Verslag van de vergadering van 15 juni 2026 (2025/2026 nr. 33)
Status: ongecorrigeerd
Aanvang: 19.34 uur
Een verslag met de status "ongecorrigeerd" is niet voor citaten en er kan geen recht aan ontleend worden.
De heer Lievense i (BBB):
Voorzitter, dank u wel. Gemeentes staan het dichtst bij de mensen. Dat is geen politieke frase, maar de bestuurlijke realiteit van elke dag. Als een inwoner ondersteuning nodig heeft, als een gezin vastloopt, als voorzieningen onder druk staan of verdwijnen, dan gebeurt dat niet in abstracte modellen of verdeelsleutels, maar in wijken, dorpen en steden. Daar komt beleid tot leven of faalt het. Juist daarom kijkt mijn fractie sinds vorig jaar, in gezamenlijkheid met andere fracties binnen deze Kamer, met grote zorg naar de ontwikkeling van het gemeentefonds en in het bijzonder naar de manier waarop de bedragen in het gemeentefonds tot stand komen en worden uitgevoerd. Gemeenten moeten verplicht bepaalde zorgtaken uitvoeren, maar krijgen daar dus te weinig geld voor.
Voorzitter. Laat ik beginnen met de kern. Wat hier speelt is niet alleen een financieel-technisch vraagstuk. Het is in de eerste plaats een vraagstuk van bestuurlijke betrouwbaarheid. Gemeenten moeten kunnen plannen, investeren en verantwoordelijkheid nemen. Dat kan alleen als het Rijk consistent, voorspelbaar en zorgvuldig handelt. Precies daar wringt het. In het debat over het gemeentefonds 2025 heb ik al aangegeven dat gemeenten niet gebaat zijn bij voortdurende wijzigingen, bijstellingen en nieuwe inzichten halverwege het proces. Dat ondermijnt niet alleen de uitvoerbaarheid, maar ook het vertrouwen tussen bestuurslagen. Wat we nu zien, richting 2026, is helaas geen verbetering, maar eerder een bevestiging van dat patroon.
Voorzitter. Gemeenten zijn pas op vrijdag 29 mei via de meicirculaire geïnformeerd over het ingroeipad en de financiële vooruitzichten richting 2027 en verder. Dat moment, laat in het proces, na maanden van onzekerheid en na stevige signalen van onder meer de Raad voor het Openbaar Bestuur en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten, zegt veel, niet alleen over de timing, maar ook over de manier waarop dit dossier wordt aangestuurd. Daar komt bij dat er inmiddels al vier jaar onderzoek is gedaan — mijn collega Fiers gaf het net ook al aan — naar verbetering van het verdeelmodel. Vier jaar. Toch wordt nu opnieuw aangegeven dat er nog eens twee jaar nodig is. Mijn collega Fiers heeft al om reflectie daarop van de minister gevraagd. Terwijl dat onderzoek voortduurt, worden gemeenten wel geconfronteerd met concrete financiële effecten. Dat zijn bovendien effecten die niet altijd zorgvuldig zijn berekend. Zo zijn er fouten gemaakt in de recente indexering van het ingroeipad, die begin juni al weer moesten worden gecorrigeerd. Gelukkig zijn ze gecorrigeerd.
Voorzitter. Dat zijn geen marginale technische onvolkomenheden. Dat zijn aanpassingen met directe gevolgen voor begrotingen, voor investeringen en uiteindelijk voor voorzieningen voor inwoners. Gemeenten zijn druk met hun coalitieonderhandelingen, maar de financiële kaders blijven onzeker. Als je van gemeenten vraagt dat zij hun huishoudboekje op orde hebben, dat zij verantwoordelijkheid nemen voor complexe taken en dat zij financieel prudent opereren, dan mag je van het Rijk op z'n minst verwachten dat het zijn eigen systematiek op orde heeft.
