Plenair Van Gasteren bij behandeling Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026



Verslag van de vergadering van 19 mei 2026 (2025/2026 nr. 29)

Status: ongecorrigeerd

Aanvang: 10.19 uur

Een verslag met de status "ongecorrigeerd" is niet voor citaten en er kan geen recht aan ontleend worden.


Bekijk de video van deze spreekbeurt

De heer Van Gasteren i (Fractie-Van Gasteren):

Dank u wel, voorzitter. Als het gezegde "onder druk wordt alles vloeibaar" op deze wet van toepassing zou zijn, dan zaten wij hier vandaag diep onder water. De Kamer moet in een vrij rap tempo deze wet bespreken — die deadline is over vier weken — maar dat ontslaat ons er niet van om toch ons werk te doen, hoe moeilijk dat wellicht ook is. Daarnaast heb ik een tweede procedurele observatie. Bij de implementatie heeft de regering gekozen voor extra regels of kopregels. Waren deze nu in een separate wet gebracht, dan hadden wij die twee dingen separaat kunnen beoordelen. Dat kan nu helaas niet, dus ook die extra regels zullen we toch nog steeds met onze eigen normstelling moeten bekijken. Ik wil de regering wel oproepen om bij eventuele toekomstige gold-plating toch te proberen om dat in een separate wet te doen.

Voorzitter. De wet gaat ons dieper raken dan alleen maar de wetgevingstechniek. Nederland heeft een eeuwenlange traditie als rechtsstaat waarin we meer dingen doen dan volgens wetten of verdragen zouden moeten — de Republiek van de Zeven Provinciën was in de zeventiende eeuw al heel erg bekend als rechtsorde waarin de overheid gebonden was aan regels — en niet omdat het moet, maar omdat wij als samenleving hebben besloten dat rechtsbescherming een waarde op zichzelf is. Individuele toetsing en bescherming tegen willekeurig overheidsoptreden is geen gunst, maar een fundament van onze rechtsstaat. Die traditie heeft ons internationaal heel veel gezag gebracht en ook nationaal heel veel rust gegeven. De nationale koppen in dit wetsvoorstel keren die traditie om. Waar Nederland historisch meer rechtsbescherming bood dan het Europese minimum, kiest de regering er nu bewust voor om op onderdelen onder het niveau te zitten dat wij ons normaalgesproken hebben opgelegd. Dat is een historische breuk. De meest gezaghebbende internationale meting, de WJP Rule of Law Index 2025, toont aan dat Nederland al een dalende lijn vertoont, een ongewoon grote daling van een structureel in het verleden hoog presterende democratie. Dat vereist wel aandacht, denk ik.

Onze rechtsstaat gaat uit van vier wetgevende principes: rechtsbescherming, rechtszekerheid, overgangsrecht en hardheidsclausules. Deze principes zijn in onze rechtstraditie diep verankerd en, nogmaals, vormen geen zwakte van onze staatsindeling en rechtsstaat. Het is wat ons onderscheidt van totalitaire staten. Op al deze dimensies laat in het wetsvoorstel Nederland onze eigen Nederlandse historische norm achter. Is dat bewust? Is dat het begin van een trend of misschien een opportunistisch handigheidje voor nu? Vandaar mijn eerste vraag aan de minister: wat heeft de regering doen besluiten om af te wijken van deze toch wel historische norm?

Allereerst de rechtmatigheid. Een eerste observatie. Het wetsvoorstel bevat geen systematische grondrechtentoets per implementatiekeuze. Dat vinden wij een grote lacune. Ik kan er verder nu niks meer aan doen. Het is zoals het is. Dan is er nog een actueel Europees risico. De prejudiciële vraag van het Grondwettelijk Hof van België heeft ook impact op deze Nederlandse koppen. Een uitspraak van het Europees Hof kunnen we verwachten binnen twaalf tot achttien maanden. We staan dus nu vandaag op het punt om een wet vast te stellen waarvan de houdbaarheid niet vaststaat. Als het Hof restrictief oordeelt, geeft Nederland dan al meer dan een jaar uitvoering aan deze wet, met alle gevolgen van dien. We zijn dan namelijk een wet aan het implementeren die niet houdbaar is. Ik heb een vraag aan de regering. Er zijn blijkbaar geen juridische scenarioanalyses gemaakt. Althans, dat begrijp ik uit de beantwoording van de schriftelijke vragen. Op basis waarvan is dan wel gekozen voor deze aanpak?

Dan een tweede punt. Dat is het ontbreken of bijna ontbreken van een adequaat overgangsrecht. Op het moment van inwerkingtreding zijn er tienduizenden zaken in behandeling bij de IND en ook bij de rechtbanken, in diverse fasen van proces. De wet brengt fundamentele wijzigingen aan in de rechten voor die groep. Een rechtsstaat gaat uit van eerbiedigende werking van opgebouwde rechten. De regering kiest nu voor onmiddellijke werking voor iedereen en dat is geen weeffout. Dat is bewust beleid. Ik hoor dan graag van de minister waarom daar toch voor gekozen is.

Het derde punt. De wet kent geen hardheidsclausule en in het licht van de prejudiciële vragen is dat extra kwetsbaar. Want als het Hof oordeelt dat individuele toetsing verplicht is, heeft Nederland een vastgestelde wet die onmiddellijk materieel aanvechtbaar is door iedereen. Een hardheidsclausule had dus als juridisch vangnet kunnen dienen en past bovendien in de rechtsstatelijke traditie van het bieden van een uitweg voor schrijnende gevallen. De vraag aan de minister is dan ook: waarom toch afzien van die clausule als juridisch vangnet? Daarnaast is de vraag welke instrumenten de minister of de IND gaat hanteren om toch in schrijnende gevallen van deze strikte wettelijke regels af te wijken.

