Plenair Nicolaï bij behandeling Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026



Verslag van de vergadering van 19 mei 2026 (2025/2026 nr. 29)

Status: ongecorrigeerd

Aanvang: 11.00 uur

Een verslag met de status "ongecorrigeerd" is niet voor citaten en er kan geen recht aan ontleend worden.


Bekijk de video van deze spreekbeurt

De heer Nicolaï i (PvdD):

Dank u wel, voorzitter. Er is door de voorgaande drie sprekers eigenlijk een bijzonder indrukwekkend betoog gehouden, dat erop ziet dat wij als Eerste Kamer moeten waken voor de rechtsstatelijkheid. Daar ben ik blij mee. Er is gesproken over het ontbreken van overgangsrecht, over niet-verantwoorde aanscherpingen, over het opsluiten van kinderen en over delegatiebepalingen die volgens de juristen niet deugen. Ik sluit me daar namens de fractie van de Partij voor de Dieren bij aan. Ik wil die lat gebruiken om in concrete voorbeelden te toetsen hoe je tegen een aantal onderwerpen in deze wetgeving moet aankijken.

Hoe het ook zij, er wordt ook door de minister niet ontkend dat er meer beroepszaken komen, dat er kortere termijnen komen, dat er een grotere complexiteit komt en dat er nieuw recht komt waar iedereen zich opnieuw over moet gaan buigen. Dat heeft grote gevolgen voor de rechtspraak. Aan de gevolgen voor de IND en voor de advocatuur zijn door voorgaande sprekers al woorden gewijd. Ik wil het hebben over de gevolgen voor de rechtspraak. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en de Raad voor de rechtspraak hebben gewaarschuwd dat de uitvoeringslasten enorm zullen zijn. De Raad van State heeft de financiële gevolgen nog niet in kaart gebracht, de rechtspraak wel. In de memorie van toelichting worden cijfers genoemd die inmiddels alweer achterhaald zijn als je kijkt naar de laatste brief van de Raad voor de rechtspraak. In die laatste brief gaat het volgens de raad om meer dan 54 miljoen per jaar, terwijl andere werklasten, die moeilijk becijferd konden worden, nog niet eens zijn meegenomen. Het gaat om gevolgen voor de personele capaciteit, de organisatorische gevolgen, scholing en ICT-systemen.

De regering erkent die toename, maar zegt anderzijds dat de exacte gevolgen nog moeilijk te preciseren zijn. Ik citeer. "Vanuit het ministerie komen de nodige financiële middelen beschikbaar om de gevolgen te mitigeren." "Te mitigeren." De betekenis van "mitigeren" is verzachten, matigen. Dat door het ministerie niet al op voorhand wordt toegezegd dat de financiering van de extra werklast voor de rechtspraak volledig zal worden opgevangen, belooft weinig goeds. Bovendien blijft het de vraag of er wel voldoende deskundige juristen zullen zijn te vinden om het extra werk te kunnen verrichten. Als die zekerheid er niet is, staat de uitvoerbaarheid van de wetgeving op de tocht.

Onze vragen aan de minister. Vraag één. Kan de minister toezeggen dat de financiering van de extra uitvoeringslasten volledig zal worden gerealiseerd? De tweede vraag. Waarop is de verwachting gebaseerd dat de rechtbanken en de Raad van State in staat zullen zijn om de benodigde personele capaciteit op korte termijn uit te breiden? In de memorie van toelichting is aangegeven dat het ministerie "in gesprek blijft over de uitvoerbaarheid van de regelgeving en de daartoe benodigde middelen en maatregelen". "In gesprek blijft." Vraag drie. Kan de minister toezeggen dat hij de Kamer over de uitkomsten en de voortgang van die gesprekken nog dit jaar nader informeert?

