Plenair Van Apeldoorn bij behandeling Wet herziening bedrag ineens



Verslag van de vergadering van 9 juni 2026 (2025/2026 nr. 32)

Status: gecorrigeerd

Aanvang: 14.58 uur


Bekijk de video van deze spreekbeurt

De heer Van Apeldoorn i (SP):

Dank, voorzitter. Het wetsvoorstel dat wij vandaag behandelen kent, zoals ook al door verschillende collega's is gememoreerd, een lange voorgeschiedenis. Het kan zeker niet los worden gezien van de motie-Oomen c.s. die in de Eerste Kamer met ruime meerderheid is aangenomen en ook door de SP is ondertekend. Met die motie sprak de Eerste Kamer uit dat de regeling rond het bedrag ineens eenvoudiger, beter uitvoerbaar en beter uitlegbaar moest worden. Ook moest rekening worden gehouden met ongewenste fiscale effecten en gevolgen voor toeslagen. Die moesten worden voorkomen. De regering stelt dat met dit wetsvoorstel, deze herziening, uitvoering is gegeven aan die motie. Ik denk dat ik zojuist in een interruptiedebatje met collega Van Gurp al duidelijk heb gemaakt dat mijn fractie daar anders over denkt. Ja, er zijn zeker verbeteringen aangebracht als het gaat om de uitvoerbaarheid voor pensioenuitvoerders. Maar de vraag is of de bredere zorgen die aan deze motie ten grondslag lagen voldoende zijn weggenomen. Wat mijn fractie betreft is dat niet het geval.

Over de vraag of meer individuele keuzemogelijkheden binnen het pensioenstelsel wenselijk zijn, zijn in het verleden verschillende opvattingen geuit, ook binnen deze Kamer. Zoals bekend, was en is mijn fractie geen groot voorstander van de individualisering die het bedoelde gevolg is van de pensioenhervorming die inmiddels haar beslag krijgt. Maar vandaag wil ik me vooral richten op de manier waarop de voorgestelde regeling van het bedrag ineens, waarmee je aan het begin van je pensionering tot 10% van je pensioen in één keer uitgekeerd kan krijgen, in de praktijk uitwerkt, met name voor mensen met een lager inkomen.

Op zichzelf begrijpt mijn fractie de gedachte achter het bedrag ineens wel. Het is voorstelbaar dat mensen bij pensionering behoefte hebben aan enige financiële ruimte, bijvoorbeeld om een woning aan te passen, om een lang gekoesterde wens in vervulling te laten gaan of om simpelweg in de eerste jaren van hun pensioen wat meer te besteden te hebben, juist op een moment waarop zij daarvan nog volop kunnen genieten. De vraag die voor mijn fractie centraal staat, is daarom niet zozeer waarom mensen voor een bedrag ineens zouden kunnen of willen kiezen. De vraag is of deze keuze in de praktijk ook werkelijk door alle gepensioneerden op een verantwoorde manier gemaakt kan worden.

Voorstanders van het bedrag ineens benadrukken vaak dat het hier gaat om keuzevrijheid. De heer Van Rooijen had het daar net ook al over. Mensen krijgen meer ruimte om zelf te bepalen hoe zij hun pensioen willen besteden. Dat is destijds ook een belangrijk argument geweest voor deze regeling. De huidige minister heeft zich daar destijds als Kamerlid eveneens een warm pleitbezorger van getoond. Daarbij stond de gedachte centraal dat mensen zelf een keuze moeten kunnen maken over hun eigen pensioen. Mijn fractie begrijpt die gedachte op zich wel. Die past misschien ook helemaal in het liberale of, zo u wilt, sociaalliberale gedachtegoed van D66, de partij van de minister. De minister staat hier vandaag natuurlijk niet namens zijn partij, maar namens het kabinet. In die rol wil ik hem vragen wat die keuzevrijheid nu in de praktijk betekent. Is dit wel voor iedereen in dezelfde mate een reële keuze, of is het in de praktijk vooral een aantrekkelijke keuze voor mensen met een hoger inkomen en een goed pensioen?

De regering erkent dat kiezen voor een bedrag ineens een ingrijpende en complexe beslissing kan zijn. Zij erkent ook dat pensioenuitvoerders niet beschikken over alle informatie die nodig is om voor individuele deelnemers de gevolgen goed in kaart te brengen. Sterker nog, uit de antwoorden aan de Kamer blijkt dat ook de Belastingdienst niet exact inzichtelijk kan maken wat voor een individuele deelnemer de gevolgen zullen zijn voor belastingen, toeslagen en het uiteindelijke besteedbare inkomen. De regering zet daarom sterk in op voorlichting, keuzebegeleiding en de ontwikkeling van hulpmiddelen, zoals de aangekondigde rekentool.

De vraag is of daarmee het onderliggende probleem daadwerkelijk wordt opgelost. Tijdens de deskundigenbijeenkomst — daar ging het daarnet ook al over — die deze Kamer over het wetsvoorstel organiseerde, kwam een ander beeld naar voren, namelijk niet alleen het risico dat mensen onvoldoende informatie krijgen, maar ook dat de regeling zelf ingewikkeld is. Dat geldt temeer omdat het bedrag ineens wordt ingevoerd in een nieuw pensioenstelsel dat voor veel mensen nu al moeilijk te doorgronden is. De toenmalig directeur van het Nibud, de heer Vliegenthart, merkte tijdens de deskundigenbijeenkomst terecht op dat met het bedrag ineens een toch al complex pensioenstelsel opnieuw nog complexer wordt gemaakt. Er wordt nog een ingewikkelde keuze aan toegevoegd. Dat lijkt mijn fractie een relevante observatie. De vraag is immers niet alleen of mensen toegang hebben tot informatie, maar ook of die informatie voldoende houvast biedt om een weloverwogen beslissing te kunnen nemen. Collega Van Gurp noemde hier terecht het begrip "doenvermogen". Mijn vraag aan de minister is daarom hoe hij in dit geval aankijkt tegen het begrip "keuzevrijheid". Is hij het met mijn fractie eens dat een keuze pas echt een keuze is wanneer mensen de gevolgen daarvan voldoende kunnen overzien?

