Plenair Thijssen bij behandeling Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026



Verslag van de vergadering van 19 mei 2026 (2025/2026 nr. 29)

Status: ongecorrigeerd

Aanvang: 9.32 uur

Een verslag met de status "ongecorrigeerd" is niet voor citaten en er kan geen recht aan ontleend worden.


Bekijk de video van deze spreekbeurt

Mevrouw Thijssen i (GroenLinks-PvdA):

Dank u wel, voorzitter. Voordat ik inga op het Migratiepact wil mijn fractie eerst stilstaan bij de gebeurtenissen in Loosdrecht afgelopen week. De gewelddadige rellen rond de komst van een asielzoekerscentrum hebben namelijk diepe indruk op ons gemaakt, maar ook op de stille meerderheid van Nederland. Intimidatie, brandstichting en hulpverleners de toegang blokkeren hebben niks met protest en demonstratierecht te maken; dat is volstrekt onacceptabel. Mijn vraag is niet alleen of de minister deze gebeurtenissen ondubbelzinnig veroordeelt, ik wil ook horen welke acties hij onderneemt om toekomstige gewelddadigheden tegen azc's te voorkomen. Ziet de minister dat voortdurende politieke escalatie, het ophitsen en het structureel neerzetten van migratie als crisis het risico vergroten dat maatschappelijke spanningen verder ontsporen? Graag een reactie.

Voorzitter. Onze partij is altijd een voorstander geweest van een Europees migratiepact dat zorgt voor snelle en zorgvuldige procedures aan de buitengrens, voor effectieve terugkeer van wie veilig terug kan en voor een evenredige verdeling tussen de lidstaten van wie kansrijk is. We zijn altijd voor een migratiepact geweest dat vergaande harmonisatie van Europese asiel- en migratiewetgeving organiseert met respect voor het Vluchtelingenverdrag, voor mensenrechten en ook voor medemenselijkheid. Wat ons betreft is de kernvraag van vandaag: wordt de beoogde harmonisatie, solidariteit en effectiviteit daadwerkelijk bereikt met het omvangrijke pakket dat vandaag voorligt?

Ik wil vandaag een soort doelmatigheidstoets voorhouden. Daarnaast heeft mijn fractie vanzelfsprekend ook de uitvoerings- en implementatiewet bekeken door de lens van de andere toetsen die in dit huis ons handelen bepalen. Daarbij ga ik kijken naar de rechtmatigheid: voldoet het pact aan internationale verdragen en wordt de rechtsbescherming van vluchtelingen, en in het bijzonder van kinderen, geborgd? Ik ga ook kijken naar de uitvoerbaarheid: zijn de uitvoerende organisaties in de asiel- en migratieketen voldoende toegerust om de grootste stelselwijziging in 25 jaar tijd goed te kunnen implementeren?

Dit leidt tot de volgende opbouw van mijn betoog. Ik zal eerst gaan stilstaan bij de beoogde doelen van het pact, dus harmonisatie en solidariteit. Daarna ga ik in op twee inhoudelijke punten die raken aan de rechtmatigheidstoets, namelijk gezinshereniging en kinderdetentie. Ik rond af met de vraag of de uitvoerende partijen in de asielketen klaar zijn voor de inwerkingtreding van het pact op 12 juni aanstaande.

Voorzitter. Ik zal beginnen met de hoofddoelen van het Migratiepact, namelijk harmonisatie van het Europese asielsysteem. Dat is een van de doelen. Voor ons is dit altijd een van de belangrijkste redenen geweest om voor een migratiepact te zijn, want voor een vraagstuk dat letterlijk en figuurlijk grensoverschrijdend is, is Europese samenwerking een noodzakelijke voorwaarde om te komen tot een rechtvaardig, effectief en ook duurzaam systeem. Maar in de gekozen opzet van dit Migratiepact wordt het idee van standaardisering eigenlijk al direct op de proef gesteld. Lidstaten krijgen namelijk ruime mogelijkheden om binnen bandbreedtes eigen keuzes te maken, waardoor verschillen blijven bestaan en zelfs kunnen worden vergroot. Nederland maakt binnen deze bandbreedtes veelal de keuze voor een contraproductieve invulling.

