Verslag van de vergadering van 23 juni 2026 (2025/2026 nr. 35)
Status: ongecorrigeerd
Aanvang: 14.38 uur
Een verslag met de status "ongecorrigeerd" is niet voor citaten en er kan geen recht aan ontleend worden.
De heer Holterhues i (ChristenUnie):
Dank u, voorzitter. Al jaren is er een groot tekort aan woningen in Nederland. In 2021 was dit tekort opgelopen tot bijna 280.000 woningen. In 2024 was dit verder opgelopen naar bijna 320.000 woningen. Dit kabinet is voornemens tot 2030 900.000 woningen bij te bouwen. Het wetsvoorstel dat we vandaag bespreken, moet de regie van de overheid op huisvesting verder verstevigen. Mijn fractie juicht dit toe. Nu de novelle er is, kan deze Kamer dit wetsvoorstel plenair behandelen. Ik sluit me aan bij de zorgen geuit door collega Meijer over het aantal novelles de laatste tijd.
Desalniettemin heeft mijn fractie ook zorgen. Ik wil in mijn bijdrage stilstaan bij vier vraagstukken: het verkorten van de procedures, het feit dat de focus op woningbouw niet ten koste mag gaan van andere beleidssectoren, subsidiariteit en uitvoeringscapaciteit bij gemeentes en woningen voor bijzondere groepen.
Om te voorkomen dat lange beroepsprocedures tot vertraging leiden, bevat dit wetsvoorstel maatregelen om de duur van zulke procedures te verkorten. Via een algemene maatregel van bestuur kan tijdelijk worden bepaald dat bepaalde soorten projecten sneller moeten worden uitgevoerd, omdat er een zwaarwegend maatschappelijk belang speelt. In plaats van beroep bij twee instanties wordt gekozen voor een versnelde beroepsprocedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Ook mijn fractie is voor het versimpelen en versnellen van vergunningsprocedures, zodat de meeste tijd van een bouwproject niet meer in procedures zit. De Raad voor de rechtspraak is er echter kritisch over om alle geschillen over woningbouwprojecten direct bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State af te doen, zonder tussenkomst van een rechtbank. De Raad voor de rechtspraak waarschuwt dat dit de rechtsbescherming ernstig uitholt. Op schriftelijke vragen van onder meer mijn fractie antwoordde de minister dat gespecialiseerde teams van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State woningbouwzaken met voorrang behandelen en dat de resultaten van dit project positief zijn. Mijn fractie vraagt zich echter af of de Raad van State, die te maken heeft met een tekort aan juristen, alle geschillen over woningbouwprojecten af moet doen. De Raad voor de rechtspraak constateert dat op meerdere thema's, zoals elektriciteitsprojecten en nu ook wonen, het uitgangspunt van een rechtsgang in twee instanties steeds vaker wordt losgelaten. Daarom pleit de raad voor de totstandkoming van een toetsingskader voor rechtsbescherming. Dat moet helder maken in welke gevallen het gerechtvaardigd is om hiervan af te wijken. Kan de minister hierop reflecteren? Kan de minister toezeggen dat een dergelijk toetsingskader er komt en, zo ja, per wanneer?
Het verkorten kan ertoe leiden dat betrokkenen straks alleen nog in beroep kunnen bij de Raad van State in Den Haag. Wat precies onder een woningbouwproject valt, is echter niet duidelijk. Bij een brede interpretatie zouden zelfs zaken rondom een verbouwing in bijvoorbeeld Zeeland of Drenthe in Den Haag kunnen worden behandeld in plaats van in een nabijgelegen rechtbank. Dit raakt aan de toegankelijkheid van rechtspleging. Er is niet voor niets een gerechtelijke spreiding over het hele land. Kan een dergelijke gang niet juist leiden tot meer verstopping in het vergunningstraject en dus tot langere doorlooptijden? Met andere woorden: hoe groot is het risico dat deze wijziging uiteindelijk een averechts effect heeft? Wat zijn de verwachtingen van het aantal procedures bij de Raad van State in dezen? Heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State voldoende capaciteit om alle woningbouwzaken sneller af te doen als die direct bij haar terechtkomen en niet eerst door een rechtbank worden behandeld? Dit was ook een vraag van collega Van Gurp en collega Meijer.