Voorzitter. Wat mijn fractie vooral zorgen baart, is het stapelen van die onzekerheden. Gemeenten moeten coalities vormen, meerjarenraming opstellen en keuzes maken over voorzieningen. Tegelijkertijd worden zij geconfronteerd met een herijking die langer duurt dan voorzien, een ingroeipad dat wel of niet wordt aangepast, waarbij indexaties nog niet helder zijn, en met de mededeling dat er later in de zomer van 2026 meer duidelijkheid komt. Maar gemeenten kunnen niet afwachten tot de zomer. Gemeenten moeten nu besluiten nemen, over woningbouw, zorg, infrastructuur, leefbaarheid, over zaken die inwoners direct raken. Dan is het simpelweg niet acceptabel dat de financiële kaders zo onzeker zijn. Er spelen immers nog meer financiële onzekerheden, zoals de opvolging van het tweede advies van Van Ark met betrekking tot de kosten van de jeugdzorg.
Die onzekerheid raakt gemeenten bovendien op heel concrete manieren in de eigen huishouding. Neem bijvoorbeeld de afhankelijkheid van eigen inkomsten. Voor kleinere gemeenten met veel grondgebied, relatief weinig inwoners en juist veel toeristen, zijn inkomsten uit toeristenbelasting essentieel om de begroting rond te krijgen. Die middelen zijn nodig om naast de taken waarvoor het Rijk onvoldoende middelen beschikbaar stelt, ook de eigen lokale verantwoordelijkheden waar te maken en de leefbaarheid op peil te houden. Als gemeenten daarnaast ook nog eens fors moeten meefinancieren om de rijksinfrastructuur op orde te krijgen, denk aan aanpassingen van rijkswegen voor veiligheid en doorstroming, wordt de druk alleen maar hoger. Voor die gemeenten voelt een beperking of afroming van eigen inkomstenbronnen, zoals de toeristenbelasting, als een extra straf bovenop de toch al kwetsbare financiële positie.
Voorzitter. Diezelfde spanning zien we terug in andere domeinen waar het Rijk te weinig integraal kijkt naar regionale verschillen. Neem de veiligheidsregio's, bijvoorbeeld die in Zeeland. Dit is een regio met relatief weinig inwoners — ja, daar komt-ie weer, meneer Janssen, Zeeland, mijn Zeeland, óns Zeeland — maar wel met een kerncentrale, zware industrie en kwetsbare Natura 2000-gebieden. De risico's zijn daar groot en complex, maar de financiering sluit daar onvoldoende op aan. Gemeenten en veiligheidsregio's krijgen simpelweg niet de middelen om de brandveiligheid robuust genoeg te organiseren. Brandweervrijwilligers draaien overuren en lopen tegen hun grenzen aan. Dat is op termijn niet houdbaar. Dit raakt direct aan de veiligheid van inwoners en bedrijven.
Ditzelfde geldt voor mobiliteit. Ook daar zien we dat beleid en financiering te vaak zijn gebaseerd op Randstedelijke aannames. Die onzekerheid beperkt zich bovendien niet tot de klassieke zorgtaken, maar raakt ook andere beleidsterreinen waarin gemeenten een cruciale rol spelen. Ik verwijs in dat verband naar de toezegging van de staatssecretaris van Onderwijs aan mevrouw Lagas, fractievoorzitter van onze fractie, tijdens het debat over de kerndoelen in het onderwijs. Er is toegezegd dat met de VNG afspraken worden gemaakt over de financiering van ondersteuning bij taalonderwijs.
Voorzitter. In het eerdere debat heb ik namens mijn fractie benadrukt dat gemeenten behoefte hebben aan rust, duidelijkheid en voorspelbaarheid. Dat is geen luxe, maar een randvoorwaarde voor goed bestuur. En die behoefte is sindsdien alleen maar groter geworden. Eerlijk is eerlijk, voor de jaren 2026 en 2027 hebben zowel de Tweede Kamer als de Eerste Kamer echt wel hele goede zaken gedaan met het vorige kabinet. Dat mag ook gezegd worden. Daardoor is het ravijnjaar in ieder geval twee jaar opgeschoven en is het wat minder diep geworden.
