Plenair Rietkerk bij behandeling Wet versterking regie volkshuisvesting



Verslag van de vergadering van 23 juni 2026 (2025/2026 nr. 35)

Status: ongecorrigeerd

Aanvang: 15.00 uur

Een verslag met de status "ongecorrigeerd" is niet voor citaten en er kan geen recht aan ontleend worden.


Bekijk de video van deze spreekbeurt

De heer Rietkerk i (CDA):

Dank u wel, voorzitter. Allereerst dank ik de minister voor de beantwoording van de eerder gestelde vragen en voor de stukken die de Kamer heeft ontvangen over de Wet versterking regie volkshuisvesting. Voor het CDA staat één vraag centraal: draagt deze wet daadwerkelijk bij aan het versneld realiseren van voldoende woningen voor de mensen die daar dagelijks op wachten? Achter de cijfers schuilen namelijk mensen: jongeren en alleenstaanden die geen eerste woning kunnen vinden, gezinnen die te klein wonen, ouderen die willen doorstromen naar een passende woning en werkgevers die zien dat personeel afhaakt omdat wonen onbetaalbaar of onbereikbaar is geworden. De volkshuisvesting is daarmee niet alleen een ruimtelijke of economische opgave, maar ook een maatschappelijke opdracht.

Het CDA onderschrijft dat de Rijksoverheid meer verantwoordelijkheid moet nemen voor die opgave. De afgelopen jaren hebben laten zien dat uitsluitend vertrouwen op lokale afwegingen en marktprikkels onvoldoende resultaat oplevert. Meer regie kan daarom gerechtvaardigd zijn. Tegelijkertijd geldt voor onze fractie dat regie alleen waarde heeft wanneer zij leidt tot meer woningen, meer uitvoeringskracht en meer duidelijkheid. Regie mag geen synoniem worden voor extra procedures, extra bestuurslagen of extra vertraging.

Al met al heeft het te lang geduurd voordat het voorstel hier voor kwam te liggen. Dit kwam door averij vanwege amendementen in de Tweede Kamer. Anderen wezen daar al op. De wet die tot versnelling van de woningbouwproductie moest leiden, heeft zo minimaal een jaar vertraging opgelopen. De Tweede Kamer en de fracties die voor die amendementen stemden, mogen inderdaad in de spiegel kijken.

Tijdige vaststelling van deze wet is van groot belang voor de grote volkshuisvestingsopgave die er ligt en het halen van mijlpalen in het kader van het Herstel- en Veerkrachtfonds. Deze mijlpalen betreffen publicatie vóór 31 augustus 2026 en inwerkingtreding vóór 1 januari 2027 van wetgeving waarmee gestuurd kan worden op de bouw van nieuwe, betaalbare woningen. Gelet op de vaste verandermomenten dient het wetsvoorstel daarom per 1 juli 2026 in werking te treden. Het niet of niet tijdig behalen van deze mijlpalen kan leiden tot kortingen van de voor Nederland beschikbare middelen, oplopend tot wel 1,2 miljard euro, twee keer 600 miljoen. Het CDA zal zich inspannen voor een spoedige inwerkingtreding van dit wetsvoorstel, de novelle, het bijbehorende besluit en de bijbehorende regelingen.

Voorzitter. De wet versterkt de sturingsmogelijkheden van het Rijk en van de provincies richting gemeenten. Op zichzelf begrijpt het CDA die keuze, maar de praktijk van woningbouw speelt zich uiteindelijk op lokaal niveau af. Gemeenten hebben nu al te maken met grote uitvoeringsdruk, personeelstekorten en complexe procedures. Kan de minister aangeven hoe wordt voorkomen dat de nieuwe instructieregels, programma's en toezichtinstrumenten bij de uitvoering juist leiden tot weer meer bestuurlijke belasting? Welke concrete indicatoren gaat de minister hanteren om te beoordelen of de wet daadwerkelijk leidt tot versnelling van de woningbouwproductie? Hoe informeert de minister beide Kamers hierover? Is de minister bereid de wet binnen enkele jaren te evalueren op het criterium van gerealiseerde woningen en kwalitatief goede woningen — ik ben het eens met de heer Meijer, die die opmerking plaatste — in het kader van versnelling van de woningbouwproductie? Is de minister bereid de wet binnen enkele jaren te evalueren op het criterium van gerealiseerde woningen in plaats van uitsluitend op de aanwezigheid van bestuurlijke plannen en programma's?

Het wetsvoorstel verplicht gemeenten om een huisvestingsverordening — anderen spraken daar al over — met daarin ten minste een urgentieregeling vast te stellen. Hierin moeten zij de wettelijk verplichte urgentiecategorieën opnemen. Ook worden gemeenten verplicht om regionale afspraken te maken over een evenwichtige verdeling van urgent woningzoekenden. Wanneer gemeenten niet binnen een bij koninklijk besluit te bepalen moment na inwerkingtreding van het wetsvoorstel tot een evenwichtige verdeling komen en dit percentage in hun huisvestingsverordening vastleggen, gaat een terugvalpercentage gelden voor alle gemeenten in de woningmarktregio. Wat gaat de minister doen als gemeenten anderhalf jaar na inwerkingtreding van de wet de huisvestingsverordening nog niet hebben vastgesteld?