Voorzitter. De kwestie van de mogelijke overbelasting van de rechtspraak is temeer van belang omdat een aantal voorschriften van het ontwerp meebrengen dat de termijn waarbinnen de rechter uitspraak moet doen wordt verkort. Kennelijk wordt dat gezien als een stap die leidt tot verkorting van de hele procedure. Maar wat zijn de gevolgen? Laten we daar eens even naar kijken. Wat zijn de gevolgen als de rechter niet binnen de wettelijke termijn uitspraak doet wanneer deze rechter te kampen heeft met een niet te dragen taakverzwaring omdat uitbreiding van de personele capaciteit feitelijk niet mogelijk is gebleken of de financiële middelen daarvoor niet zijn toegekend? Nu komt het. In het algemeen geldt dat als het de rechter niet lukt om binnen de termijn uitspraak te doen, er geen juridische gevolgen zijn. Voor bestuursrechtjuristen is dat normaal, maar een aantal hier aanwezigen kijken daar wellicht van op. Zo bezien is de suggestie dat kortere uitspraaktermijnen in de wet vanzelf leiden tot verkorting van de procedure een dode mus. Mijn vraag aan de minister, vraag vier: erkent de minister dat voor alle beroepen, anders dan bij vreemdelingenbewaring, geldt dat met het verkorten van de uitspraaktermijnen niet kan worden afgedwongen dat de procedure wordt bekort?

Voorzitter. Het ontwerp kent op dit punt niet alleen dode mussen, maar ook een akelige roofvogel. Als namelijk beroep is ingesteld tegen de beschikking tot vreemdelingenbewaring, heeft het overschrijden van de uitspraaktermijn door de rechter wél consequenties. Die gevolgen zijn niet mals. Als het de rechtbank als gevolg van overbelasting niet lukt om binnen de wettelijke uitspraaktermijn op zo'n beroep te beslissen, wordt volgens artikel 94, vijfde lid, van het ontwerp "de vrijheidsontnemende maatregel onmiddellijk opgeheven". Dat is een vergaand gevolg. Dat maakt duidelijk dat de minister met vuur speelt als hij niet bereid is om de taakverzwaring van de rechtspraak volledig te financieren. Vraag vijf aan de minister: ziet onze fractie het goed dat als de rechtbanken niet in staat worden gesteld om de taakverzwaring op te vangen en als gevolg daarvan uitspraaktermijnen niet kunnen halen, een in bewaring genomen vreemdeling als gevolg daarvan uit detentie zal moeten worden ontslagen? Ik ben benieuwd naar het antwoord van de minister, want zo'n gevolg zou toch wel bizar zijn.

Op twee andere punten getuigt het ontwerp van voorstellen die bij nadere beschouwing ook enigszins bizar overkomen. Om te beginnen de regeling van de beroepstermijn die de vreemdeling in acht moet nemen. Artikel 67 van de Procedureverordening geeft aan dat de termijn voor het indienen van beroep minimaal twee weken en maximaal een maand mag bedragen. Dat is de bandbreedte. De huidige beroepstermijn in de Vreemdelingenwet bedraagt vier weken, wat al korter is dan de zes weken die volgens de Algemene wet bestuursrecht voor alle beroepen geldt. Die termijn van vier weken wordt nu in het wetsvoorstel ineens gehalveerd met als argument dat dit de doorloop in de asielketen zou bevorderen: twee weken. De Nederlandse Orde van Advocaten heeft aangegeven dat het een advocaat van een vreemdeling alleen al meer dan een week kost om zijn schriftelijke advies over wel of niet in beroep gaan met zijn cliënt te delen: het moet met de post, die post komt ergens bij een opvanglocatie, dan moeten er afspraken gemaakt worden waar kaartjes voor moeten worden besteld, enzovoort. De halvering van de beroepstermijn naar twee weken is in dat licht al, naar mijn oordeel, onaanvaardbaar.

Hoe gaat dit in de praktijk? Er zitten hier meerdere juristen die weten hoe dat gaat. Wie een bizar korte termijn krijgt om in beroep te gaan, neemt het zekere voor het onzekere en stelt meteen pro forma beroep in en ziet dan later wel of dat beroep kan worden gehandhaafd. Wat is dus het gevolg van die verkorting? Die verkorting leidt in de praktijk tot meer rechtszaken. En meer rechtszaken betekent meer oponthoud en meer financiële gevolgen en een belasting van de hele keten. Mijn vraag aan de minister is of hij nog eens kan uitleggen wat die halvering van de beroepstermijn voor winst oplevert. Ik zie dat niet, de Raad van State ziet dat niet en de Nederlandse Orde van Advocaten ziet het ook niet. Als de minister het wel ziet, dan hoor ik graag wat hij dan ziet.

