Verslag van de vergadering van 23 juni 2026 (2025/2026 nr. 35)
Status: ongecorrigeerd
Aanvang: 14.28 uur
Een verslag met de status "ongecorrigeerd" is niet voor citaten en er kan geen recht aan ontleend worden.
De heer Meijer i (VVD):
Voorzitter. Eindelijk een debat over dit wetsvoorstel en de novelle. Het is wel een leerpunt om in een wetgevingsproces zorgvuldig om te gaan met wijzigingsvoorstellen. Een motie is vaak een beter instrument om een politieke wens te formuleren. Een novelle om onzorgvuldige amendering te repareren kost algauw negen maanden. De problematiek die met de wetgeving aangepakt wordt, heeft vaak een grotere urgentie. Bovendien hebben we zo bij dit wetgevingsproces met drie bewindslieden te maken gehad. Mijn fractie heeft trouwens de indruk dat de frequentie van novelles toeneemt. Dat is een reflectie waard. Het moet naar onze mening een instrument voor uitzonderingssituaties blijven.
Met deze novelle kan de VVD-fractie overigens instemmen. De amendementen over statushouders, over het overhevelen van vergunningbevoegdheid naar de minister en het eindeloos verlengen van het voorkeursrecht op onroerende zaken kunnen de grondwettelijke toets of de uitvoerbaarheidstoets niet doorstaan. Onze fractie stelt met tevredenheid vast dat we er als Kamer wel in zijn geslaagd om met de procedurele eindsprint vandaag de stemming te bereiken. Bij een positieve uitkomst daarvan kunnen delen van deze wet al volgende week in werking treden. Ik neem aan dat de minister daarvoor alles in gereedheid heeft gebracht. Mag ik haar, via u, voorzitter, vragen of dat ook voor de partners in het volkshuisvestingsveld geldt?
Voorzitter. Nederland telt een woningtekort van ruim 400.000 woningen. Dat is een statistisch getal, maar iedereen kent wel een individueel geval in de directe omgeving dat zo'n getal emotioneel inkleurt. Daarnet, bij de aanbieding van de petitie van Aedes, hoorden we ook over twee van zulke gevallen. We zijn het er breed over eens dat het terugdringen van dit tekort de hoogste prioriteit heeft. We kunnen dus met elkaar in politiek debat gaan over woningdifferentiatie, binnen- of buitenstedelijk bouwen of de verhouding tussen publiek en privaat, maar laat die discussie het tempo van de productie niet vertragen.
Daarom is mijn fractie tevreden over dit wetsontwerp, dat het Rijk, provincies en gemeenten verschillende instrumenten biedt om het woningtekort terug te dringen en te zorgen voor een evenwichtiger woningvoorraad. Zo krijgen provincies en gemeenten de bevoegdheid om instructieregels op te stellen over aantallen, locaties en de verdeling van woningen. Ook worden prestatieafspraken tussen overheden en corporaties juridisch steviger verankerd. Er worden betaalbaarheidsdoelstellingen vastgelegd en de urgentieregeling wordt verplicht. Straks meer over die laatste twee zaken, die in het parlementaire debat tot nu toe veel aandacht kregen.
Minder aandacht was er in de parlementaire discussie in de Tweede Kamer voor het voorstel om de beroepsprocedures te versnellen. De geschillen worden in één aanleg door de Raad van State behandeld en er worden kortere doorlooptijden ingevoerd. Die bezwaarprocedures zijn nou net een onderwerp waar je veel op aangesproken wordt. Er is veel onbegrip over het gegeven dat het recht van een omwonende van een bouwproject blijkbaar zwaarder weegt dan het recht van een woningzoekende, dus wij hebben waardering voor deze wijziging. Kan de minister aangeven of ze vertrouwen heeft in de uitvoering van dit voornemen en of daar voldoende capaciteit voor beschikbaar is?