Voorzitter. Het kwam al eerder aan bod: de detentie van kinderen aan de grens. De minister heeft de Tweede Kamer toegezegd dat kinderen in de regel niet worden gedetineerd; een hele goede toezegging, maar eigenlijk onvoldoende. Immers, "in de regel" laat uitzonderingen open zonder dat duidelijk is wanneer dat dan wel gerechtvaardigd is en wie dat dan toetst. De wet geeft dus altijd nog de mogelijkheid tot kinderdetentie. Een ministeriële toezegging aan de Tweede Kamer bindt wellicht de uitvoering van dit kabinet, maar niet van een volgend. Wat vandaag wordt toegezegd, kan morgen dus worden ingetrokken, zonder wetswijziging. Misschien kan de minister toch toezeggen dat hij spoedig met reparatiewetgeving komt om kinderdetentie aan de grens wettelijk te beperken met expliciet genoemde verplichtingen om eerst alle alternatieven voor detentie uit te putten, met ook een rechterlijke toetsing vooraf.

Voorzitter. Dan de uitvoerbaarheid; het is al een aantal keren aan de orde geweest. Mijn bezorgdheid is op dit punt het grootst. De IND staat onder zware druk. Het is eigenlijk een groot raadsel — het kwam vandaag al aan de orde — waar we nu staan met de voorbereidingen, behalve dan dat ik ergens las dat op 12 juni niet alles gereed zal zijn. Dat geldt overigens ook voor alle andere landen en het is nog maar de vraag of en wanneer het pact echt gaat werken en of er dan sprake is van loze beloftes, waardoor de verwachtingen in het land onterecht hoog zullen zijn en de teleurstelling in de politiek wederom een duw neerwaarts zal krijgen. De vraag aan de minister sluit wellicht aan bij die van de spreekster van GroenLinks-Partij van de Arbeid: hoe gaat hij dit monitoren en rapporteren?

Dan de financiële paragraaf. Keuren wij volgende week met elkaar een wet goed met een te voorspellen gigantisch gat in de begroting waarvan de rekening uiteindelijk bij de samenleving terechtkomt? De ramingen zijn immers onvoldoende onderbouwd. De officiële kostenraming richt zich op de IND-capaciteit, de opvang en de IT, maar gaat uit van, wederom, niet-gevalideerde aannames. De geschiedenis van asielstelselwijzigingen leert dat de werkelijke kosten altijd hoger uitvallen. Daarnaast ontbreekt, en dat is eigenlijk het grootste gat, een raming van de kosten voor juridische procedures: de zaken die bij afwijzing de weg naar de rechter vinden. Een indicatief rekenvoorbeeld. Op basis van historische patronen, namelijk een afwijzingspercentage van 60%, een doorprocedeerpercentage van 30% van alle afgewezen zaken en gemiddelde proceskosten van tussen de €8.000 en €12.000 per zaak en 25% hoger beroep bij de Raad van State, kom ik met een tijdhorizon van vier jaar op een bandbreedte van, laag, 328 miljoen en, hoog, 832 miljoen. Mijn fractie presenteert dit als een orde van grootte; het is geen precisieberekening. Het illustreert echter wel dat er wellicht toch een groot gat is. Welke totale implementatiekosten verwacht de minister, met welke onzekerheidsmarges en welke beroepsscenario's? Is de minister bereid om toe te zeggen jaarlijks een financiële verantwoording aan beide Kamers te zenden over de werkelijke kosten van de implementatie afgezet tegen de ramingen en met een verklaring voor de significante afwijkingen?

Ten slotte nog een constitutioneel punt over de verhouding tussen de wetgever en de uitvoerende macht. Dit wetsvoorstel bevat een aantal aanzienlijke delegatiebepalingen waarbij wezenlijke onderdelen van het stelsel worden overgelaten aan een uitwerking bij algemene maatregel van bestuur. Maar deze AMvB's zijn niet beschikbaar voor discussie in dit huis. Dat betekent dus dat deze Kamer een wet aanneemt waarvan de kerninhoud onbekend is. Staatsrechtelijk is dat een probleem. Het legaliteitsprincipe vereist immers dat beperkingen van grondrechten hun grondslag hebben in een wet en niet in een algemene maatregel van bestuur. Natuurlijk is delegatie toegestaan, maar niet op de meest ingrijpende onderdelen en zeker niet zonder parlementaire controle. Kan de minister toezeggen dat de AMvB's van deze wet worden voorgehangen?

Voorzitter. Mijn fractie staat voor een evenwichtige beoordeling. Wij erkennen de Europese verplichting en de tijdsdruk. We zien de noodzaak van een geordend en humaan asiel- en migratiestelsel op Europees niveau en zien ook het belang van een strengere Nederlandse wetgeving. We zijn bereid om de implementatiewetgeving die deze doelen dient te steunen, maar er zijn dus ook gebreken. We staan voor een keuze die verder reikt dan het ene wetsvoorstel. Ik zei het al, Nederland heeft over vier eeuwen een rechtsstatelijke reputatie als toevluchtsoord, als rechtsorde en als land dat procedurele waarborgen als waarden op zichzelf beschouwd. Die reputatie is niet vanzelfsprekend en verdient vanuit deze chambre de réflexion volle aandacht. Ik kijk uit naar de beantwoording.

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel, meneer Van Gasteren. Ik zie dat er geen interrupties zijn. Dan gaan we door naar de volgende spreker. Dat is de heer Van de Sanden van de Fractie-Van de Sanden. Aan u het woord.