In december 2024 schreef toenmalig minister Faber het volgende. "Waar de verordeningen nog ruimte laten voor nationale keuzes, of met het oog op nadere invulling van de regels, kiest het kabinet voor een stringente interpretatie van de Unieregels. Zoals opgenomen in het regeerprogramma is het richtpunt van het kabinet dat Nederland structureel zal behoren tot de categorie lidstaten met de strengste toelatingsregels in de EU, en worden de asielprocedures verkort en versoberd tot het Europese minimum." Nederland positioneert zich hiermee in de Europese kopgroep van lidstaten die hardvochtig implementeren en daarmee wordt dus afgeweken van een evenwichtige Europese middenkoers.

Nederland heeft hierbovenop ook nog allemaal aanvullende nationale maatregelen opgenomen die juist niet voortvloeien uit de Europese verplichtingen en waarvan de rechtmatigheid en de uitvoerbaarheid ook nog eens twijfelachtig zijn. Ik denk hierbij aan maatregelen die gezinshereniging beperken, aan mogelijkheden om kinderen in detentie te stoppen en het afschaffen van de verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd. Ik zal zo inhoudelijk ingaan op deze punten, maar voor nu mag het duidelijk zijn dat dit soort nationale koppen met het doel om harmonisatie te bespoedigen dit doel juist ondergraven.

Nederland gebruikt het Europese project dus voor het eigenbelang in plaats van het te benutten voor het gezamenlijke belang binnen de Europese Unie. Hoewel in algemene zin duidelijk mag zijn dat ruime bandbreedtes en nationale koppen niet voor harmonisatie zorgen, had ik in de voorbereiding op dit debat behoefte gehad aan een verfijnder beeld van de mate waarin Europese standaardisering plaatsvindt en hoe Nederland zich hierbinnen positioneert. Ik heb in de schriftelijke vragenronde daarom gevraagd om een volledige tabel op te nemen waarmee per lidstaat inzichtelijk wordt gemaakt in hoeverre nou van die bandbreedtes gebruik wordt gemaakt en in hoeverre daar nog nationale koppen bovenop worden gezet. Ik heb ook gevraagd om extra te kijken hoe zich dat verhoudt tot de punten die ik net noemde, zoals snelle procedures, kinderrechten en gezinshereniging.

Ik heb die tabel niet gekregen. Dat komt omdat die niet beschikbaar was. Ik snap dat de beantwoordingstermijn te kort was om dat zelf te gaan uitzoeken. Het is natuurlijk verleidelijk om hier nu een heel groot verhaal te houden over hoe dit hele wetgevingsproces is verlopen, dat er inderdaad te weinig tijd was voor een zorgvuldige behandeling en dat het ook een rommelig proces was vanwege al die interfererende wetten, maar dat ga ik niet doen. Ik wil wel alsnog vragen om die tabel te overhandigen. Als dat niet op korte termijn kan, dan houd ik daar interesse in, ook als dit pact mogelijk zal worden aangenomen volgende week.

Voorzitter. Naast harmonisatie was er voor mijn partij altijd een tweede reden om voorstander te zijn, namelijk de erkenning dat er een gezamenlijke verantwoordelijkheid bij de lidstaten ligt om het grensoverstijgende fenomeen migratie in goede banen te leiden. Aangezien sommige landen door hun ligging behoorlijk in de wind staan, meer dan andere, vindt onze fractie de verplichting tot het bieden van solidariteit binnen de asiel- en migratiebeheerverordening van grote toegevoegde waarde. Dankzij deze verordening komt er namelijk een solidariteitsmechanisme en dat is nodig om migratie op een goede en eerlijke manier op ons continent te kunnen verdelen.

Maar solidariteit is niet alleen binnen migratie van belang. Juist in deze geopolitiek woelige tijd is Europese solidariteit van levensbelang. Een sterk Europa kan alleen bestaan als lidstaten bereid zijn om elkaar ook op moeilijke dossiers vast te houden. Solidariteit is geen vrijblijvende keuze die alleen geldt wanneer het politiek goed uitkomt. Als lidstaten zich op zo'n fundamenteel onderwerp als migratie niet solidair opstellen, dan werkt dat onvermijdelijk door op andere dossiers waarin wederzijdse solidariteit cruciaal is. Ik denk dan bijvoorbeeld aan veiligheid, defensie en economische stabiliteit. Ook daarom is het dus zorgelijk dat Nederland er bij het migratievraagstuk voor kiest om de solidariteit af te kopen, terwijl de Europese Commissie zelf stelt dat de migratiedruk daarvoor helemaal niet hoog genoeg is. Hier zien we dat Nederland voor een eigen interpretatie en een eigen invulling kiest. Dit ondermijnt de doelen van het oorspronkelijke pact.

