Verslag van de vergadering van 12 mei 2026 (2025/2026 nr. 28)
Status: gecorrigeerd
Aanvang: 17.20 uur
De heer Van Apeldoorn i (SP):
Dank, voorzitter. Wij spreken vandaag over de Wet chartaal betalingsverkeer en aanpassing van het toepassingsbereik van het bonusplafond. Ik merk hierbij op dat deze wet in de Tweede Kamer nog gewoon de Wet chartaal betalingsverkeer heette. Hierover vertel ik later uitgebreid meer. Ik begin toch heel kort met het eerste deel van de wet, zoals ingediend door de regering. Ik kan hier kort over zijn: de fracties van de SP en de Partij voor de Dieren kunnen de inhoud van het oorspronkelijke wetsvoorstel steunen. De SP heeft zich altijd sterk gemaakt voor het behoud van de mogelijkheid, wettelijk en praktisch, om met contant geld te kunnen betalen. Ook al is het digitale betalingsverkeer enorm toegenomen, er blijft een vrij grote groep, waaronder kwetsbare ouderen, die om volkomen legitieme redenen als privacy of het beter kunnen bijhouden van de uitgaven een voorkeur blijft houden voor het gebruik van contant geld. Vervolgens moeten winkeliers dit geld ook betaalbaar kunnen afstorten. Ook dat wordt in het wetsvoorstel geregeld.
Ik ga verder met het tweede deel van de naam waaronder deze wet op onze agenda staat. U vraagt zich misschien af: wat hebben die twee dan met elkaar te maken? Wat heeft een wet die de beschikbaarheid, bereikbaarheid en betaalbaarheid van contant geld regelt, te maken met bonussen voor bankiers? Dat is namelijk waar het tweede deel over gaat. Worden de bankiers straks in contanten uitbetaald? De bankiers, althans een grote groep werknemers in de financiële sector, mogen als deze wet straks wordt uitgevoerd weer onbeperkt bonussen ontvangen.
Ik stel de vraag dus ook maar aan de minister: wat is het inhoudelijke verband, anders dan dat het wetsvoorstel ook een wijziging van de Wet op het financieel toezicht behelst, tussen deze twee delen van het wetsvoorstel zoals dat hier voorligt? Vindt de minister met mij dat je zulke totaal verschillende zaken bij voorkeur niet in één wet zou moeten regelen? Mijn collega Martens maakte hier net ook al een aantal terechte opmerkingen over. Alleen al vanuit de zuiverheid van het wetgevingsproces, in dit geval ook bezien vanuit de Eerste Kamer als medewetgever, is dit niet wenselijk.
We weten allemaal hoe dit gedrocht van een wetsvoorstel is ontstaan: het waren de toen nog formerende partijen die het er heel slinks per amendement in gefietst hebben, overigens met steun van de minister, die het amendement volgens mij van harte oordeel Kamer gaf. Hierdoor worden wij als Eerste Kamer geconfronteerd met een wet die niet alleen het chartale betalingsverkeer regelt, maar tegelijkertijd via een achterdeur het sinds 2015 geldende bonusplafond niet langer van toepassing verklaart voor een grote groep grootverdieners in de financiële sector. Uit de beantwoording van de minister blijkt bovendien dat het bonusplafond nog maar geldt — collega Martens memoreerde dat net ook al — voor 2,5% van het personeel van de Nederlandse systeembanken. De overige 97,5% kan straks onbeperkt bonussen krijgen.
Dit was een van de eerste parlementaire daden van de coalitie. Wat de SP-fractie en de fractie van de Partij voor de Dieren betreft is dit helaas tekenend voor de prioriteiten van deze coalitie en dit kabinet: niet de bestrijding van kinderarmoede — die gaat immers niet verder omlaag, maar dreigt verder toe te nemen — niet het betaalbaar maken van de huren, niet het verhogen van het sociaal minimum, niet het verhogen van de salarissen van verpleegkundigen en anderen die zich een slag in de rondte werken in de zorg, maar het verhogen van de bonussen voor bankiers. Onze fracties vinden dit onbegrijpelijk. Naast onrechtvaardig is het bovendien onverstandig vanuit economisch oogpunt.
