Plenair Roovers bij behandeling Wet herziening wettelijke grondslagen kerndoelen



Verslag van de vergadering van 26 mei 2026 (2025/2026 nr. 30)

Status: ongecorrigeerd

Aanvang: 13.53 uur

Een verslag met de status "ongecorrigeerd" is niet voor citaten en er kan geen recht aan ontleend worden.


Bekijk de video van deze spreekbeurt

Mevrouw Roovers i (GroenLinks-PvdA):

In het kader van de transparantie wil ik vooraf even melden dat ik voor een klein deel van mijn tijd werkzaam ben in het onderwijs, te weten als docent aan de Universiteit van Amsterdam alsook aan die van Rotterdam.

Voorzitter. Zoals gezegd tijdens het debat mag ik mede het woord voeren namens de fracties van SP, Volt, Partij voor de Dieren en Visseren-Hamakers. Voordat ik aan de behandeling van de Wet herziening wettelijke grondslagen kerndoelen begin, wil ik u kort meenemen naar de ervaringen van meester Staal, een ervaren onderwijzer die in Theo Thijssens roman De gelukkige klas verslag doet van een schooljaar met de vierde klas. We zouden nu groep 6 zeggen. Bij de start van het schooljaar hebben leraren een nieuwe instructie gekregen. Ze moeten vanaf dan een register bijhouden, waarin van week tot week wordt aangetekend wat ze behandelen en hoe de vorderingen van de leerlingen zijn. Naast het register komt er ook een klassenschrift, waarin telkens een andere leerling werk maakt, en ook nog een dagboek. "Allemaal papier, papier, papier", verzucht een van de collega's. De leraren overleggen onderling hoe ze de autoriteiten buiten de deur en tegelijkertijd tevreden kunnen houden. Een van hen heeft de registratie van de komende maand al ingevuld, nog voordat er een dag van die maand verstreken is. Het hele jaar door worstelt meester Staal met zijn verplichte administratie, die hij maar niet onder de knie krijgt. De administratie wordt een doel op zich, wat tot hilarische en soms herkenbare taferelen leidt.

De verhouding tussen het onderwijs en de steeds weer nieuwe eisen van "de autoriteiten", zoals Thijssen ze noemt, vraagt om een subtiele balans tussen de doelen van het onderwijs, het belang van het kind en de praktijk van de leraar. De wet die we vandaag bespreken, balanceert precies op dat punt. Wat willen we onze kinderen meegeven? Hoe kunnen we dat wettelijk verankeren? En wat is hierin precies de rol van de school? De wet is een herziening van 20 jaar geleden vastgestelde kerndoelen. Het is naar het idee van onze fractie goed dat deze kerndoelen nu opnieuw worden geijkt en aangepast. De wetenschap, de wereld en de samenleving zijn in 20 jaar nogal veranderd. Het is goed dat het onderwijs daarin meebeweegt.

Kort en goed gaat het om meer concrete focus op de kerndoelen lezen, schrijven en rekenen. Daar komen twee nieuwe doelen bij: digitale geletterdheid en burgerschap. Onze fractie steunt de lijn van de wetswijziging, al hebben wij nog een aantal vragen. Ze gaan over drie onderwerpen: burgerschap, lezen en het lerarentekort.

Ik wil beginnen bij het onderdeel burgerschap. Daarvoor bestaat er al twintig jaar een wettelijke opdracht. Niettemin blijkt dat kinderen in Nederland in vergelijking met de landen om ons heen ruim onder het gemiddelde scoren op het gebied van burgerschapsonderwijs en kennis van de rechtsstaat en democratie. Sterker nog, dit is sinds de voorlaatste meting in 2016 verder achteruitgegaan. Er zijn grote verschillen tussen scholen onderling, maar gemiddeld genomen blijkt dat leraren in Nederland relatief weinig aandacht besteden aan politieke en maatschappelijke vragen. Wij hebben hierover de volgende vragen. Wat zijn volgens de staatssecretaris de onderliggende redenen voor deze slechte en ook teruglopende prestaties? Wat hebben docenten nodig om hier verandering in aan te brengen? Welke instrumenten heeft de staatssecretaris om hier verbetering in aan te brengen? Welke verbetering wil zij de komende jaren zien? Wanneer is zij tevreden hierover?

De cijfers die ik net noemde, gaan over burgerschap in het voortgezet onderwijs, dus leerlingen van circa 14 jaar. Maar deze wetswijziging gaat ook over burgerschap in het primair onderwijs. Onze vragen daarover zijn als volgt. Heeft de staatssecretaris een beeld van de effecten van de burgerschapsopdracht in het primair onderwijs? Wat houdt dat eigenlijk in op dat niveau? En hoe gaat ze dat evalueren? Welke instrumenten heeft ze om vast te stellen of deze lesprogramma's al of niet succesvol zijn?

Ten tweede wil ik aandacht vragen voor de "leescrisis", zoals die wel genoemd wordt. Overigens wordt tegenwoordig zo ongeveer alles een crisis genoemd. We kunnen de krant niet openslaan of er is weer ergens een crisis. De Raad voor het Openbaar Bestuur adviseerde in 2022 om een onderscheid te maken tussen echte "crisis-crises", dus problemen die van buitenaf onverwacht op ons dak komen, zoals de coronacrisis, en maatschappelijke problematiek die zich allang laat aankondigen, gewoon omdat we het probleem verwaarloosd hebben. Dat zijn geen crises, maar maatschappelijk verwaarloosde problemen. Ik denk dan ook dat we misschien niet over de leescrisis zouden moeten spreken, maar over het lang verwaarloosde probleem dat lezen heet. Kortweg noemt men het "leescrisis", maar die crisis komt niet helemaal onverwacht.

