Verslag van de vergadering van 23 juni 2026 (2025/2026 nr. 35)
Status: ongecorrigeerd
Aanvang: 13.51 uur
Een verslag met de status "ongecorrigeerd" is niet voor citaten en er kan geen recht aan ontleend worden.
De heer Van Gurp i (GroenLinks-PvdA):
Dank u wel, voorzitter. Toen u de titel van de wet die wij hier bespreken voorlas, moest ik even slikken, want dat was ongeveer een pagina aan tekst en ik ben maar een invaller. Normaal gesproken zou Hetty Janssen hier staan, maar Hetty heeft helaas een uitvaart in de directe kring. Zij is er dus niet. Ik neem de honneurs waar. Ik zal dat proberen zo goed mogelijk te doen. Als het goed geslaagd is: ik lees haar tekst voor. Als het niet goed geslaagd is, dan weet u bij wie u moet zijn.
Voorzitter. Er zijn maar weinig onderwerpen waarover meer overeenstemming in de samenleving bestaat dan het feit dat er snel meer woonruimte moet komen. Bij meer woonruimte hoort zeker ook dat er snel meer woningen gebouwd moeten worden. De woningnood heeft grote sociale gevolgen. We hoeven daar niet in extenso op in te gaan. Het gaat over mensen die langer dan gewenst bij hun ouders moeten blijven wonen, stellen die het krijgen van kinderen uitstellen, oudere mensen die niet kunnen doorstromen naar een kleinere woning, oudere mensen die de combinatie van zelfstandig wonen en zorg niet kunnen verwezenlijken, statushouders die in asielzoekerscentra moeten blijven wonen, met alle ellende van dien: het treft ongeveer iedereen.
Tegen die achtergrond is het bijzonder dat een wet die meer regie op de volkshuisvesting wil geven al twee jaar geleden is opgesteld, door minister Hugo de Jonge, en nu pas bij ons ligt. Is regie op de volkshuisvesting een oplossing voor alle kwaden? Was het maar zo, want dan zouden we er met het aannemen van deze wet zijn. Dat is natuurlijk niet zo. Eén ding is echter duidelijk geworden, namelijk dat de markt het niet in zijn eentje oplost. Meer regie is dus nodig. Een beetje duurder gezegd: regie is geen voldoende voorwaarde, maar regie is wel een noodzakelijke voorwaarde. Die beoogt deze wet te versterken. Ik noem wat citaten uit de aanbieding door de minister. "Het is het hernemen van de regie op de volkshuisvesting." "Het is zorgen voor meer tempo in de samenwerking aan de opgaven." "Het is het wettelijk borgen van een gecoördineerde aanpak." Dat is allemaal essentieel. Dat zijn dus allemaal noodzakelijke voorwaarden om in een goed tempo te kunnen bouwen.
Laten ik er maar geen geheim van maken: wij staan positief tegenover deze wet. Dat zeg je normaal gesproken aan het einde van je tweede termijn, maar waarom er doekjes om winden? Dat wil niet zeggen dat we niks te zeggen en te vragen hebben, maar plaats dat dan ook in die context.
Heel kort nog even over die twee jaar en de vraag waarom dat zo lang geduurd heeft. Dat heeft natuurlijk in betekenende mate te maken met de amendementen die er in de Tweede Kamerbehandeling in zijn geschoten waarvan bij nadere lezing bleek dat die zich niet met het Nederlands en het internationaal recht verhielden. Dat moest gerepareerd worden en dat kost natuurlijk allemaal tijd. Dat is een boodschap voor ons allemaal bij het indienen van amendementen; ik heb het tegen onze partijgenoten in de Tweede Kamer, want wij dienen hier geen amendementen in: let goed op de rechtsstatelijkheid van wat je doet. Het is nu opgelost door middel van een novelle. Dat is de oplossing die er is, want het democratische proces had natuurlijk gesproken. De novelle repareert het. Aan de novelle hoef ik verder geen woord vuil te maken: die zullen we steunen.