Voorzitter. In het rapport Werk aan de winkel, reflectierapport Omgevingswet 2025 schrijft de Evaluatiecommissie Omgevingswet: "Op basis van de berichten tot nu toe zijn we er geenszins gerust op dat de samenhangende benadering van de fysieke leefomgeving onder de Omgevingswet van de grond komt. Sterker nog, we constateren dat in vergelijking met vorig jaar de druk op de beoogde samenhangende benadering van de leefomgeving is opgelopen. Het zogeheten 'confettikanon' — het vaker binnenkomen van losse vergunningaanvragen bij bevoegde gezagen voor één locatie — heeft zelfs een tegengestelde werking, met meer versnippering." Het onderhavige wetsvoorstel kan het gevaar met zich meebrengen dat nu alle ballen naar woningbouw gaan, ten koste van andere noodzakelijke beleidsterreinen zoals milieu en energietransitie. Mijn collega's van de VVD vroegen hier ook al naar in de schriftelijke ronde. Dan zouden we de problemen in de woningbouw wellicht opgelost krijgen, maar hebben we over een aantal jaar dringend behoefte aan een wet voor de versterking van de regie op energietransitie. Hoezeer mijn fractie de inzet op woningbouw ook steunt, een integrale blik blijft nodig. In ons land, waar grond schaars en duur is, zien we heel concreet dat politiek keuzes maken in schaarste is. Grond waarop huizen worden gebouwd, kan niet meer voor andere doelen worden gebruikt. Mijn fractie is daarom benieuwd naar de visie van de minister in dezen. Hoe voorkomt zij dat andere doelen buiten beeld raken als de blik wordt vernauwd naar alleen woningbouw?
Voorzitter. In de voorbereiding op dit debat heb ik met een aantal wethouders Wonen over dit wetsvoorstel gesproken en over wat dat voor hen betekent. Deze wethouders constateren ten eerste dat de verantwoordelijkheden die de gemeente door dit wetsvoorstel krijgt toebedeeld, extra personeelskosten met zich meebrengen terwijl de bijdrage vanuit het Rijk onvoldoende is om deze kosten te dekken. Kan de minister daarop reageren? Ook de Vereniging van Nederlandse Gemeenten, de VNG, maakt zich zorgen. Zij vindt dat het Rijk zich te veel in detail bemoeit met de uitvoeringspraktijk van de gemeenten, de provincie een te brede verantwoordelijkheid krijgt in het volkshuisvestingsbeleid en gemeenten te weinig instrumenten krijgen aangereikt om de sturing van het volkshuisvestingsbeleid vorm te geven. In antwoord op vragen uit deze Kamer heeft de minister in de schriftelijke ronde aangegeven dat er een landelijk expertisecentrum voor snelle woningbouw zal worden opgericht. Hoe zorgt de minister ervoor dat dit expertisecentrum niet alleen expertise samenbrengt, maar vooral ook ervoor zorgt dat deze expertise op de juiste plaats terechtkomt?
Voorzitter. De Staatscommissie Demografische Ontwikkelingen heeft onder andere aangegeven dat bij het bouwen van nieuwe huizen ook aan seniorenwoningen en eenpersoonshuishoudens moet worden gedacht. Het gebrek aan seniorenwoningen zorgt voor stagnatie van de doorstroom op de huizenmarkt. Het bijbouwen van eengezinswoningen lost dat probleem niet op. Kan de minister aangeven wat haar visie op dit vraagstuk is?