De regering erkent dat pensioenuitvoerders de gevolgen voor individuele deelnemers niet volledig kunnen doorrekenen. De regering erkent ook dat de Belastingdienst de gevolgen niet exact inzichtelijk kan maken. Ook de aangekondigde rekentool van het Nibud zal hier geen oplossing zijn. Als pensioenuitvoerders de gevolgen niet kunnen doorrekenen, de Belastingdienst de gevolgen niet kan doorrekenen en de rekentool dat evenmin kan, waarop baseert de regering dan haar vertrouwen dat deelnemers uiteindelijk een voldoende geïnformeerde keuze kunnen maken? Juist dat is ook volgens het Nibud de kern van het probleem. Een hulpmiddel kan mensen ondersteunen, maar maakt de regeling niet wezenlijk eenvoudiger. Het neemt de onderliggende complexiteit niet weg. Erkent de minister dat? Is hij het met mijn fractie eens dat dergelijke hulpmiddelen daardoor slechts beperkt soelaas kunnen bieden?

Kan de minister bovendien aangeven of hij nog concrete verbeteringen in het vat heeft op het vlak van informatievoorziening en keuzebegeleiding tussen nu en 2029, wanneer dit zou moeten worden ingevoerd? Deze vraag wordt des te belangrijker omdat de risico's van een verkeerde keuze niet voor iedereen gelijk zijn.

Daarmee kom ik op een ander punt dat voor mijn fractie belangrijk is en ons grote zorgen baart, namelijk de ongelijkheid tussen hoge en lage inkomens als het erom gaat in hoeverre het bedrag ineens ook daadwerkelijk een reële en aantrekkelijke keuze kan zijn. Ik had het daar al eerder over in een interruptiedebatje met collega Van Gurp. Het gaat dan met name om het verschil dat ontstaat voor mensen met een lager inkomen die afhankelijk zijn van toeslagen.

Wat mijn fractie opvalt, is dat er over één punt opmerkelijk veel overeenstemming blijkt te bestaan. Tijdens de deskundigenbijeenkomst wees het Nibud erop dat juist voor mensen met lagere inkomens een probleem ontstaat wanneer het opnemen van het bedrag ineens leidt tot het verlies van toeslagen. De paradox is dus dat een regeling die juist voor mensen met een bescheiden inkomen aantrekkelijk zou kunnen zijn, door de samenloop van toeslagen voor diezelfde groep veel minder aantrekkelijk wordt. Deze analyse wordt breed gedeeld. Ook het CDA heeft daar in beide Kamers nadrukkelijk aandacht voor gevraagd. Het is al eerder gezegd: het amendement van het CDA-Kamerlid Van Dijk was een poging om dit probleem te ondervangen. Dat amendement heeft het echter niet gehaald en dus is het probleem ook niet opgelost.

De vraag lijkt vooral te zijn wat we vervolgens met deze constatering doen. Het antwoord van de regering, en ik denk ook van enkele fracties hier — ik had het daarover in het interruptiedebatje met collega Van Gurp — lijkt vooral te bestaan uit het geven van nog betere voorlichting en een nog betere informatievoorziening, om te voorkomen dat mensen de verkeerde keuze maken. "De verkeerde keuze" wil in dit geval zeggen: kiezen voor het bedrag ineens, terwijl misschien een aanzienlijk deel daarvan via belastingen en toeslagen weer verdwijnt.

Mijn fractie constateert dus dat dit belangrijke onderdeel van de motie-Oomen-Ruijten niet is uitgevoerd. Waarom, zo vraag ik de minister, wordt een probleem dat door het Nibud, de pensioenuitvoerders en verschillende politieke partijen wordt onderkend, uiteindelijk beantwoord met slechts meer voorlichting en waarschuwingen? Juist voor mensen met een lager inkomen kan een verkeerde keuze grote gevolgen hebben. Juist voor die groep blijkt een bedrag ineens in de praktijk vaak veel minder aantrekkelijk dan het op het eerste gezicht lijkt. Dat roept bij mijn fractie de fundamentele vraag op of hier werkelijk sprake is van keuzevrijheid en gelijke keuzevrijheid voor iedereen. Als juist lagere inkomens relatief veel risico lopen, relatief weinig voordeel hebben en ook weinig zicht hebben op de precieze gevolgen, voor wie is het keuzerecht dan uiteindelijk bedoeld?

Voorzitter. Ik rond af. Mijn fractie ziet de aantrekkingskracht van het bedrag ineens voor sommige pensioengerechtigden. Maar zolang de regeling juist voor mensen met lagere inkomens gepaard gaat met grote onzekerheden, aanzienlijke risico's en mogelijk groot verlies van toeslagen, zodat er weinig van het bedrag overblijft, blijft de vraag van mijn fractie waarom deze Kamer, indachtig het debat over de oorspronkelijke Wet bedrag ineens en de hier breed aangenomen motie-Oomen-Ruijten, het wetsvoorstel zou moeten aannemen. Ik kijk uit naar de beantwoording van de minister.

De voorzitter:

Ik dank u wel. Dan geef ik graag het woord aan mevrouw Moonen van de fractie van D66.