Dan wat er nu voorligt in de wet. Er is heel veel over gesproken in de Tweede Kamer. Dat is ook goed, want dat onderstreept nog eens het breedgedragen belang van ongeveer alle politieke partijen. Er wordt aan goed en betaalbaar wonen gehecht. Er is het een en ander aangenomen aan moties en amendementen. Dat gaan we hier allemaal niet overdoen. Ik beperk me tot een aantal vragen. Het zijn er als ik zelf goed heb geteld zeven. Ik moet natuurlijk eigenlijk zeggen: als Hetty goed heeft geteld zijn het er zeven. Het merendeel gaat specifiek over onze rol als Eerste Kamer. We hebben te maken met een advies van de Raad van State en een advies van het College voor de Rechten van de Mens. We hebben het daarmee ook over kinderrechten. Bovendien gaat het over uitvoerbaarheid.
De eerste vraag gaat over een fundamenteel punt van de Raad van State. Die zei: "Regering, in deze wet over het versterken van de regie stoppen jullie ook nog iets wat te maken heeft met het versnellen van beroepsprocedures. Dat is een compleet ander onderwerp. Wij vinden het niet netjes dat je twee compleet verschillende onderwerpen in één wet stopt. Waarom heb je daar nou geen aparte wet van gemaakt?" Deze Kamer hecht, net als onze fractie in deze Kamer, doorgaans zeer zwaar aan adviezen van de Raad van State. Ik zou dus toch nog eens aan de regering willen vragen: waarom heeft u dat nou niet gedaan?
Vervolgens ga ik naar de inhoud van het besluit. Heeft de Raad van State wel voldoende capaciteit om die versnelde procedures allemaal te gaan doen? Ze blijven natuurlijk wel een last resort. Er gaat waarschijnlijk wel wat op hen afkomen. Welke effecten heeft dat dan voor andere procedures die ook op behandeling bij de Afdeling rechtspraak van de Raad van State wachten?
Een subvraag hierbij heb ik het nummer twee gegeven, want anders kom ik niet aan zeven. Dit is de vraag of het verkorten van de beroepsprocedure om het wat sneller te laten gaan echt alleen voor de realisatie van woningbouwprojecten geldt of dat dit een veel bredere werking heeft. Dat zou ik heel graag willen weten. Als het een bredere werking op allerlei andere bouwprojecten heeft, dan voeren we wel echt een andere discussie. Dat lijkt mij niet de bedoeling kunnen zijn van de behandeling van deze wet. Ik hoor heel graag wat de minister daarover te zeggen heeft.
Een derde, meer inhoudelijke vraag gaat over het schrijnende tekort aan studentenhuisvesting. Dan heb ik het niet over zelfstandige studenteneenheden, maar over studentenunits met gemeenschappelijke voorzieningen. Velen van ons — dat geldt in ieder geval voor mij, voor Hetty en voor vele anderen — hebben indertijd ook een tijd in een studentenhuis gewoond. Dat is, als het een beetje goed gaat, allemaal fantastisch leuk. Maar momenteel is er aan studentenhuizen in ieder geval een schrijnend tekort. Daar voorziet de wet niet per se in, naar onze interpretatie. Onze vraag is of parallel aan het afsprakenkader dat hier wordt gemaakt met andere overheden en de afspraken die met corporaties worden gemaakt tijdens de Woontop en dergelijke, er ook afspraken zijn met studentensteden voor het bouwen van niet-zelfstandige studenteneenheden. Als die worden gemaakt, dan gaan we ervan uit dat die studentenkamers niet meetellen in het percentage sociale huur, want dat zou in onze ogen de zelfstandige sociale huur betreffen. Anders krijg je in studentensteden wel een forse scheefgroei. Dat is een clustertje van vragen. Ik ben benieuwd wat de minister ons daarover te vertellen heeft.
Zojuist is een belangwekkende motie aangenomen van mevrouw Van Langen-Visbeek van de BBB. Ere wie ere toekomt; daarom noem ik de partij er ook bij. Die reclame verdient u in dezen. Die motie betreft de investeringscapaciteit van de corporaties. U weet misschien dat ik geruime tijd in die sector werkzaam ben geweest, dus ik weet wat het betekent. Ik ken de buikpijn die je hebt en de ambities die je zelf hebt, plus de ambities waar je dan ook nog eens een handtekening onder moet zetten wat betreft versnelling, meer, meer, meer, beter, beter, beter en "het moet allemaal betaalbaar". Dat moet ook en daar ben je voor, maar als tegelijkertijd je investeringscapaciteit wordt afgeroomd — we hebben dat met de verhuurderheffing gehad en dat geldt voor de vennootschapsbelasting, inclusief ATAD, natuurlijk precies zo — dan is dat killing voor het realiseren. Ik kan me voorstellen dat de minister misschien niet acuut weet hoe ze de motie van mevrouw Van Langen gaat uitvoeren, maar ik zou het toch prettig vinden als ze er wat over kan zeggen en onze Kamer daar ook goed van op de hoogte kan houden. Het zou erg jammer zijn als deze motie in de veelheid van politieke moties een stille dood sterft. Dat kan niet de bedoeling zijn van de meerderheid van deze Kamer.