De vraag is al vaker gesteld, en ik stel 'm nog een keer: welke lessen hebben wij in dit land nu daadwerkelijk geleerd van de financiële crisis van 2008? Waarom werd dit bonusplafond voor bankiers destijds ingesteld? Ik citeer uit de memorie van toelichting van het wetsvoorstel uit 2014: "In de afgelopen jaren zijn in de financiële sector verschillende zaken misgegaan. Uiteindelijk zijn de klant en de samenleving daar de dupe van. Perverse beloningsprikkels worden wereldwijd gezien als één van de oorzaken van de financiële crisis." En: "Excessief variabel belonen is één van de oorzaken aan het ontstaan van de kredietcrisis." Gelden deze argumenten van toen dan niet meer, zo vraag ik de minister. Als de regering jarenlang zelf heeft verdedigd dat een streng bonusplafond perverse risicoprikkels beperkt, waarom wordt dit uitgangspunt dan nu verlaten? En ja, ik weet dat het amendement stelt dat het toepassingsbereik beperkt wordt tot degenen die het risicoprofiel van de onderneming wezenlijk beïnvloeden, maar weet de minister dan niet dat het probleem van destijds niet alleen de bonussen aan de top betrof, maar dat het de perverse prikkels waren die door de hele keten doorwerkten?
Met dit wetsvoorstel geldt straks voor 95% tot 98% van het personeel van financiële instellingen helemaal geen limiet meer voor variabel belonen. Dat vaak al heel goed verdienend personeel, of het nou een inkoopmanager is of een ICT-specialist, kan straks onbeperkt bonussen krijgen. Lijkt de minister dit gezond? Zou dit thuishoren in een gezonde bedrijfscultuur en een gezonde financiële sector? Kan de minister daarmee systemische risico's voor de hele financiële sector, en daarmee voor de hele economie, uitsluiten?
Wie bepaalt eigenlijk wie er binnen een bank onder het criterium van "een wezenlijke impact op het risicoprofiel" valt? In het schriftelijk overleg lezen wij dat het vooral aan een bank zelf is om dit te beoordelen, en dat DNB risicogebaseerd toezicht houdt. Dit antwoord stelt mijn fractie eerlijk gezegd niet gerust. Dat is een vorm van zelfregulering waarvan wij keer op keer hebben gezien dat die niet werkt in de financiële sector. Wie garandeert dat onbeperkte bonussen straks toch niet ook worden uitgekeerd aan diegenen die grote risico's voor hun bank, en daarmee mogelijk ook voor de samenleving nemen? Blijkt niet vaak pas achteraf dat er toch onverantwoord grote risico's genomen zijn, waarna de samenleving de rekening gepresenteerd krijgt, zoals in 2008 het geval was? Wat houdt het risicogebaseerd toezicht van DNB concreet in? Hoe kan worden voorkomen dat DNB in de praktijk niet ingrijpt omdat het de middelen daarvoor niet heeft, of pas als het te laat is? Graag een reactie van de minister.
Dan het argument dat als we banken niet de mogelijkheid geven om onbeperkt bonussen uit te keren, bankiers en aan te trekken personeel naar het buitenland vertrekken. Toenmalig minister-president Rutte had hier een duidelijk antwoord op. "Toedeledokie", zei hij over de bankiers die klaagden dat ze hier niet genoeg konden verdienen. Je zal het niet vaak van ons horen, maar hier had de toenmalige premier gewoon hartstikke gelijk: toedeledokie. We zouden ons als politiek niet moeten laten gijzelen door de bankenlobby.