We hebben ook waardering voor de bij nota van wijziging ingevoerde regeling voor vergunningsvrije mantelzorgwoningen. Er is ook instemming van onze kant met het afschaffen van de Ladder voor duurzame verstedelijking. Dat wil natuurlijk niet zeggen dat de locatiekeuze onzorgvuldig kan geschieden. Daarbij spelen duurzaamheidsaspecten vanzelfsprekend een belangrijke rol. We willen met name aandacht vragen voor het belang van water en bodem in die afwegingen.
Er wordt veel geregeld in dit wetsvoorstel, maar niet alles. Voorafgaand aan de behandeling van een aantal wetsvoorstellen in de volkshuisvestingssfeer heeft deze Kamer ruim twee jaar geleden een beleidsdebat over volkshuisvesting gevoerd. Namens de VVD-fractie mocht ik toen inbrengen dat het niet alleen om aantallen woningen gaat, hoe hoog de urgentie ook is, maar ook om de kwaliteit van de woning, de woonomgeving, de bereikbaarheid, de voorzieningen en de zorgmogelijkheden. Wonen is meer dan een woning. Laten we dat bij het streven naar meer woningen niet uit het oog verliezen.
Verder kwam in het debat van alles in mijn bijdrage langs, vaak gekoppeld aan het begrip "schaarste". Ik noem grondstoffen, personeel, plancapaciteit, drinkwater, stikstofruimte en netcongestie. Dan heb ik het nog niet eens over de bereikbaarheid van nieuwe bouwlocaties, een onderwerp dat onlangs weer actueel werd, nu het ministerie van IenW achterstallig onderhoud prioriteit gaat geven. Vandaag is dit alles niet aan de orde en het is ook niet allemaal beïnvloedbaar door deze minister, maar ik noem het omdat we de ambities en verwachtingen wel reëel moeten houden. Kan de minister daar ook op reflecteren? Het gaat namelijk om meer dan een getal van 100.000.
Wat misschien wel het belangrijkste is voor het verhogen en vervolgens op peil houden van de bouwproductie, is een gemeenschappelijke aanpak van alle partners, zoals via de Woontop en de gemeenschappelijke uitvoeringsagenda. Daarnaast zijn continuïteit en voorspelbaarheid van beleid van groot belang. Daar kunnen wij als Kamer ook aan meewerken.
Een tweede relativering die ik namens mijn fractie wil maken, heeft betrekking op de bestaande woningvoorraad. Er staan in Nederland ruim 8 miljoen woningen. Daar komt per jaar door nieuwbouw maar ongeveer 1% bij. Laten we met elkaar ook aandacht, misschien wel meer aandacht, besteden aan benutting van de bestaande voorraad, in fysieke zin door optopping en woningsplitsing en dergelijke, en door een meer passende bezetting. Mijn fractie is voor aanpassing van regelgeving die dat stimuleert.
Maar terug naar het wetsontwerp. Op de Woontop en in de regionale woondeals is als doelstelling afgesproken dat van de nieuwbouwproductie twee derde betaalbaar is, waarvan 30% sociale huur. Dat is dus niet door de regering, maar met de partners samen afgesproken. Het is trouwens een forse opgave om met deze verdeelsleutel de ontwikkeling van sommige locaties betaalbaar te houden. Dat streven is nu in het wetsontwerp vastgelegd. In het oorspronkelijke ontwerp gebeurde dat op gemeentelijk niveau. Door een aanpassing van minister Keijzer gebeurt dat op regionaal niveau. Over die wijziging is veel gesproken in het debat in de Tweede Kamer, vanuit de drie volgende invalshoeken. Is de regio het juiste afstemmingsniveau? Hoe werkt die afstemming in de praktijk? En kunnen we het percentage sociale huur nog wat verhogen? Dat laatste is net ook door de heer Van Gurp naar voren gebracht. Laat ik namens de VVD-fractie aangeven dat we aan die laatste discussie niet meedoen. We gaan niet tornen aan de afspraken die door alle partijen zijn gemaakt. Meer sociale huur maakt projecten financieel lastiger realiseerbaar. Sociale huurwoningen kunnen ook beschikbaar komen door doorstroming.