Ik heb twee vragen over dit solidariteitsmechanisme. Allereerst, de minister verwacht dat de instroom in Nederland door alle migratiemaatregelen gaat afnemen, al weten we dat niet zeker. De vraag is: bij welke instroom vindt de minister het geoorloofd om te stoppen met de afkoop? Dan mijn tweede vraag. Is de minister van mening dat de afkoop ondermijnend werkt voor het doel van meer Europese solidariteit en gedeelde verantwoordelijkheid? Zo ja, bij hoeveel lidstaten die kiezen voor afkoop, valt het solidariteitsmechanisme ineen?

Dan ga ik over naar de rechtmatigheidstoets. Ik startte mijn betoog met het feit dat wij altijd voor een migratiepact zijn geweest, waarbij maatregelen het Vluchtelingenverdrag, mensenrechten en medemenselijkheid respecteren. Toen de fracties van GroenLinks en de PvdA in het Europees Parlement over het Migratiepact stemden, waren we eigenlijk best wel tevreden over verschillende onderdelen van dit grote pact, bijvoorbeeld de hervestigingsverordening. Die regelt namelijk dat er veilige, legale routes voor kwetsbare vluchtelingen worden gestimuleerd. Dat is nodig tegen het verdienmodel van mensensmokkelaars en het zorgt er hopelijk ook voor dat minder mensen de oversteek wagen in gammele bootjes.

Er waren ook onderdelen binnen het pact waar onze fracties destijds meer moeite mee hadden. We zijn bijvoorbeeld nooit voorstander geweest van de asielprocedureverordening. Daarin zit namelijk een verplichte asiel- en terugkeergrensprocedure, die ervoor kan zorgen dat gezinnen met kinderen systematisch en langdurig worden vastgezet aan de buitengrenzen. Ook met de Eurodacverordening hebben we altijd moeite gehad. Die verhoudt zich ook slecht tot kinderrechten, want de leeftijd voor biometrische gegevensverzameling wordt hierin verlaagd van 14 naar 6 jaar. Bovendien kunnen straks gegevens ook gebruikt worden door politie en justitie voor opsporingsdoeleinden, zonder dat er sprake is van concrete verdenkingen of van een strafrechtelijke veroordeling.

Mijn vraag is: verschuift de database dan niet van een asielinstrument naar een bredere opsporingsdatabase? Daarmee zou namelijk het punt verzwakt worden dat het Europese Eurodacdatasysteem het doel heeft om samen verantwoordelijkheid te nemen voor het behandelen van asielaanvragen en te kijken welk land die verantwoordelijkheid dan ook op zich moet nemen. Is hier niet eigenlijk gewoon sprake van doelverschuiving? Mijn concrete vraag is: kan de minister ingaan op de vraag of hier sprake is van een doelverschuiving of van function creep?

Dan is er ook nog een derde onderdeel waar onze fracties nooit heel gelukkig mee zijn geweest, namelijk de Crisisverordening. Grensprocedures kunnen in tijden van crisis namelijk heel erg lang duren. Alle asielzoekers in deze procedures kunnen dan ook heel lang worden vastgezet. Wij vrezen daarom dat door deze verordening het risico toeneemt dat kansrijke asielzoekers teruggestuurd gaan worden naar landen waar zij mogelijk voor hun leven moeten vrezen.

Ik zei al dat ik de rechtmatigheidstoets wilde toepassen op vooral twee punten, namelijk gezinshereniging en kinderdetentie. Daar gaat mijn betoog nu over. Ik wil terug naar de onderdelen waar onze partij in eerste instantie wel positief over was, maar waar die positiviteit nu ver te zoeken is. In het Europees Parlement stemden de GroenLinks- en PvdA-fracties namelijk niet alleen over de asiel- en migratiebeheerverordening en de asielprocedureverordening. We hebben destijds ook voor de Opvangrichtlijn en de Kwalificatieverordening gestemd. Wij waren voor de Kwalificatieverordening, omdat die de huisvesting voor mensen die recht hebben op bescherming zou verbeteren. Een verblijfsvergunning zou sneller afgegeven worden en, heel belangrijk, het recht op een gezinsleven zou beter worden. Dat komt ook door de verplichte afgifte van vergunningen aan familieleden.

