociale structuur. In kleine gemeenschappen kent men elkaar. Veranderingen zijn er direct voelbaar. De absorptiecapaciteit, maatschappelijk, bestuurlijk en sociaal, is simpelweg anders dan in grootstedelijk gebied, gebieden die al decennialang gewend zijn aan migratiestromen. Anders is dit met de huisvesting van statushouders. Dat gaat op een veel geleidelijker schaal. Wel blijven wij van mening dat statushouders en eigen inwoners bij huisvesting op gelijke voet behandeld moeten worden. BBB vindt dat de Spreidingswet in zijn huidige vorm onvoldoende rekening houdt met die verschillen. Het is ook onbegrijpelijk dat dit door de nieuwe minderheidscoalitie niet gezien en erkend wordt. Wij blijven voorstander van een snelle intrekking van deze wet.
Voorzitter. Draagvlak is geen rekensom. Draagvlak laat zich niet afdwingen via een verdeelsleutel. Dat toonde ik net ook al aan bij die Spreidingswet. Noaberschap, oftewel nabuurschap, betekent ook rekening houden met de draagkracht van een gemeenschap. Wanneer inwoners het gevoel krijgen dat zij disproportioneel bijdragen aan een nationaal probleem, dan ontstaat vervreemding. Dat is precies wat wij in veel regio's zien gebeuren. De regio mag geen afvoerputje worden van landelijk beleid. Grip op instroom is daarom niet alleen een migratievraagstuk, het is ook een leefbaarheidsvraagstuk.
Mevrouw Van Toorenburg i (CDA):
Ik zit gewoon goed naar de heer Lievense te luisteren. Ik denk dat hij allemaal argumenten geeft vóór de Spreidingswet. Hij zegt dat hij dat niet een goede wet vindt, terwijl deze wet juist op al deze elementen is gebaseerd, namelijk: een goede verdeling; wat de draagkracht is van een gemeente; wat de economische status is; of ze het aankunnen; wat ze al doen. Dat zou dus toch juist betekenen dat alle gemeenten in Nederland, ook die grote steden, hun verantwoordelijkheid moeten gaan nemen? Daar wordt het juist op berekend.
De heer Lievense (BBB):
Met spreiden is niks mis. Ik gaf dat net ook al aan, hè. Ik gaf het verschil aan met een noodopvang, met 250 gewoon als minimum. Schouwen-Duiveland is een eiland met allemaal kleine dorpen. De stad Zierikzee heeft 12.000 inwoners. Dat noemen wij een "stad" bij ons. Het eiland eronder, Noord-Beveland, heeft zes kleine dorpen. Tholen ligt ernaast. Tholen-stad heeft rond de 7.000 inwoners. Dus wij hebben in dat gebied met elkaar gezegd: als het móét komen ... Want ook daar kenden wij natuurlijk in die tijd allang die aanwijsbevoegdheid van de minister. Er was nog geen Spreidingswet op het moment dat het besluit genomen was, er was wel allang een aanwijsbevoegdheid. Dus als het móét komen en wij zouden niet met een oplossing komen, dan ging de minister uiteindelijk een keer zeggen: "Dan komt die hier." En dan hadden we helemaal geen invloed. Wij hebben toen dus de koppen bij elkaar gestoken om het met elkaar te regelen. We hebben gezegd: nou, dan doen we het in de grootste kern. We hadden er liever 125 gehad, bijvoorbeeld, maar dat kon niet. We moesten er 250 nemen. We hadden bijvoorbeeld ook liever een grotere opgave in statushouders gehad, want bij statushouders gaat het veel geleidelijker. We hadden een andere verdeling dus beter kunnen managen dan dit. Overigens is het bij ons hartstikke goed gegaan, hoor, met de opening van de noodopvang, zal ik er gelijk maar bij vertellen.
Mevrouw Van Toorenburg (CDA):
Maar dit is de kern van de Spreidingswet: alleen als gemeenten er samen niet uitkomen, komt de minister. Overigens is de vraag dan wel: hoe? Dat blijft altijd ingewikkeld, want hoe ga je als minister een azc starten? Maar dat terzijde. Maar dat is precies wat er in deze gemeenschap is gedaan ...
De heer Lievense (BBB):
Nee, dit hebben wij samen ...
Mevrouw Van Toorenburg (CDA):
Men ging samen kijken ...
De heer Lievense (BBB):
Maar nu komt ie ...
Mevrouw Van Toorenburg (CDA):
Dat is ...
De voorzitter:
Sorry, maar u spreekt door elkaar heen.
De heer Lievense (BBB):
Tja, ik ben ook zó enthousiast!
De voorzitter:
Mevrouw Van Toorenburg maakt even haar vraag af.
Mevrouw Van Toorenburg (CDA):
Ik ken het, meneer Lievense! Het had mij kunnen overkomen.
Maar het is juist de hele strekking van de wet dat gemeenschappen denken: deze gemeente doet een beetje meer statushouders en wij doen een beetje meer Oekraïners. Alleen als het helemaal aan het eind allemaal niet lukt, zou de minister kunnen komen met een dwingende aanwijzing of een indeplaatsstelling. Maar ik vind het juist mooi dat de heer Lievense de hele Spreidingswet gewoon nog eventjes goed beargumenteert.
De voorzitter:
De heer Lievense, tot slot.
