Plenair Karimi bij behandeling Wet invoering tweestatusstelsel, Asielnoodmaatregelenwet en novelle aanpassing strafbaarstelling illegaal verblijf



Verslag van de vergadering van 14 april 2026 (2025/2026 nr. 26)

Status: ongecorrigeerd

Aanvang: 17.02 uur

Een verslag met de status "ongecorrigeerd" is niet voor citaten en er kan geen recht aan ontleend worden.


Bekijk de video van deze spreekbeurt

Mevrouw Karimi i (GroenLinks-PvdA):

Voorzitter, dank u wel. Ik dank de minister voor de beantwoording van alle vragen. Deze minister heeft meerdere keren tijdens zijn betoog gesproken over de keuze van dit kabinet als het ging om deze wetten. De wetten werden nadrukkelijk eigen gemaakt. Ik vind dat we vanaf nu de "Faber-wetten" moeten omdopen in de "Faber/Van den Brink-wetten", want in de afgelopen twee dagen is totaal eigenaarschap tentoongesteld.

Voorzitter. Ik heb twee belangrijke inhoudelijke punten. Het eerste punt is natuurlijk de discussie over de strafbaarstelling van illegaliteit. Om te beginnen heb ik eerst een feitelijke vraag over de slachtoffers van mensenhandel en vrouwenhandel. De minister zei: natuurlijk zijn zij niet strafbaar. Tijdens ons bezoek aan het Wereldhuis hier in Den Haag kwam dit onderwerp uitvoerig aan de orde. Er werd gezegd — dat is volgens mij ook door de minister herhaald — dat zolang de aangifte loopt en er onderzoek wordt gedaan, je een verblijfsvergunning krijgt. Zodra dat afgelopen is, word je eigenlijk aan je lot overgelaten. Dat werd tegen ons gezegd. Het is heel vaak heel moeilijk om na aangifte tot een vervolging over te gaan, omdat het heel moeilijke zaken zijn. Dat betekent dat mensen nadat ze het hebben aangedurfd om aangifte te doen heel vaak in een situatie terechtkomen waarin ze weer in de illegaliteit verdwijnen en ook nog eens bedreigd worden. Ik wil graag een heel helder en duidelijk antwoord van de minister dat dat niet zo is.

Volgens mij zijn wij allen hier in deze Kamer, of bijna allen, ongelukkig over het proces waarmee dat amendement in de Asielnoodmaatregelenwet is terechtgekomen. De novelle had duidelijkheid moeten geven. De novelle had in de tekst duidelijk moeten maken waar het over gaat. Dat is nu heel generiek geformuleerd. Wat ons betreft blijft het daardoor eigenlijk een slechte wet. De minister probeert nu die beperkingen helder te krijgen. Tijdens dit debat heeft hij heel veel dingen herhaald die ook al in de schriftelijke beantwoording van de vragen werden gezegd, maar hij heeft in heel duidelijke woorden benadrukt over wie het gaat. Als ik naar de minister luister, zou ik zeggen dat er niet veel is overgebleven van het oorspronkelijke PVV-amendement. Daar zijn we natuurlijk content mee. Maar het blijft onduidelijk wat bijvoorbeeld het moment is waarop iemand strafbaar is als diegene niet meewerkt aan de terugkeer. Wanneer is dat moment? Wat zijn de criteria voor het niet meewerken? De minister heeft één voorbeeld genoemd, namelijk als het land van herkomst iemand niet wil opnemen en diegene dus vrijwillig een document moet tekenen. Is dat het enige criterium of zijn er nog andere? Dat moet wel helder zijn; we moeten dat weten.

We willen sowieso deze wetten niet, maar het blijft voor ons nog steeds de meest koninklijke en wenselijke weg dat in ieder geval afgesproken wordt dat dat artikel niet in werking treedt totdat de Terugkeerverordening in behandeling wordt genomen, zoals de heer Dittrich bijvoorbeeld heeft voorgesteld, en dat in de wettekst de correctie plaatsvindt die dan moet plaatsvinden. De heer Dittrich zal daarom mede namens ons een motie hierover indienen.

Voorzitter. Ik hoop dat de hulpverleners en organisaties zich gehoord en gerustgesteld voelen als gevolg van dit debat. De afgelopen twee dagen zat John van Tilborg op de publieke tribune. Hij is de directeur van stichting INLIA. Ruim 30 jaar geleden heb ik als jonge student en nieuwkomer in de mooie stad Groningen stage gelopen bij INLIA. John was mijn stagebegeleider. Hij heeft zich zijn hele leven ingezet voor een rechtvaardig en barmhartig vreemdelingenbeleid. Ik blijf de gedachte ondraaglijk vinden dat mensen zoals John deelnemer of medeplichtig zouden zijn aan een misdrijf. Dat blijft steken. Dat is dus echt een weeffout in dit wetsvoorstel. We wachten natuurlijk ook nog een antwoord op de vragen over criminele organisaties af.