Wij waren ook altijd een voorstander van de Opvangrichtlijn. Daar hebben we ook in het Europees Parlement voor gestemd. Dat kwam door het principiële verbod dat daarin stond om kinderen in detentie onder te brengen. In deze verordening en deze richtlijn werden kinderrechten en het recht op gezinshereniging dus geborgd, maar wat zien we nu in de implementatiewetgeving gebeuren? Er is besloten om precies op deze twee onderdelen nationale koppen te zetten. Nederland kiest er dus voor dat kinderen in detentie terecht kunnen komen, en de mogelijkheid tot gezinshereniging wordt juist beperkt. Op deze twee punten doorstaat de implementatiewetgeving wat onze fractie betreft de toets op rechtmatigheid niet.

Hoe zit dit, wat is hier nou gebeurd? We zien dat de Faberwetten een plek hebben gekregen in de implementatiewetgeving van het Migratiepact. Dat is de Asielnoodmaatregelenwet, inclusief de novelle die een maand geleden in dit huis is weggestemd. Cruciale onderdelen van deze wetten zitten gewoon nog in het Migratiepact waar we vandaag de dag over spreken. Het gaat dan om zaken als het inkorten van de geldigheidsduur van een asielvergunning van vijf naar drie jaar, het afschaffen van de asielvergunning voor onbepaalde tijd en het afschaffen van de voornemenprocedure, maar het gaat dus ook nadrukkelijk om de maatregel om gezinshereniging bij nareis te beperken tot het kerngezin. Daar hebben we vier weken geleden uitvoerig over gedebatteerd en de minister zei toen, in het debat over die Faberwetten, "tegelijkertijd erken ik volmondig dat de nareisbeperkingen niet strekken uit het Europees Migratiepact". In dat debat werd ook het fabeltje eindelijk uit de lucht gehaald dat het tweestatusstelsel zoals Nederland daar invulling aan geeft, een verplichting is uit het Migratiepact.

Als het gevolg van het tweestatusstelsel wordt gezinshereniging voor nareizende gezinsleden van oorlogsvluchtelingen praktisch onmogelijk gemaakt. Met de wachttermijn van twee jaar en eisen die gesteld worden aan inkomen en huisvesting wordt de lat onbereikbaar hoog gelegd. Ik wil weten waarom het eigenlijk nuttig is om ouders en kinderen lang van elkaar te scheiden. Wat winnen we ermee als ouders de oorlog kunnen ontvluchten, maar hun kinderen moeten achterblijven? Hoe helpt het deze mensen om beter te kunnen integreren in Nederland, een van de doelen die in het regeerakkoord heel belangrijk worden gevonden? Concreet vraag ik, in navolging van de Raad van State: als er wel aan het huisvestingsvereiste en aan de inkomenstoets wordt voldaan, waarom is die wachttermijn van twee jaar dan eigenlijk nog nodig? Aan de voorwaarden voor goede integratie is daarmee immers al voldaan, wat ons betreft. Graag een reactie daarop. Mijn tweede vraag hierover is wat eigenlijk het doel is van die wachttermijn voor alleenstaande minderjarige asielzoekers. Waarom wil de minister hier zo graag aan vasthouden en hoe verhoudt zich dat dan tot het proportionaliteitsbeginsel?

We hebben de laatste weken heel veel e-mails ontvangen — die ontvangen we nog steeds — van bezorgde vluchtelingen die in Nederland verblijven. Een van die mails was van Fikret. Hij is een verpleegkundige uit Turkije die in een azc in Amsterdam verblijft. Hij schrijft dat hij opnieuw in angst leeft door de implementatiewet. Hij zegt: "Ik heb mijn aanvraag voor gezinshereniging ingediend volgens de regels die op dat moment geldig waren. Het idee dat deze regels achteraf kunnen veranderen, maakt mij diep onzeker. Mijn jongste kinderen zijn nu 12 en 15 jaar oud. Hun jeugd gaat voorbij terwijl wij gescheiden moeten leven. Als vader is het verschrikkelijk om je kinderen alleen via een scherm te zien opgroeien. Geen videogesprek kan ooit een echte omhelzing vervangen."