De heer Lievense (BBB):
Nee, dat doe ik niet, want wij hebben deze keuze gemaakt voordat de Spreidingswet er was. Maar vorige week kwam de vraag bij het gemeentebestuur van Schouwen-Duiveland binnen om nog eens 250 in de noodopvang te gaan plaatsen, terwijl er net één van 250 is geopend. Nou, dank u wel voor de Spreidingswet.
Mevrouw Van Toorenburg (CDA):
Dan zeg je nee.
De heer Lievense (BBB):
Ja, maar u weet hoe het werkt. Er wordt nu ook nee gezegd, maar alleen de vraag al. Alleen de vraag al.
De heer Van Hattem i (PVV):
Ja, alleen de vraag al. Heeft de heer Lievense van BBB die vraag ook gesteld aan de inwoners van Schouwen-Duiveland? Zaten zij te wachten op 250 asielzoekers op hun eiland? Of is dit ook weer door de gemeente neergelegd in de trant van "we moeten dit nu eenmaal omdat de minister het vraagt"? Er werd overigens net gezegd dat er een aanwijzingsbevoegdheid was, maar die was er juist niet, want er was destijds een discussie over de Noordoostpolder waarbij verondersteld werd dat die aanwijzingsbevoegdheid er was, maar die bleek niet te bestaan.
De heer Lievense (BBB):
Ik heb het over 2014.
De heer Van Hattem (PVV):
Ja, dat klopt. We hebben het over een paar jaar geleden. Maar er heeft nooit een aanwijzingsbevoegdheid bestaan. Daar werd mee gedreigd, maar die was er niet en veel gemeentes zijn daarin getrapt. Maar mijn vraag is: heeft u ook aan de inwoners gevraagd of zij zaten te wachten op die 250 asielzoekers?
De heer Lievense (BBB):
De vraag stellen is ook het antwoord krijgen. Wij zijn in overleg gegaan met de inwoners. Het is altijd stom om over jezelf te praten, maar op dat moment zat ik zelf in de gemeenteraad van Schouwen-Duiveland. Het is een kleine gemeenschap, dus je komt elkaar overal tegen. Dit komt ook gelijk in de krant en je gaat dan gelijk bij iedereen langs om te kijken hoe het valt. Dat is dus uw vraag. Dan is het antwoord dus: ja. Maar ik weet niet of dat uw vraag beantwoordt.
De voorzitter:
De heer Van Hattem, tot slot.
De heer Van Hattem (PVV):
Er werd inderdaad over gesproken, maar hebben de inwoners er ook echt iets over te zeggen gehad?
De heer Lievense (BBB):
Jazeker.
De heer Van Hattem (PVV):
Is er echt naar ze geluisterd? Als ze bijvoorbeeld hadden gezegd "nee, we willen het echt niet", zou er dan ook keihard zijn gezegd "nee, we doen het niet" in plaats van "tja, anders gaat de minister een al dan niet veronderstelde aanwijzingsbevoegdheid gebruiken"?
De heer Lievense (BBB):
Ik kan heel concreet ingaan op dit punt, maar er zijn twee verkiezingen overheen gegaan en alles is nog steeds hetzelfde. Het zal overal anders zijn, maar ik gebruikte het als voorbeeld om mijn betoog aan te kleden.
De voorzitter:
Ik denk inderdaad dat het zo voldoende is.
De heer Lievense (BBB):
Ik kan u er helemaal over bijpraten, hoor.
De heer Van Hattem (PVV):
Maar we zijn het er wel over eens dat die Spreidingswet zo snel mogelijk van tafel moet.
De heer Lievense (BBB):
Ja, daar zijn wij het nog steeds over eens. Ook met deze uitleg over hoe wij het zelf hebben gedaan, ben ik het er daar nog steeds met u over eens.
De Asielnoodmaatregelenwet en het tweestatusstelsel als noodzakelijke correctie zijn juist daarom vooruitlopend op het Migratiepact noodzakelijk: snellere procedures, heldere statusverschillen en effectievere terugkeer verminderen de druk op het systeem als geheel. Minder druk betekent minder noodopvang. Dat hoorde ik mevrouw Van Toorenburg namens het CDA ook al aangeven in haar betoog. Minder noodopvang betekent een minder onevenredige belasting van kleine gemeenten, is mijn betoog daarachteraan. Het tweestatusstelsel herstelt bovendien een onderscheid dat in veel andere Europese landen al gebruikelijk is. Ook dat heb ik al bij vele collega's gehoord. Tijdelijke bescherming moet ook daadwerkelijk tijdelijk zijn. Dat is eerlijk tegenover de samenleving en tegenover mensen die echt bescherming nodig hebben.
Voorzitter. De weg is ingezet met het Europees Migratiepact. De Spreidingswet blijft vooralsnog helaas in werking. Juist daarom is het van belang dat wij nu zorgen voor een beheersbaar, uitvoerbaar en rechtvaardiger asielstelsel. BBB kiest voor grip op instroom, een eerlijke verdeling met oog voor draagvlak, kracht en bescherming van de leefbaarheid van stad en platteland en voor beleid dat uitvoerbaar is, niet uit hardheid en niet uit polarisatie, maar uit verantwoordelijkheid voor heel Nederland.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan is het woord nu aan de heer Van der Goot. De heer Van der Goot is van de fractie OPNL.