Bovendien is er in dit geval ook helemaal geen bewijs dat dit hier aan de hand is, dat deze potentiële werknemers massaal zouden vertrekken naar het buitenland als we dat bonusplafond niet zo enorm versoepelen en dat het invoeren van onbeperkte bonussen dus het probleem van schaars personeel zou oplossen. Ook de recente evaluatie van de Wet beloningsbeleid financiële ondernemingen levert dit bewijs niet. Er is wel empirisch bewijs dat de bonuscultuur van voor 2008 mede heeft bijgedragen — ik noemde het net ook al — aan de financiële crisis. En toch krijgt de bankenlobby nu haar zin, nota bene via een wet die oorspronkelijk niets, maar dan ook werkelijk niets hiermee te maken had. Ook FNV Finance vraagt zich af voor welk probleem deze enorme verruiming van het bonusplafond nu eigenlijk een oplossing is. De harde kwantitatieve onderbouwing van de massale uitstroom of ernstige personeelstekorten ontbreekt. Overigens, niet alle bankiers stellen dat ze anders vertrekken. Triodos keert bijvoorbeeld helemaal geen bonussen uit en daar werkt het kennelijk prima. Ik hoor graag de reactie van de minister.
Voorzitter, ik rond af. Het doel van het oorspronkelijke wetsvoorstel, ervoor zorgen dat contant geld als betaalmiddel bruikbaar blijft — zo staat het in de memorie van toelichting — steunt de SP-fractie en ook de fractie van de Partij voor de Dieren van harte, maar het amendement van de coalitie heeft het voor onze fracties eerlijk gezegd danig verpest. Ik kijk desalniettemin uit naar de antwoorden van de minister.
Dank u, voorzitter.
De voorzitter:
Dank u, meneer Van Apeldoorn. Ik zie dat de heer Kroon nog een interruptie wil plegen. Gaat uw gang.
De heer Kroon i (BBB):
Ik denk: ik laat even het hele verhaal over me heen stormen. Het was gisteren windkracht 8 in Friesland en dat ervoer ik zojuist ook een beetje. Je durft op een verjaardagsfeestje van meneer Van Apeldoorn bijna niet meer te vertellen dat je bij een bank werkt, als ik het zo hoor. Ondertussen, meneer Van Apeldoorn — ik hoop dat u dat erkent — is de wereld wel veranderd twintig jaar later. We zijn ons allemaal bewuster in de maatschappij van de risico's en ik heb het idee dat dat bij banken en andere partijen ook zo is. Mijn eerste vraag aan u is: erkent u dat?
Twee. U bent nogal, laten we zeggen, consistent over wat bankiers allemaal niet meer zouden mogen omdat ze een systeemverantwoordelijkheid hebben, maar hebben de mensen van de NS ook geen systeemverantwoordelijkheid, hebben de mensen van de Gasunie ook geen systeemverantwoordelijkheid, hebben de mensen die werken bij de KLM ook geen systeemverantwoordelijkheid, en zou het hebben van een systeemverantwoordelijkheid dan betekenen dat we bij al die bedrijven het bonusbeleid wettelijk moeten vastleggen?
De heer Van Apeldoorn (SP):
Volgens mij waren dat meerdere vragen en opmerkingen ineen. Ik probeer ze even uit elkaar te trekken. Laat ik in de eerste plaats een misverstand wegnemen: de SP heeft niets tegen bankiers of mensen die bij financiële instellingen werken. Die leveren vaak heel goed werk. Waar wij wat tegen hebben, is de bonuscultuur zoals die bestond in de financiële sector voor 2008 en die nu, met deze enorme versoepeling van het beleid en de verruiming van het bonusplafond, dreigt terug te keren. Zoals ik al memoreerde gaat het bonusplafond zoals dat nu nog geldt, tot 20%, een variabele beloning van 20% ten opzichte van het vaste salaris, gelden voor slechts 2,5% van het personeel van financiële instellingen. Dat vinden wij een enorme verruiming.