Dan de verdeling tussen sociale huur en middensegment, 30% en 37%. Ik heb over die getallen zo meteen nog iets te zeggen. Dit wordt bij de regio gelegd en vervolgens wordt tegen de regio gezegd: gaan jullie eens praten met elkaar en als jullie er niet uitkomen, dan hebben we als stok achter de deur dat het naar de individuele gemeente komt. Het is de omgekeerde systematiek ten opzichte van de Spreidingswet. Daar werkt het andersom. Het ligt bij de gemeenten, maar die mogen er in regioverband andere afspraken over maken. We hebben zojuist — bijna alle woordvoerders waren erbij — een petitie in ontvangst genomen met een pleidooi van Aedes en bewoners, dat gesteund wordt door VNG, IPO en NEPROM. Daarin wordt gepleit om de opgave niet nodeloos ingewikkeld te maken door de opgave eerst in de regio te leggen, af te wachten en pas bij de gemeente neer te leggen als ze er niet uitkomen. Zij pleiten ervoor om de opgave gewoon bij de gemeente neer te leggen. Dat scheelt ontzettend veel bureaucratische drukte. We kunnen ons er allemaal een voorstelling bij maken hoe dat gaat. Zijn er dan twee of drie gemeenten in die regio die het slim aan willen pakken en in no time een andere oplossing hebben, dan kun je daar natuurlijk altijd open voor staan. Laat de opgave primair bij de gemeente en niet primair bij de regio. Wij denken dat dat de uitvoerbaarheid en met name het uitvoeringstempo enorm ten goede zal komen.
Wij voelen ons zeer gesteund dat het brede spectrum van uitvoerders, zowel de sociale en de commerciële ontwikkelaars als de provincies als de gemeenten als de bewoners, zegt: doe het nou zo. Ik doe dus een klemmende oproep aan de minister om dat als uitgangspunt te hanteren bij de verdere uitvoeringsregelingen die er zullen komen. Ik snap dat dat niet vandaag nog in een uitvoeringsregeling verwerkt kan worden, maar dat zal toch met gezwinde spoed moeten gebeuren wat ons betreft. Wij gaan zeer nauwgezet naar het antwoord van de minister luisteren. Komt het onvoldoende in deze richting, dan hebben we een motie in voorbereiding. Het is natuurlijk altijd mooier als de minister het zelf toezegt dan om het via een motie te moeten afdwingen.
Dan iets over die 30-40-30. Zo zeg ik het maar even. Het is eigenlijk 30-37-23, maar in de volksmond 30-40-30. Wij vinden het heel goed dat zowel voor het goedkope segment, het sociale segment, als voor het middensegment een heldere ondergrens wordt bepaald. Het is goed dat er in ieder geval 30% sociaal en 40% middelduur gebouwd moet worden. Wij begrijpen ook dat dat beter niet ten koste van elkaar kan gaan, omdat het, als je meer sociaal bouwt en minder middenhuur, ten koste van de doorstroming zou kunnen gaan. Wat we niet begrijpen, is dat het bepaalde minimumpercentage in die sectoren tegelijkertijd het maximumpercentage is. Het is minimaal 30%, maar het is ook maximaal 30%. Het is minimaal 37% middelduur, maar ook maximaal 37% middelduur. Dat begrijpen wij niet. Waarom worden gemeenten niet in staat gesteld om, al naargelang de woningbehoefte in hun eigen regio, met inachtneming van de minimale percentages voor sociale huur en middeldure huur, een andere afspraak te maken? De afgelopen vier jaar hebben een aantal grotere steden 40-40-20 gehanteerd. Dan wordt de sociale huur uitgebreid ten koste van dure woningen, maar dan blijven de middeldure woningen evenveel aanwezig. Sociaal wordt iets meer, duur wordt iets minder. Dat mag niet meer van de voorliggende wet en wij begrijpen dat gewoon niet. Ik hoor heel graag een reflectie daarop. Dan kunnen we daar bij interruptie of in de tweede termijn nog even over doorpraten.