Dan ben ik bij mijn tweede belangrijke punt, namelijk gezinshereniging. Ik zet een aantal feiten op een rijtje. Er bestaan nu dus al twee statussen. Er zijn geen rechtsgevolgen voor dat verschil tussen die twee statussen, maar ik begrijp dat ook nu al de meeste besluiten die genomen worden eigenlijk B-statussen zijn. Dat wil ik graag bevestigd hebben door de minister. Die hebben geen rechtsgevolg, maar er wordt eigenlijk wel als B-status over besloten. Dat betekent dat de invulling van die statussen zoals die nu dus voorgesteld wordt, met vergaande rechtsgevolgen, enorm dramatisch zou zijn voor de uitvoering op het moment dat bestaande casussen ook nog onder deze nieuwe wet zullen vallen. Het is natuurlijk in eerste instantie dramatisch voor de mensen zelf, maar ook voor de uitvoering. Dat blijft voor ons dus echt een heel groot probleem.

Aan de cumulatieve eisen heb ik ook al een paar keer gerefereerd bij interrupties. Dat blijft ook een probleem. Dat is dus onwenselijk.

We hebben ook gesproken over het punt van het afwachten totdat prejudiciële vragen zijn beantwoord. Daarover wil ik graag een motie indienen.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat het Grondwettelijk Hof van België prejudiciële vragen heeft gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Unie over de verenigbaarheid van nationale maatregelen inzake gezinshereniging voor subsidiair beschermden met het Unierecht;

overwegende dat deze vragen onder meer betrekking hebben op:

  • de toelaatbaarheid van een onderscheid tussen vluchtelingen en subsidiair beschermden;
  • de verenigbaarheid van wachttijden en aanvullende voorwaarden met het recht op gezinsleven;
  • en de vraag of deze maatregelen, mede gelet op artikel 24 van het EU-Handvest van de grondrechten, leiden tot disproportionele en langdurige scheiding van gezinnen en onvoldoende recht doen aan het belang van het kind;

overwegende dat de beantwoording van deze vragen direct raakt aan de voorliggende Nederlandse wetgeving en dat het risico bestaat dat deze in strijd wordt bevonden met het Unierecht;

overwegende dat op grond van het Unierechtelijke loyaliteitsbeginsel, als bedoeld in artikel 4 lid 3 VEU, lidstaten gehouden zijn zich te onthouden van maatregelen die de werking en het gezag van het Unierecht, waaronder lopende prejudiciële procedures, ondermijnen;

overwegende dat inwerkingtreding van deze maatregelen voorafgaand aan het arrest van het Hof van Justitie kan leiden tot rechtsonzekerheid en mogelijk onomkeerbare gevolgen voor betrokken gezinnen;

verzoekt de regering om de maatregelen inzake de beperking van gezinshereniging voor subsidiair beschermden in elk geval niet eerder in werking te laten treden dan drie maanden na het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie naar aanleiding van deze prejudiciële vragen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Karimi, Van der Goot, Janssen, Visseren-Hamakers, Huizinga-Heringa en Nicolaï.

Zij krijgt letter J (36703, 36704, 36855).

Mevrouw Karimi (GroenLinks-PvdA):

Voorzitter. Het valt mij heel erg op dat het woord "gezinshereniging" hier eigenlijk angstvallig wordt gemeden. Zowel de minister als een paar van de fracties praten liever over "nareis". Nou, het gaat om gezinnen! Het gaat om kinderen, het gaat om ouders, het gaat om partners. Daar moeten wij het dan over hebben. Ik hoop dat iedereen zich dat realiseert.

Tot slot. Wij vinden het echt onacceptabel om mensen met dit soort maatregelen uit elkaar te houden en dus geen recht te gunnen. Deze maatregelen beloven grip op migratie; deze voorstellen zullen dat niet leveren. Dat betekent dat mensen weer beloftes te horen krijgen, beloftes die niet waargemaakt kunnen worden en die ook nog de hele uitvoering onder druk zetten. Het resultaat daarvan zal weer teleurstelling zijn. De maatschappelijke spanning waarvan de minister zegt dat hij daar iets aan wil doen, zal alleen maar toenemen.

Dank u wel, voorzitter.

De voorzitter:

Dank u wel. Ik geef nu graag het woord aan mevrouw Huizinga-Heringa van de ChristenUnie.