Voorzitter. Een belangrijk onderwerp van de wet betreft de norm van 30% sociale huur per gemeente. Het CDA begrijpt de achterliggende doelstelling: een evenwichtigere verdeling van sociale huurwoningen en het tegengaan van concentraties van kwetsbaarheid. Toch leven er vragen bij onze fractie over de praktische uitwerking. Hoe voorkomt de minister dat gemeenten die reeds fors boven deze norm zitten onevenredig worden beperkt in hun toekomstige woningbouwmogelijkheden? Kan de minister toelichten hoe rekening wordt gehouden met de regionale verschillen in bevolkingssamenstelling, economische structuur en woningvraag? Hoe wordt voorkomen dat de norm ten koste gaat van de middenhuur en betaalbare koopwoningen, juist voor starters en middeninkomens?

Voorzitter. Het kabinet heeft al een aantal maatregelen genomen om marktpartijen aan te moedigen meer te investeren in middenhuur. Zo wordt de overdrachtsbelasting voor verhuurders verlaagd naar 7% en is een aantal maatregelen voorgesteld, waaronder de optimalisatie van de Wet betaalbare huur. Daarnaast is aangekondigd dat de nieuwbouwopslag voor middenhuurwoningen verlengd wordt. De Taskforce Versnelling Woningbouw beziet op dit moment wat verder nodig is ter versterking van het investeringsklimaat, voor onder meer middenhuurwoningen. Concrete maatregelen volgen na de zomer. Dankzij aanpassingen van Europese regels over staatssteun wordt middenhuur, net als sociale huur, gezien als dienst van algemeen economisch belang, afgekort DAEB. Daarmee kan de Woningwet zo worden aangepast dat de woningbouwcorporaties ook voor middenhuur geborgde leningen bij het Waarborgfonds Sociale Woningbouw kunnen aangaan. Hierbij heeft het kabinet oog voor een gelijk speelveld van woningbouwcorporaties en marktpartijen in de middenhuursector. Kan de minister deze weergave bevestigen?

Voorzitter. Corporaties vormen een onmisbare pijler van de volkshuisvesting, bleek ook bij de aanbieding van de petitie. Onze fractie hoort echter ook signalen dat corporaties in sommige regio's nog steeds tegen financiële, planologische en procedurele beperkingen aanlopen. Kan de minister aangeven welke aanvullende maatregelen worden overwogen wanneer blijkt dat de doelen van deze wet niet worden gehaald door onvoldoende uitvoeringscapaciteit bij corporaties of gemeenten? De ChristenUnie sprak daar ook al over. Hoe beoordeelt de minister de verhouding tussen de extra verantwoordelijkheden die corporaties krijgen — gemeenten krijgen die ook — en hun feitelijke investeringsruimte op de langere termijn?

Een terugkerende zorg bij vrijwel alle ruimtelijke wetgeving betreft de stapeling van procedures. Het CDA ondersteunt rechtsbescherming van burgers, maar ziet tegelijkertijd dat woningbouwprojecten regelmatig langdurig vertraging oplopen. Verwacht de minister dat de nieuwe bevoegdheden en instructieregels zullen leiden tot meer procedures tussen de bestuurslagen of minder? Zijn hierover risicoanalyses uitgevoerd in verband met de uitvoering en zo ja, wat zijn daarvan de belangrijkste conclusies?

Voorzitter. Meer regie vanuit het Rijk vraagt ook om een heldere verantwoording. Op welke wijze wordt de Eerste Kamer vanuit haar rol, het toetsen op uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid, periodiek geïnformeerd over de resultaten van deze wet? Kan de minister toezeggen dat niet alleen wordt gerapporteerd over plancapaciteit en bestuurlijke afspraken, maar nadrukkelijk ook over gerealiseerde woningen, de kwaliteit van de woningen, doorstroming en betaalbaarheid? Dat neemt niet weg dat de wet en de geamendeerde onderdelen in een nieuwe taak voor provincies of gemeenten kunnen resulteren of een taak kunnen wijzigen. Het CDA pleit ervoor om samen met IPO en VNG een nieuw artikel 2-onderzoek naar gewijzigde en nieuwe onderdelen op te starten. Kan de minister dat toezeggen? Verder vraagt de uitvoering van deze wet om het versterken van de personeelscapaciteit en expertise van medeoverheden, zowel provincies als gemeenten. Hoe gaat de minister dit stimuleren, monitoren en zo nodig van een impuls voorzien?

Voorzitter. Voorts vragen we naar de invoeringstijd voor medeoverheden, zoals gemeenten en provincies. Is er voor gemeenten en provincies voldoende duidelijkheid met betrekking tot het koninklijk besluit waarin bepaalde artikelen van kracht worden? Welke artikelen worden wanneer van kracht, vraag ik de minister.

Tot slot, voorzitter. Het CDA ziet de noodzaak van een krachtiger rol van de overheid in de volkshuisvesting. De woningnood vraagt om daadkracht en verantwoordelijkheid. Tegelijkertijd moet deze wet uiteindelijk worden beoordeeld op zijn concrete resultaten voor woningzoekenden. Onze fractie zal daarom vooral kijken naar de vraag of deze wet leidt tot meer woningen, snellere realisatie, een betere spreiding van sociale huur en het behoud van leefbare gemeenschappen.

Wij zien uit naar de beantwoording van de minister. Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan geef ik graag het woord aan de heer Kemperman van de fractie van Forum voor Democratie.