Een ander bizar punt betreft de regeling van de juridische counseling. Artikel 16 van de Procedureverordening bepaalt dat lidstaten kosteloze juridische counseling moeten bieden tijdens de administratieve procedure. Die dienst omvat begeleiding bij en de uitleg over de administratieve procedure met inbegrip van informatie over rechten en plichten én bijstand bij de indiening van het verzoek van die vreemdeling. In feite gaat dit dus om rechtsbijstand buiten de beroepsfase. Terecht heeft de Raad van State opgemerkt dat de lidstaten er ook voor mogen kiezen om tijdens de administratieve fase kosteloze rechtsbijstand aan te bieden. Daarom stelt de Nederlandse Orde van Advocaten ook voor om deze kwestie te regelen in de Wet op de rechtsbijstand, waarin uitvoering wordt gegeven aan artikel 18 van de Grondwet, onze Grondwet, die het grondrecht van recht op bijstand regelt.

De Raad van State heeft ook geoordeeld dat — ik citeer — "het met het oog op het primaat van de wetgever nodig is dat de regeling van de juridische counseling op hoofdlijnen op wettelijk niveau wordt vastgelegd". Anderen zijn daar ook al op ingegaan. In het ontwerp is dat advies genegeerd, want de regeling van die counseling wordt op het laagste niveau vastgesteld: niet bij wet, wat de Raad van State eigenlijk vereist, niet bij algemene maatregel van bestuur, maar door het ministerie zelf. Sterker nog, in een brief aan de Tweede Kamer zijn meteen de asieladvocaten buitenspel gezet. Ik citeer: "De uitvoering van deze taken zal niet aan de asieladvocatuur worden gevraagd." Dat is het standpunt van de minister. En nu komt het, want de minister sluit die brief af met een onheilspellende zin, luidende: "Gelet op het voorgaande heb ik de IND gevraagd de uitvoering van deze taken op zich te nemen." Lezen we hier dat de IND, dus de tegenspeler van degene die asiel vraagt de taak gaat krijgen om de asielzoeker bij te staan en te informeren? Dat zou toch wel heel bizar zijn. Ik zie de minister al nee knikken. Mijn vraag aan de minister, vraag zeven, is: is het echt het voornemen van de minister om die taken bij de IND te beleggen? Zo ja, hoe verdraagt zich dat met de tekst van artikel 19 van de Procedureverordening?

Dan vraag acht. Als het de bedoeling is, en dat hoop ik dan maar, dat de IND niet zelf die taken mag gaan uitvoeren, maar wel zelf mag gaan beslissen wie als counselor mag optreden, is dat dan niet ook wat bizar? Dan ga je namelijk in feite je tegenspeler het recht geven om de rechtsbescherming te regelen.

Voorzitter. Tot slot kom ik bij een belangrijk onderwerp uit het ontwerp, waarbij iedere bestuursrechtjurist z'n wenkbrauwen zal fronsen, namelijk het schrappen van de voornemenprocedure, omdat daarmee winst zou worden geboekt in het kader van het verkorten van de procedure. We, anderen, hebben het hier over the rule of law gehad. We hebben het over de rechtsstaat gehad. Het verdedigingsbeginsel is een van de oudste rechtsbeginselen dat in de literatuur en de rechtsspraak als rechtsbeginsel is erkend tussen burger en overheid. Nog voordat de artikelen 4.7 en 4.8 in de Algemene wet bestuursrecht, waarin de hoorplicht is geregeld, in die wet kwamen te staan, werd het verdedigingsbeginsel in de rechtspraak allang erkend en toegepast als rechtsbeginsel.

In het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie vinden we dat beginsel in artikel 41 verwoord, maar het werd in 1979 al als rechtsbeginsel door de Europese rechter erkend, in een arrest dat tot de basisstof voor rechtenstudenten behoort. Het rechtsbeginsel houdt niet alleen in dat de burger gelegenheid moet krijgen om zijn standpunt toe te lichten, maar vooral — en nu komt het — ook om zich te verdedigen tegen het voorgenomen oordeel van het bestuur, als dat zou leiden tot een voor hem nadelige beslissing.

Voorzitter. De hoorplicht, ook in dit ontwerp, geldt gewoon uit hoofde van de procedureverordening. Daar ontkomt de IND niet aan, ook al staat in het ontwerp dat de artikelen 4.7 en 4.8 Awb niet in acht hoeven worden genomen. Ik noem twee artikelen. In artikel 11 van de procedureverordening wordt voorgeschreven dat er een persoonlijk onderhoud over de ontvankelijkheid dient plaats te vinden en in artikel 12 is een persoonlijk inhoudelijk onderhoud voorgeschreven.

