Verslag van de vergadering van 15 juni 2026 (2025/2026 nr. 33)
Status: ongecorrigeerd
Aanvang: 15.40 uur
Een verslag met de status "ongecorrigeerd" is niet voor citaten en er kan geen recht aan ontleend worden.
De heer Lievense i (BBB):
Voorzitter, dank u wel. Ik kreeg bij het voorbereiden — ik dacht eerst ook dat we het in een andere volgorde zouden doen, dus heb ik wat dingen moeten schrappen, net als collega Fiers — een soort parallelle gedachten over hoe wij vorig jaar met een breed clubje Kamerleden tegen het gemeentefonds zijn gaan aankijken. U zult straks ook wat parallellen horen met wat u net mevrouw Fiers heeft horen uitspreken. Ik zal dat op dat moment ook aangeven.
Voorzitter. Welkom aan deze minister. Het is voor ons weer een nieuwe minister, maar er is altijd een minister en er is altijd een regering; welkom in deze Kamer. Ik denk dat deze minister over een vrij breed palet een eensgezinde Kamer gaat aantreffen in het kader van de twee onderwerpen die wij vandaag met de minister gaan bespreken. Dat kan heel positief zijn, daar kun je blij van worden als bewindspersoon. Maar als ik vandaag, en ik ga 'm toch even aanhalen, nog een brief binnen zie binnenkomen van de collega van deze minister, de minister van Financiën, over het gemeentefonds — die kwam pas vanmorgen bij ons binnen, terwijl de motie van vorig jaar dateert — dan vraag ik me af hoe serieus die motie vorig jaar is genomen, als de brief hierover pas vanmorgen binnenkomt. Maar goed, we zullen het daar vanmiddag of vanavond over hebben, want mijn collega Van der Goot van OPNL zal deze minister daar vast op gaan bevragen. Wat ik vanmorgen in de app voorbij zag komen was even een scheve schaats.
Voorzitter. Wij spreken vandaag over de begrotingsstaat van het provinciefonds voor 2026. Dat lijkt op papier een technische exercitie, maar in werkelijkheid gaat het hierbij over de vraag of provincies hun werk nog naar behoren kunnen doen. Laat ik daar maar direct heel duidelijk over zijn: die balans is op dit moment zoek. Ik hoorde volgens mij ook mijn collega Fiers diezelfde uitspraak al doen, mede namens meerdere partijen. Daar sluit ook mijn partij, mijn fractie, BBB, zich bij aan. Provincies zien hun verantwoordelijkheden toenemen: infrastructuur, openbaar vervoer, natuur, ruimtelijke ontwikkeling. Maar hun middelen groeien niet in hetzelfde tempo mee. Dat is geen politieke stellingname, maar een constatering, die inmiddels wordt bevestigd door meerdere onafhankelijke onderzoeken. Telkens hebben die dezelfde uitkomst: de provincies zijn financieel níét toegerust op de opgaven die het Rijk, wij dus, van hen vragen. Dat is niet houdbaar volgens de fractie van de BBB. Ook in de nota naar aanleiding van het verslag wordt gesproken van "geen werkbare financiële situatie voor de provincies in de toekomst". Dat is stevige taal. En terecht.
Voorzitter. Die constatering vraagt natuurlijk ook om actie. De BBB-fractie ziet dat het gesprek hierover momenteel versnipperd wordt gevoerd: per departement, per dossier, per deelprobleem. Dat helpt niet. Wat nodig is, is samenhang en regie. Daarom doe ik nadrukkelijk een verzoek aan deze minister: kan hij toezeggen dat er op korte termijn een integraal bestuurlijk overleg plaatsvindt, waarbij zowel de fondsbeheerders als de betrokken vakdepartementen gezamenlijk met de provincies aan tafel zitten om tot structurele afspraken te komen over taken en middelen? Dat in het verlengde van wat collega Fiers zojuist aangaf.
Voorzitter. Ik wil in het bijzonder stilstaan bij het openbaar vervoer, omdat daarbij de spanning tussen taken en middelen misschien wel het scherpst zichtbaar is. Bij het inrichten en financieren van het openbaar vervoer wordt nog te vaak uitgegaan van Randstedelijke uitgangspunten: een dicht netwerk, korte afstanden en altijd een alternatief op de fiets. Maar dat beeld gaat simpelweg niet op voor grote delen van Nederland. In dunbevolkte regio's liggen voorzieningen verder uit elkaar, is het netwerk minder fijnmazig en is het openbaar vervoer géén vanzelfsprekend alternatief, hoe graag we dat ook zouden willen. Tegelijkertijd worden inwoners daar wel geconfronteerd met hoge brandstofprijzen, terwijl overstappen op elektrisch rijden door netcongestie lang niet altijd een reëel alternatief is.