Het is nu aan dit nieuwe kabinet om die twee jaar te benutten om te zorgen dat de gemeenten krijgen waar ze recht op hebben. Zinsneden dat er geen extra geld bij komt, baren mij op het eerste gezicht zorgen. Maar nu we gezamenlijk in deze Kamer hebben geconstateerd dat de vorig jaar in deze Kamer aangenomen motie over inzicht krijgen in taken en financiële stromen nog niet geheel is uitgevoerd, heb ik er vertrouwen in dat als deze helderheid er wel is, de Tweede Kamer met dit kabinet echt keuzes moet gaan maken. Óf taken bij gemeenten weghalen óf geld voor dezelfde taken naar gemeenten toeschuiven; meer dan deze smaken zijn er niet.
Voorzitter. Als het voorgaande niet gebeurt, gaat dit inhouden dat het gemeentefonds niet uitvoerbaar is. Dan komt er een moment — vorig jaar heb ik daar ook al aan gerefereerd — dat deze Kamer de conclusie moet trekken dat ze om die reden niet kan instemmen met de begroting van het gemeentefonds. Laten we wel wezen: daar zit geen enkel kabinet en geen enkel Kamerlid op te wachten. De onderliggende vraag die vandaag voorligt is dan ook niet alleen hoe het gemeentefonds er in 2026 uitziet, maar vooral hoe we het vertrouwen herstellen dat nodig is om dit stelsel te laten functioneren. Mijn fractie ziet daarvoor drie essentiële voorwaarden.
In de eerste plaats: het nakomen van afspraken. Beloften die eerder zijn gedaan over het gemeentefonds, over de systematiek en over de ontwikkeling van middelen, moeten worden waargemaakt. Ze moeten niet opnieuw ter discussie worden gesteld of opnieuw worden vooruitgeschoven. In de tweede plaats: stabiliteit in het proces. Geen nieuwe tussentijdse stappen, die het geheel nog complexer maken, maar een heldere lijn die wordt vastgehouden. Gemeenten moeten weten waar ze aan toe zijn. Niet alleen op korte termijn, maar juist ook meerjarig. In de derde plaats: zorgvuldigheid in de uitvoering. Dat betekent dat cijfers kloppen, dat berekeningen deugen en dat wijzigingen niet achteraf moeten worden gecorrigeerd.
Tegen deze achtergrond heeft mijn fractie een aantal concrete vragen aan de minister. Allereerst: hoe gaat de minister voorkomen dat de herijking opnieuw vertraagt? Welke maatregelen worden genomen om ervoor te zorgen dat het proces nu wel binnen de gestelde termijn wordt afgerond? Ten tweede: hoe borgt de minister dat gemeenten tijdig en volledig worden geïnformeerd? Kan de minister toezeggen dat er geen nieuwe verrassingen meer volgen via circulaires op momenten waarop gemeenten hun begrotingen al moeten afronden? Ten derde: hoe gaat de minister het vertrouwen herstellen dat door de opeenstapeling van wijzigingen en correcties onder druk is komen te staan? Wat gaat er concreet anders in de aansturing van dit dossier? Tot slot: kan de minister helderheid geven over de indexatie en het ingroeipad, zodanig dat gemeenten op korte termijn beschikken over stabiele, meerjarige financiële kaders?
Voorzitter, laat ik afronden. De discussie over het gemeentefonds gaat uiteindelijk niet over modellen, verdeelsleutels of technische parameters, maar over de vraag of gemeenten hun werk kunnen doen en of zij hun inwoners kunnen bieden wat nodig is. Het gaat erom of zij verantwoordelijkheid kunnen nemen, zonder voortdurend te worden geconfronteerd met onzekerheid vanuit het Rijk. Mijn fractie vindt dat gemeenten recht hebben op duidelijkheid, op voorspelbaarheid en op een Rijksoverheid die niet telkens bijstuurt, corrigeert en uitstelt, maar op een overheid die levert. Het is aan de huidige minister om te laten zien dat hij die verantwoordelijkheid gaat nemen.
Voorzitter, ik dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan geef ik nu graag het woord aan mevrouw Moonen. Zij spreekt namens de fractie van D66.