Ten slotte heeft mijn fractie zorgen ontvangen van onder andere het Leger des Heils over de uitwerking van de ontwerpregeling waar het gaat om dakloze gezinnen met minderjarige kinderen. Juist deze gezinnen zouden met het amendement-Grinwis c.s. beter beschermd moeten worden, maar in de regeling zien we meerdere uitsluitingsgronden die deze bedoeling ondergraven. Zo wordt gemeenten ruimte geboden om urgentie te weigeren als er sprake zou zijn van een redelijke termijn waarin het probleem via tijdelijke, onzelfstandige opvang kan worden opgelost. In de praktijk dreigt dit neer te komen op een verkapte zelfredzaamheidstoets, terwijl we weten dat gezinnen vaak noodgedwongen bij anderen verblijven, in auto's slapen of anderszins onhoudbare situaties kennen. Ook de aanvullende eis dat het huisvestingsprobleem niet voorkomen had kunnen worden, opent de deur naar subjectieve oordelen over schuld en verwijtbaarheid, terwijl juist daarvan afstand was genomen in het amendement. Met name bij gezinnen met minderjarige kinderen kan dit leiden tot buitengewoon schrijnende situaties. De nadere invulling rond het beschikken over een eigen slaapvertrek lijkt niet alleen willekeurig en onuitvoerbaar, maar miskent ook de realiteit van dakloosheid zoals die in beleid wordt erkend.
Dit alles roept bij mijn fractie de vraag op of de regeling nog wel in de geest van het amendement is geformuleerd. Kan de minister toelichten hoe zij voorkomt dat gemeenten via deze open normen en aanvullende voorwaarden feitelijk alsnog dakloze gezinnen de toegang tot urgentie ontzeggen? Kan de minister toezeggen om de regeling zo aan te passen dat zij in lijn wordt gebracht met de bedoeling van het amendement-Grinwis c.s.? Wij overwegen een motie in dezen in tweede termijn.
Is de minister bereid om alsnog een kinderrechtentoets te laten uitvoeren, waar ook mijn collega Van Gurp naar vroeg, zodat duidelijk wordt of de ontwerpregeling de rechten van kinderen voldoende waarborgt, mede in het licht van het VN-Kinderrechtenverdrag? Is zij bereid om deze regeling te herzien als blijkt dat dit onvoldoende het geval is? Wat wil de minister daarover toezeggen?
Voorzitter. Mijn fractie ziet uit naar de beantwoording door de minister van onze vragen.
Mevrouw Van Langen-Visbeek i (BBB):
Ik heb een vraag aan de heer Holterhues naar aanleiding van zijn pleidooi voor prioritering. Zit u liever zonder stroom of zonder huis?
De heer Holterhues (ChristenUnie):
Dat is natuurlijk een rare tegenstelling, want dat moet natuurlijk en-en zijn. Als het gaat om een prioritering … Wij willen graag een integrale gebiedsontwikkeling. In het rapport van de evaluatie van de Omgevingswet zijn er zorgen over de vraag of we dat wel integraal bekijken.
Mevrouw Van Langen-Visbeek (BBB):
Ik snap uw verhaal. We hebben net een zwaar cadeau gekregen voor mensen die zonder huis zitten.
De heer Holterhues (ChristenUnie):
Zeker.
Mevrouw Van Langen-Visbeek (BBB):
Als je zonder huis zit, worden heel veel andere problemen waar wij het hier over hebben, zoals duurzaamheid, ineens heel relatief. Dat wil ik hiermee even aangeven.
De heer Holterhues (ChristenUnie):
Ons pleidooi is natuurlijk … Wij zien ook de nood op de woningmarkt. Daar moeten we echt vaart in maken. Tegelijkertijd zeggen we ook: laat het niet zo zijn dat we over een paar jaar weer een andere wet nodig hebben die versterking op een ander gebied vraagt. Dat moeten we integraal blijven bekijken.
Mevrouw Van Langen-Visbeek (BBB):
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan geef ik nu graag het woord aan de heer Van Kesteren van de fractie van de PVV.