Voorzitter. Dan stapelen de problemen zich op. Er is geen volwaardig openbaar vervoer, geen haalbaar alternatief, maar wel de rekening. Dat raakt direct aan de rol van provincies, die verantwoordelijk zijn voor het regionale openbaar vervoer, maar daarvoor niet altijd de benodigde middelen krijgen die passen bij de regionale realiteiten. Ik zal vanavond een vergelijkbaar punt maken bij het gemeentefonds, maar het speelt hier net zo goed. Dat brengt mij tot de concrete vraag aan deze minister. We zien in ons buurland België automobilisten gisteren nog tanken voor circa €1,78 per liter, terwijl de onderliggende kosten van fossiele brandstoffen daar niet wezenlijk anders zijn dan in Nederland. Kan de minister uitleggen waar dit verschil vandaan komt? Meer specifiek: in hoeverre spelen provinciale opcenten hierin een rol? Acht de minister het verdedigbaar dat provincies via deze weg mogelijk meer inkomsten genereren dan strikt noodzakelijk, juist omdat de structurele financiering via het provinciefonds tekortschiet? Het geld moet immers ergens vandaan komen.
Voorzitter. Dan een tweede punt, dat raakt aan de kwaliteit van onze wetgeving en de positie van deze Kamer. Als Eerste Kamer toetsen wij op uitvoerbaarheid, handhaafbaar en rechtmatigheid. Maar daarvoor hebben wij de juiste informatie nodig. Juist daar wringt het wat de fractie van de BBB betreft. De uitvoeringstoetsen van decentrale overheden, de UDO's, en de onderzoeken op grond van artikel 2 van de Financiële-verhoudingswet zijn essentieel om te kunnen beoordelen of beleid en wetgeving in de praktijk werken en financieel gedekt zijn. Toch zien wij dat deze informatie niet structureel en niet tijdig onderdeel uitmaakt van de parlementaire stukken. Dat is echt een gemis en eerlijk gezegd ook moeilijk te rijmen met de ambities uit het rapport van de Studiegroep Interbestuurlijke Verhoudingen, dat door kabinet en decentrale overheden is omarmd. Mevrouw Fiers gaf dat al aan.
Voorzitter. De BBB-fractie vindt dat wij als Kamer deze informatie standaard tot onze beschikking moeten hebben, niet achteraf, niet op verzoek, maar voorafgaand aan de behandeling. Daarom vraag ik de minister om toe te zeggen dat de UDO's en artikel 2-onderzoeken voortaan standaard worden bijgevoegd bij relevante wetsvoorstellen en beleidsstukken die de decentrale overheden raken. Mocht die toezegging op de een of andere manier niet mogelijk zijn, dan overwegen wij op dit punt een motie.
Voorzitter. Sterke regio's vragen om een betrouwbare overheid. Dat begint bij een eerlijke balans tussen taken en middelen en bij beleid dat recht doet aan de verschillen tussen stad en regio. Daar zullen wij dit kabinet aan houden.
Dank u wel, voorzitter.
De voorzitter:
Hartelijk dank, meneer Lievense. Er is nog een interruptie van de heer Janssen.
De heer Janssen i (SP):
Dan ben ik net op tijd, want voor je het weet, is de heer Lievense gaan zitten, en dan komt hij niet meer terug!
De heer Lievense (BBB):
Ik kan heel hard lopen!
De heer Janssen (SP):
Ik stond al even in de startblokken. Ik probeer de heer Lievense goed te begrijpen, maar ik liep zelf even vast op de relatie tussen de benzineprijzen en de opcenten, want die relatie kon ik niet zo een-twee-drie leggen.
De heer Lievense (BBB):
Als je alles bij elkaar optelt ... We hebben al dure prijzen. We moeten ook opcenten betalen. In de ene provincie is het zoveel en in andere is het zoveel. Provincies hebben weinig mogelijkheden voor eigen middelen. Opcenten zijn er eentje. Daarmee heeft een provincie een knop om aan te draaien. Mijn punt is: op het platteland is het openbaar vervoer niet bereikbaar of vaak gewoon niet betaalbaar. Dan ben je tot de auto gedwongen. Je moet al provinciale opcenten betalen en dan ook nog de hogere benzineprijzen. In die relatie is de opmerking over de benzineprijzen gemaakt.
De voorzitter:
De heer Janssen heeft een vervolgvraag.
De heer Janssen (SP):
Akkoord. Dan snap ik het beter. Het heeft dus niets met elkaar te maken, anders dan dat het in de optelsom best wel duur wordt.
De heer Lievense (BBB):
Een optelsom, precies.
De heer Janssen (SP):
Maar ik neem aan dat de heer Lievense en ik het eens zijn dat de opcenten niet een-op-een gekoppeld zijn aan de geopolitieke situatie op dit moment.
De heer Lievense (BBB):
Nee, dat klopt, maar de opcenten zijn wel gekoppeld aan wat provincies nodig hebben. Ze zijn dus wel aan het provinciefonds gekoppeld. Als het provinciefonds tekortschiet, dan zal de provincie dus aan een knop moeten draaien. Dan kunnen ze gauw draaien aan de knop opcenten, maar de inwoners hebben ook al last van de hogere benzineprijzen. Het is dus een optelsom der dingen. Daar zijn wij het over eens.
De voorzitter:
Tot slot, meneer Janssen.
De heer Janssen (SP):
Ja, daar zijn we het over eens, maar dat heeft niets te maken met het feit dat de heer Lievense voor €1,78 in België tankt.
De heer Lievense (BBB):
Ik woon te noordelijk om in België te tanken. Anders zou ik het graag doen.
De voorzitter:
Ongeacht de plaats van tanken dank ik u voor uw bijdrage. Ik geef graag het woord aan mevrouw Moonen. Ze spreekt namens de fractie van D66.