Voor de rest — dat zijn soms ook mensen die echt al goed verdienen; dat kan tot vijf ton zijn op basis van het amendement — gaat dus gelden dat zij onbeperkte bonussen kunnen verdienen. Dan hebben we het dus over tonnen. Dan stelt mijn fractie dat je daarmee eigenlijk die bonuscultuur weer terugbrengt. Ik zou toch willen zeggen dat mensen in de financiële sector goed werk doen in het algemeen — althans, daar wil ik niet aan afdoen; het is niet zo dat alle bankiers fout zijn — maar dat we toch mogen hopen dat mensen dat goede werk niet alleen doen vanwege die financiële prikkels. We mogen toch hopen dat als je bijvoorbeeld al een salaris verdient van een paar ton en daarboven ook nog een bonus kan krijgen van 20%, dat dan genoeg zou zijn. Nogmaals, er is geen empirisch bewijs dat mensen anders massaal vertrekken naar het buitenland; dat was ook mijn eerdere punt.
Dan die kritieke infrastructuur. De heer Kroon noemt de NS en andere publieke diensten, of in ieder geval diensten die deels in overheidshanden zijn. Volgens mij worden dit soort bonussen daar niet uitgekeerd; daar was die bonuscultuur niet. Ik zou dat als voorbeeld willen nemen. Ik zou ook willen zeggen: als er sprake is van een kritieke infrastructuur, dan moeten wij daar als overheid de verantwoordelijkheid voor nemen. Dan is de oplossing niet meer markt en meer bonussen, maar dan is de oplossing regulering. Als wij in de financiële sector proberen — dat is het idee achter het amendement — om mensen aan te trekken, bijvoorbeeld gespecialiseerde ICT'ers, die kritieke infrastructuur gaan monitoren, of daar in ieder geval verantwoordelijk voor zijn bij die financiële instellingen, bestaat dan ook niet het gevaar dat we ze bijvoorbeeld gaan weghalen bij de andere sectoren die de heer Kroon net noemde? Denk aan de overheid, de Belastingdienst of ziekenhuizen, waar ook ICT-specialisten nodig zijn. Die ICT-specialisten werken ook zonder dat ze dat soort enorme bonussen uitgekeerd krijgen.
De voorzitter:
De heer Kroon heeft een korte vervolgvraag, waarop de heer Van Apeldoorn beknopt kan antwoorden.
De heer Kroon (BBB):
Soms zijn voorbeelden die je geeft niet zo handig. Ik noemde kritieke infrastructuur en ik noemde daarbij een aantal bedrijven waar inderdaad direct of indirect een overheidsaandeelhouder zit. Er zijn echter ook andere kritieke-infrastructuuractiviteiten in de maatschappij, waarbij de overheid niet per se direct of indirect een aandeelhouder is. Daar geldt dan toch hetzelfde voor? Mijn vraag is of meneer Van Apeldoorn vindt dat er voor activiteiten die kritiek zijn voor de maatschappij — niet voor de overheid, maar voor de maatschappij — wetgeving moet komen. Dan gaat het dus niet per se over staatsdeelnemingen of afgeleiden.
De heer Van Apeldoorn (SP):
Ik weet niet wat voor wetgeving de heer Kroon precies bedoelt. Ik zou in het algemeen het volgende willen zeggen. Als er sprake is van kritieke infrastructuur, zaken die kritiek zijn voor het functioneren van de hele economie en samenleving, heeft de overheid daarin een sterke rol te spelen. Dan moeten we niet zeggen: dan moeten we daar maar onbeperkt bonussen gaan invoeren, zodat we genoeg gekwalificeerd personeel aantrekken. Ik zou het eerder willen omdraaien. Als de stelling is dat financiële instellingen verantwoordelijk zijn voor die kritieke infrastructuur, is dat nog een extra argument om financiële instellingen direct onder overheidscontrole te krijgen. Wat niet failliet mag gaan, zou wat de SP betreft in de eerste plaats publiek moeten zijn en niet aan de markt overgelaten moeten worden.
De voorzitter:
Dank u zeer voor uw bijdrage, meneer Van Apeldoorn. Ik geef graag het woord aan de heer Van den Oetelaar. Hij spreekt namens de fractie van Forum voor Democratie.