Fikrets constatering dat de regels achteraf kunnen veranderen, is gegrond. Voor de invoering van het tweestatusstelsel, de aanvullende nareisvoorwaarden en de beperking van de definitie van het kerngezin is immers geen overgangsrecht opgenomen. Er wordt hier gekozen voor onmiddellijke werking. Ook wie in een lopende procedure zit voor een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd valt vanaf 12 juni direct in het nieuwe systeem en heeft dus geen zicht meer op een vergunning voor onbepaalde tijd. Overgangsrecht wordt slechts toegepast bij reeds verleende verblijfsvergunningen asiel voor onbepaalde tijd en voor reeds gegeven voornemens. Ook voor lopende aanvragen ten aanzien van nareizende gezinsleden is dus geen overgangsrecht toegepast. Ik zei het al. Is de minister het ermee eens dat gebrek aan overgangsrecht mensen er terecht toe aanzet om een procedure te starten om de nieuwe regels niet op hen van toepassing te laten zijn? Is het dan ook niet beter om het hier niet op te laten aankomen? Rechtszaken die worden opgestart om nareisbepalingen te laten toetsen op schending van artikel 8 van het EVRM, zorgen ervoor dat de rechtsspraak verder vastloopt. In de ketenbrede uitvoeringstoets ten aanzien van nareis merken de uitvoerende organisaties immers op dat gezinsleden voor wie geen verblijfskaders meer zullen bestaan, naar verwachting zullen proberen om via artikel 8 van het EVRM in aanmerking te komen voor het verblijfsrecht. Het is hardvochtig om bij zo'n omvangrijke stelselwijziging met ingrijpende gevolgen voor de rechtsbescherming nauwelijks overgangsrecht toe te passen.

Voorzitter: Dittrich

Mevrouw Thijssen (GroenLinks-PvdA):

In de nota naar aanleiding van het verslag schrijft de minister dat een nieuwe nareisvoorwaarde uiteraard geen onaanvaardbare consequenties mag hebben voor het grondrecht op het gezinsleven. Maar vervolgens zegt hij gedecideerd "dat is ook niet zo". Maar dat weten we toch helemaal niet? Zoals de Ombudsman en de Kinderombudsman terecht constateren, is voor de Faberwetten en voor het Migratiepact geen kinderrechtentoets uitgevoerd op de maatregelen die hen raken, bijvoorbeeld op deze maatregelen van gezinshereniging en kinderdetentie.

Mijn vragen zijn daarom de volgende. Eén. Bent u bereid om alsnog een kinderrechtentoets uit te voeren op de maatregelen die minderjarigen direct raken? Twee. Bent u bereid om overgangsrecht te heroverwegen voor ten minste de lopende procedures ten aanzien van de vergunning voor onbepaald verblijf en verzoeken voor nareis bij gezinshereniging? Graag een reactie op deze twee punten.

Voorzitter. Ik ben nog niet klaar met het zorgelijke punt ten aanzien van het feit dat de deur wordt opengezet voor kinderdetentie in de grensprocedure. Waarom kiest Nederland er eigenlijk voor om totaal onschuldige kinderen in de gevangenis te stoppen? Hoe moet het dan met hun rechten, zoals het recht op onderwijs, het recht op spelen, het recht op kind zijn? Wat betekent dit voor hun zelfbeeld en voor hun latere integratie en het vertrouwen in de Nederlandse samenleving? In het verslag heb ik een aantal vragen opgenomen over het waarborgen van kinderrechten indachtig artikel 3 van het VN-Kinderrechtenverdrag en artikel 24 van het EU-Handvest. Ik lees in de stukken dat het opsluiten van kinderen in detentie een ultimum remedium is. Daardoor wordt ook benadrukt dat het een uitzondering is en hiertoe alleen wordt overgegaan als het in het belang van het kind is. Ik heb toen gevraagd naar concrete voorbeelden die illustreren wanneer het in het belang van het kind is om in detentie terecht te komen. Ik vond de beantwoording alleen niet overtuigend. Waarom is het beter voor een kind om bij een vermoeden van mensenhandel in de cel te zitten in plaats van in de reguliere opvang? En wanneer is het beter voor een kind om, in het geval van twijfel aan een gezinsband, in detentie te zitten in plaats van in reguliere opvang? Is het in dat laatste geval beter voor het kind als het hele gezin in detentie belandt, of is het beter voor dat kind als het hele gezin dan in de reguliere opvang verblijft?