Over het eerste punt, gemeente of regio, kun je van mening verschillen. In de praktijk realiseren de centrumgemeenten meer sociale huurwoningen dan de omliggende gemeenten. Dat is niet altijd wenselijk gelet op de sociale structuur van de centrumgemeente. Een doelstelling per gemeente kan dat rechttrekken. Maar er zijn ook argumenten voor die verschillen. Een regionale doelstelling zoals nu is voorgesteld, geeft ruimte voor maatwerk, maar dat moet in ieder geval in de praktijk niet tot vertraging leiden.
Daarmee komen we bij de laatste invalshoek in die discussie: hoe werkt het in de praktijk? Wij hechten daarbij waarde aan het standpunt van IPO en VNG, de partners waarmee de afspraken gerealiseerd moeten worden. Het is trouwens wat verwarrend dat zij hun opvatting ook namens Aedes en de Woonbond naar voren brengen. We houden van rolzuiverheid en willen weten wat de bestuurlijke partners hiervan vinden, maar dat terzijde. Hun standpunt ligt in het verlengde van de aangenomen motie-De Hoop/Grinwis, die van de minister oordeel Kamer had gekregen. Dat betekent dat als er na een halfjaar nog geen afspraken zijn gemaakt in een woningmarktregio, iedere gemeente twee derde betaalbaar moet gaan programmeren, waarvan 30% sociale huur. Er is nog wel discussie over het vertrekpunt van die onderhandelingen van een halfjaar: moet dat maatwerk zijn, afhankelijk van de huidige differentiatie van de voorraad, of moet het een uniform vastgesteld vertrekpunt zijn? Mijn fractie hoort graag de opvatting van de minister en hoe het staat met haar gesprekken met de bestuurlijke partners, alvorens wij hier een standpunt over innemen. Anderen hebben hier ook aandacht voor gevraagd.
Ook horen we graag hoe het zit met het overgangsrecht. Er worden natuurlijk nu ook al projecten ontwikkeld en om redenen van financiële haalbaarheid is twee derde betaalbaar daar niet altijd geprogrammeerd. Ik neem niet aan dat die projecten stil komen te liggen.
In het wetsvoorstel worden gemeenten verplicht een huisvestingsverordening met urgentieregeling vast te stellen. In de woningmarktregio maken gemeenten afspraken over het verdelen van het huisvesten van urgent woningzoekenden. Als dat niet lukt na anderhalf jaar, geldt dat 15% van de vrijkomende voorraad huurwoningen van elke gemeente wordt toegewezen aan deze urgent woningzoekenden. Graag verneemt mijn fractie van de minister hoe dit percentage tot stand is gekomen. Ons bereiken ook reacties dat dit percentage te laag zou zijn.
Aan de andere kant merken we welke emoties het voorrang geven aan bepaalde groepen in een periode van grote woningschaarste bij andere woningzoekenden kan oproepen. Er dient dan ook zorgvuldigheid te worden betracht bij eventuele uitbreiding van het al grote aantal wettelijk bepaalde urgentiecategorieën bij een verhoging van het terugvalpercentage. Dat is in ieder geval hoe wij naar de opmerkingen over dakloze gezinnen hebben gekeken. Daar heeft uzelf ook een maatoplossing voor bedacht. Maar wij horen graag uw reactie, ook op de inbreng van anderen.
Mijn fractie staat positief tegenover dit wetsvoorstel. Het zou heel mooi zijn als we vandaag tot positieve besluitvorming zouden kunnen komen. Voor het zover is, stellen we natuurlijk wel de reactie van de minister op onze vragen en aandachtspunten op prijs, en ook de reactie op de vragen van andere partijen.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan geef ik graag het woord aan de heer Holterhues van de fractie van de ChristenUnie.