Het laatste punt dat ik graag onder de aandacht van de minister wil brengen, is de pijnlijke bepaling welke woningzoekenden wel, maar ook welke niet in aanmerking komen voor indeling in urgentiecategorieën. Het pijnlijke is dat nu bepaald is dat gezinnen met kinderen die door eigen toedoen dakloos zijn geworden niet urgent verklaard kunnen worden. We kunnen nog een hele exegese uitvoeren over de vraag wat eigen toedoen is, maar ik hou me even bij die bepaling. Het College voor de Rechten van de Mens heeft ons gewaarschuwd dat dit op gespannen voet staat met artikel 2, lid 2 van het Kinderrechtenverdrag, omdat dit ertoe zou leiden dat kinderen benadeeld worden door het gedrag van hun ouders. We hebben het allemaal over intergenerationele armoede en intergenerationele frustraties. Als je in je jeugd een of twee of drie jaar dakloos bent, omdat je ouders — laat ik er even van uitgaan dat het door eigen toedoen komt — er een rommeltje van hebben gemaakt, dan kan dat een leven lang negatief doorwerken. Het is gewoon ook in strijd met het Kinderrechtenverdrag. Ik zeg dus niet dat mensen nooit uit hun huis gezet zouden kunnen worden, maar dan moeten ze naar andere woonruimte geleid worden. Anders komen de kinderen namelijk op straat te leven en dat is in strijd met het Kinderrechtenverdrag.
Wij zouden heel graag een bepaling opgenomen zien en de toezegging van de minister willen hebben dat zij bij afwijkingen die in dezen gemaakt moeten worden — wij begrijpen dat er afwegingen zijn — altijd het belang van het kind vooropstelt. Als het belang van het kind voorop wordt gesteld — dat is natuurlijk ook de kern van het Kinderrechtenverdrag — dan kunnen wij hier prima mee leven. Als het belang van het kind niet voorop wordt gesteld, dan zullen wij u bij motie moeten vragen om dat toch te doen. Daar ga ik de collega's in de pauze dan heel indringend voor aankijken, want dat is volgens mij een breedgedeelde wens in deze Kamer.
Voorzitter, ik heb nog 25 seconden; Hetty heeft het netjes ingeschat. Ik kijk uit naar de antwoorden van de minister en ik dank u.
De voorzitter:
Heeft u een interruptie, mevrouw Van Langen-Visbeek? Ja. U kunt de interruptie daar bij de interruptiemicrofoon plegen. Dat is makkelijk.
Mevrouw Van Langen-Visbeek i (BBB):
Ik heb een vraag over dat maximumpercentage. U begon daarover in uw verhaal. Kunt u dat wat nader toelichten?
De heer Van Gurp (GroenLinks-PvdA):
Ja. Er is nu bepaald dat de differentiatie, zoals ik het voor het gemak maar even noem, in prijscategorieën in een woningbouwprogramma moet zijn: 30% sociaal, 37% middelduur en de rest duur. Er is nogal een aantal gemeenten dat in het verleden heeft gezegd: "Wij bouwen liever 40% sociaal. Wij vinden dat dat niet ten koste van het middeldure segment moet gaan, dus dat blijft op 37%. De 10% die we er bij sociaal op doen, halen we er dan bij duur af." Of dat kan of niet hangt van de gemeente af. Of dat wenselijk is of niet hangt van de gemeente af. Wij vinden echter dat gemeenten die mogelijkheid desgewenst zouden moeten hebben. Dat wordt nu uitgesloten, omdat het percentage, het minimum van 30% sociaal, tevens het maximum is. Dat vinden wij merkwaardig en eigenlijk onnodige regelgeving.
Mevrouw Van Langen-Visbeek (BBB):
Oké, ik snap dat u dat denkt. Oké.
De voorzitter:
Dank u wel, meneer Van Gurp.
De heer Van Gurp (GroenLinks-PvdA):
Dank u wel.
De voorzitter:
Dan geef ik graag het woord aan mevrouw Van Langen-Visbeek van de BBB.