Een bestuursrechter die zal moeten controleren of aan die verplichtingen is voldaan, ontkomt er niet aan om na te gaan of met de verzoeker is besproken welke weging de IND in zijn hoofd heeft en of de verzoeker de gelegenheid heeft gekregen daarop te reageren. Dat maakt immers onderdeel uit van de toepassing van dat verdedigingsbeginsel als rechtsbeginsel dat de rechter in acht zal moeten nemen. Als de IND ertoe neigt om de aanvraag niet-ontvankelijk te verklaren op een van de in artikel 38 bepaalde gronden voor niet-ontvankelijkheid, dan zal dat aan de orde moeten worden gesteld en zal aan de verzoeker moeten worden gevraagd op welke gronden hij meent dat die niet-ontvankelijkheid niet aan de orde is. Als je artikel 11, tweede lid, van de procedureverordening leest, dan staat dat daar ook gewoon. In het inhoudelijke gesprek tijdens het horen zal aan de orde moeten komen dat en waarom er volgens de IND onvoldoende grond is voor toewijzing van het verzoek en zal de verzoeker gevraagd worden, daarop te reageren.

Voorzitter. Als dat het spel is dat moet plaatsvinden, is dat exact wat de voornemenprocedure voorschrijft. Als die geschrapt wordt uit de wet, dan zal de rechter in het kader van de toetsing van het in beroep bestreden besluit aan het verdedigingsbeginsel het proces van vraag en antwoord doorlopen, dat anders vooraf in de voornemenprocedure zou hebben plaatsgevonden. Het gevolg van het schrappen van die procedure zal dan zijn dat besluiten door de rechter zullen worden vernietigd als bij de toepassing van artikel 11 en 12 van de procedureverordening dat proces van vraag en antwoord achterwege is gebleven en de verzoeker dus in zijn rechten van verdediging is geschaad.

Voorzitter. Dat gevolg is zowel door de Raad van State als door de Nederlandse Orde van Advocaten goed beargumenteerd beschreven. Het schrappen van de voornemenprocedure zal niet leiden tot tijdwinst en het verkorten van de procedure; integendeel. Sterker nog, ook de IND wordt geschaad.

Ik wil tot slot toch nog citeren uit de brief van de Nederlandse Orde van Advocaten, want daarin wordt heel helder uitgelegd wat er gebeurt als de voornemenprocedure geschrapt wordt. "Het werk wordt bovendien voor de IND niet minder. Want als de IND de visie en nadere toelichtingen of argumenten die thans op een presenteerblaadje worden aangeleverd in de zienswijze niet in de bestuurlijke fase verneemt, dan zal de IND die ten minste vernemen in de gerechtelijke fase, en alsnog daarop moeten reageren. Kortom, voor zover er al tijdwinst te boeken zou zijn, gaat deze direct weer verloren in de beroepsfase. De adviescommissie is er, op basis van de kennis die zij heeft van het proces waarin de asieladvocatuur naast de IND de grootste speler is, van overtuigd dat het afschaffen van de voornemenprocedure niet zal leiden tot tijdwinst, maar juist tot tijdverlies. Immers, wanneer direct na het voornemen de zienswijze wordt ingediend, staat bij de beslisambtenaar die moet reageren op die zienswijze het hele dossier nog scherp op het netvlies. Maar als de informatie die te vinden is in de zienswijze pas ter kennis komt van de IND in de beroepsfase, zal dit moeten worden beoordeeld door iemand die nog niet is ingewerkt, van een andere afdeling van de IND."

Voorzitter, ik sluit af met mijn laatste vraag aan de minister. Is de minister met het oog hierop bereid om af te zien van de inwerkingtreding van de voorschriften van het ontwerp die betrekking hebben op het schrappen van de voornemenprocedure en om met spoed een wetsvoorstel in te dienen waarbij die voorschriften worden ingetrokken? Ik zeg u meteen dat ik op dat punt een motie overweeg. Ik zie met belangstelling de beantwoording van de vragen tegemoet.

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan geef ik graag het woord aan de heer Janssen van de SP.