Ook hier hetzelfde beeld. Nederland scoort onder gemiddeld qua prestaties en ver onder gemiddeld wat betreft leesplezier. Die twee hangen natuurlijk samen. Ook hier is de trend neerwaarts. Het is dan ook niet meer dan terecht dat in deze wetswijziging de focus op lezen, schrijven en rekenen aangescherpt is, zowel als specifiek aandachtsgebied als in samenhang met andere zaakvakken. Niettemin meent de Raad van State dat de wet niet duidelijk genoeg is en vraagt de Raad van State de staatssecretaris "wat ervoor nodig is om deze vaardigheden te laten doorwerken in het herziene curriculum".

Het is van belang, denk ik, het hier niet te laten bij mooie woorden alleen, of bij papier, papier, papier, maar ook boter bij de vis te willen, of — u weet dat ik ook spreek namens collega Visseren-Hamakers, dus ik neem de volgende suggestie in haar comments dankbaar van haar over — olie bij de tofu. Binnenkort verschijnt er van een van de aanwezigen ook een boek onder die titel, heb ik mij laten vertellen.

Over het verwaarloosde probleem dat lezen heet, heb ik nog de volgende vragen aan de staatssecretaris. Heeft zij een duidelijk beeld van wat ervoor nodig is om deze sterkere focus op lezen in de kerndoelen ook daadwerkelijk te laten doorwerken in het curriculum? Welke initiatieven neemt de staatssecretaris in de komende tijd om scholen en leraren concreet te ondersteunen bij het beter uitvoeren van deze doelstellingen?

De daling van de leesvaardigheid geldt over de hele linie, maar het zal niet verbazen dat dit het sterkst geldt in bepaalde onderwijssectoren, namelijk het vmbo en het praktijkonderwijs. Een veelgenoemde oorzaak hiervoor, en ook voor de verdieping van dit probleem, is de vroege selectie in het Nederlandse onderwijs. PISA stelt vast dat in landen waar leerlingen op jonge leeftijd worden ingedeeld op onderwijsniveaus, de leesvaardigheid lager ligt dan in landen waarin dat niet gebeurt, of later gebeurt.

Ik heb hierover een vraag aan de staatssecretaris. Als vroege selectie een van de onderliggende oorzaken is van de slechte prestaties, dan is het afschaffen van de toelage voor de brede brugklassen, zoals opgenomen in de begroting OCW van 2026, het paars achter de wagen spannen. Weer zo'n dierenmetafoor, maar daar heb ik geen alternatief voor aangeleverd gekregen; dat komt misschien nog. Hoe kijkt de staatssecretaris hiernaar? Gaat zij werk maken van het herstel van de brede brugklas en van de bijbehorende financiering? Wat kan de staatssecretaris doen om de breuk die nu dreigt te ontstaan in deze ontwikkeling te dichten? En misschien nog iets breder: hoe kijkt de staatssecretaris naar het Nederlandse systeem van vroege selectie in het onderwijs?

Dat brengt mij bij mijn laatste punt: het lerarentekort. Dat valt natuurlijk strikt genomen buiten het bestek van deze wet, maar het is wel cruciaal voor het al of niet behalen van de doelen die de wet stelt. Zonder goede en gemotiveerde leraren voor de klas kun je doelen formuleren wat je wil, maar het blijft allemaal papier, papier, papier. Ik maak dus van de gelegenheid gebruik om daarover een paar vragen te stellen.

Onze fractie is zich ervan bewust dat er allerlei beleid wordt ontwikkeld om meer leraren te werven in het primair en voortgezet onderwijs en dat er inmiddels een heus dashboard bestaat, maar een nieuwe zorg is dat de uitstroom van leraren sinds 2025 weer toeneemt. Het aantal leraren met een WW-uitkering neemt toe, onder andere vanwege het aflopen van de NPO-gelden. Dan kun je natuurlijk aan de voordeur wel extra instroom realiseren, maar als er evenveel leraren door de achterdeur vertrekken, heb je nog helemaal niets opgelost. Onze vragen: heeft de staatssecretaris een goed beeld van de oorzaken van de toenemende uitstroom van leraren? Welke maatregelen heeft zij in gedachten om dit een halt toe te roepen? Wij horen daarop graag een reactie van de staatssecretaris.

Voorzitter. Ik heb in de afgelopen tien minuten een aantal taaie vraagstukken uit het onderwijs aan de orde gesteld en ik hoop dat de staatssecretaris die kan voorzien van concrete en kansrijke antwoorden.

Ik wil graag eindigen on a positive note, in goed Nederlands, met de slotwoorden uit De gelukkige klas, waarin meester Staal aan het eind voor zichzelf de balans opmaakt en in zijn dagboek opschrijft. Ik weet dat in ieder geval de voorzitter deze woorden zal kunnen waarderen. Thijssen schrijft het volgende. "M'n heerlijke, lieve, lastige stel, ik weet eigenlijk maar één ding: de jaar of wat, dat ik jullie heb en dat jullie mij hebben, behoren wij enkel maar een gelukkige klas te zijn. En de rest is nonsens hoor, al zou ik dat jùllie nooit zeggen."

Het is geen serieus wetsvoorstel, maar in het kader van het bevorderen van het leesplezier kan ik Thijssen zeer aanraden. Wij kijken uit naar de antwoorden van de staatssecretaris.

De voorzitter:

Ik dank u wel. Dan geef ik graag het woord aan de heer De Vries van de fractie van de SGP.