Mijn twee vragen hierover zijn de volgende. Is de minister bereid om vanuit het perspectief van het kind te beredeneren wanneer het in haar of zijn belang is om in detentie te zitten? Omschrijf dan ook een wezenlijke situatie waarin hij of zij echt beter af is in detentie dan in de reguliere opvang. Twee. Er is een petitie, Geen kind in de cel, gestart, door een collectief van maatschappelijke organisaties. In opvolging van dit initiatief wil ik de minister vragen of hij bereid is om een aanvullende wetswijziging voor te bereiden waarin minderjarigen in de grensprocedure ook niet bij uitzondering in detentie terecht kunnen komen. Graag een reactie.

Ten slotte de uitvoerbaarheidstoets. Dat is het laatste onderdeel van mijn betoog. De vraag is of de partijen in de asielketen die een rol spelen in de uitvoering van deze wetgeving, voldoende klaar zijn op 12 juni aanstaande. Dat is over drieënhalve week. Door de brief die we vier weken geleden van de minister ontvingen, op 22 april, werd ik niet gerustgesteld. Op basis daarvan heb ik een viertal vragen.

Eén. Ik wil van de minister weten of er een plan B klaarligt voor als het nieuwe ICT-systeem toch te veel errors en gebreken kent en snelle aanpassingen te ingewikkeld zijn.

Twee. In de uitvoeringstoets van september lezen we dat de werklast bij de IND omhoog zal gaan als gevolg van het pact, zelfs als de niet-onderbouwde veronderstelling uitkomt dat de instroom gaat afnemen door dit pact. Ook in de recente brief worden zorgen geuit over personele capaciteit. Is er bij de IND en bij andere ketenpartijen inmiddels voldoende personele capaciteit beschikbaar en toegerust met de benodigde bij- en omscholing om de nieuwe asielprocedure goed te kunnen uitvoeren? Zo nee, wat zijn de plannen om dit het hoofd te bieden?

Drie. De minister beloofde naar aanleiding van de motie-Westerveld/Ceder om vóór de inwerkingtreding met een plan van aanpak te komen om de liggende vragen af te handelen. Mijn vraag is of dat plan er inmiddels ligt. Kan de minister garanderen dat er dan voldoende capaciteit beschikbaar is om de liggende aanvragen zorgvuldig af te handelen?

Mijn allerlaatste vraag in dit blok gaat over de constatering die de minister zelf doet over de knelpunten van alle betrokken organisaties in de beroepsfase. Hij schrijft: "Met name rechtbanken, maar ook advocaten en de directie Juridische Zaken van de IND kampen momenteel met grote personeelstekorten." Vooral bij de asieladvocaten ontstaat een ernstig tekort door een hoge uitstroom en beperkte nieuwe aanwas. Tegelijkertijd wordt er juist een toenemende complexiteit verwacht van alle beroepszaken. Mijn vraag is daarom wat zijn plan als systeemverantwoordelijke is. Wat gaat hij doen om de voorziene problemen in de rechtspraak het hoofd te bieden?

In het hele blok van deze vragen over uitvoerbaarheid is de bottomline en de belangrijkste vraag: bent u bereid om na een jaar een invoeringstoets uit te voeren en daarna per monitoring een vinger aan de pols te houden? Hoe pakt de implementatiewet uit in de praktijk? Lopen de uitvoeringsorganisaties tegen knelpunten aan? Kan hierop worden bijgestuurd? Dat zijn dan de onderdelen van zo'n invoeringstoets. Ik heb ook een motie voorbereid op dit punt, maar ik hoop eigenlijk op een toezegging.

Tot slot, voorzitter. De minister schrijft in de brief van vier weken geleden dat "de impact van het Migratiepact op het aantal asielaanvragen in Nederland en op de terugkeer van afgewezen asielzoekers onzeker is". Dat roept bij mijn fractie de vraag op waarom er niet gewoon voor een zuivere implementatie van het Migratiepact is gekozen, zonder al die nationale koppen. Dan hadden de uitvoerende organisaties namelijk voor een minder complexe opgave gestaan, dan stond de rechtsbescherming van vluchtelingen en kinderen niet zo onder druk en dan had Nederland bijgedragen aan Europese harmonisatie en solidariteit. Juist wanneer de effectiviteit onzeker is, zou terughoudendheid met nationale aanvullingen voor de hand hebben gelegen. Graag een reactie.

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel, mevrouw Thijssen. Dan is nu het woord aan de heer Lievense van de BBB-fractie.