Plenair Petersen bij behandeling Begrotingen Defensie en Defensiematerieelbegrotingsfonds 2026



Verslag van de vergadering van 29 juni 2026 (2025/2026 nr. 36)

Status: ongecorrigeerd

Aanvang: 19.43 uur

Een verslag met de status "ongecorrigeerd" is niet voor citaten en er kan geen recht aan ontleend worden.


Bekijk de video van deze spreekbeurt

De heer Petersen i (VVD):

Voorzitter, dank u wel. Graag heet ik namens mijn fractie de minister en de staatssecretaris welkom in deze Eerste Kamer. De bewindspersonen zijn al enige tijd hard aan de slag om ons land veiliger te maken. Daar is al het nodige over gezegd, maar wij hebben volgens mij niet eerder de gelegenheid gehad om met ze in debat te gaan. Wij zijn blij dat deze gelegenheid zich nu voordoet en wensen beiden uiteraard veel succes met hun belangrijke werkzaamheden.

Voorzitter. Dat succes hebben we als Nederland ook nodig, want de wereld is er de laatste jaren niet veiliger op geworden. Daarnaast wordt ook in NAVO-verband veel meer van ons verwacht. De NAVO-norm die vorig jaar werd afgesproken in Den Haag vraagt om forse investeringen, zodat Nederland en onze Europese bondgenoten een krachtige rol kunnen spelen in een bondgenootschap dat ons al ruim 75 jaar veilig houdt. Onze steun aan Oekraïne, die gelukkig op breed politiek en maatschappelijk draagvlak kan rekenen, vormt ook een extra uitdaging. Mijn fractie steunt de lijn van het kabinet om zich te committeren aan de afgesproken NAVO-norm en de Defensiebegroting hierdoor verder te laten oplopen. Nationale veiligheid is immers een van de kerntaken van de overheid. Dat brengt voor de minister en staatssecretaris grote vraagstukken met zich mee over het tempo van de operationele gereedheid, de ruimte die Defensie daarbij krijgt en de mogelijkheden die dit biedt voor de Nederlandse defensie-industrie. Zij hebben daarover in debatten al het nodige gezegd. Daarom gaat de nieuwsgierigheid van de VVD-fractie in dit debat meer uit naar de uitwerking van de voorgenomen investeringen op de langere termijn.

De ontwikkeling van oorlogsvoering en de inrichting van de krijgsmacht zijn sinds de oorlog in Oekraïne fundamenteel gewijzigd. Onze krijgsmacht moet bewegen van superieure systemen naar superieure aanpassingssnelheid, van hiërarchische commandostructuren naar besluitvorming dieper in de organisatie en van afzonderlijke wapensystemen naar geïntegreerde ecosystemen en netwerken. Tegelijkertijd weten we dat de aanschaf van defensiematerieel minder snel verloopt en vaak een doorlooptijd kent van vele jaren. Ze zijn al genoemd: de in 2024 bestelde onderzeeërs voor de Koninklijke Marine worden bijvoorbeeld pas op z'n vroegst in 2033 te water gelaten. Mijn fractie vraagt zich daarom af: hoe voorkomen we dat Nederland zich voorbereidt op de vorige oorlog? Kan de minister haar perspectief hierop geven? Zijn de geplande investeringen ook de juiste investeringen om Nederland voor te bereiden op de oorlog van de toekomst? Of zijn ook nog andersoortige investeringen noodzakelijk? En als dat laatste het geval is, kan de minister dan aangeven om welk type investeringen het gaat en welk tijdpad daarbij hoort? Welke afstemming wordt daarbij gezocht met onze NAVO-partners om die noodzakelijke geïntegreerde gevechtskracht te garanderen?

Voorzitter. De oorlog in Oekraïne laat ook zien dat technologie en tactiek zich binnen weken of maanden moeten kunnen doorontwikkelen. Drones, software, elektronische oorlogsvoering en kunstmatige intelligentie veranderen letterlijk voortdurend het speelveld en dat vereist permanente aanpassing. Daarmee wordt aanpassingsvermogen een doorslaggevende kwaliteit voor de militaire slagkracht. Een krijgsmacht die niet snel genoeg leert, innoveert en nieuwe inzichten toepast in de praktijk, loopt het risico achter de feiten aan te hollen. De vraag is daarom niet alleen of Nederland beschikt over voldoende mensen, materieel en munitie — daarover is al het nodige gevraagd — maar vooral of onze krijgsmacht is ingericht om zich sneller te ontwikkelen dan potentiële tegenstanders. Kan de minister toelichten hoe de Nederlandse krijgsmacht in het licht van de voorgenomen investeringen wordt voorbereid op, dan wel getransformeerd naar een organisatie waarin dat voortdurende aanpassen en snel leren tot de kernkwaliteiten gaan behoren?

Ten slotte, voorzitter. Veiligheid is van ons allemaal. Dat betekent volgens de VVD-fractie ook dat iedereen een verantwoordelijkheid heeft om bij te dragen aan onze veiligheid en weerbaarheid. Vorig jaar lanceerde de overheid de campagne Voorbereiden op een noodsituatie doe je samen. Dat is een belangrijke stap, maar we zien dat verschillende Europese landen inmiddels verder zijn. Finland heeft civiele paraatheid structureel verankerd in overheid, samenleving en bedrijfsleven. Zweden heeft wettelijk vastgelegd welke bijdrage burgers, bedrijven en publieke instellingen in crisistijd moeten kunnen leveren. In de Baltische staten maakt weerbaarheid onderdeel uit van het onderwijs, zowel in theorie als in de praktijk, waarbij leerlingen ook al worden getraind in het omgaan met onvoorziene situaties om dat vooral goed, veilig, verantwoord en voorbereid te doen. Kan de minister schetsen welke vervolgstappen Nederland voor zich ziet om die hele samenleving beter voor te bereiden op situaties waarvan we hopen dat zij zich nooit zullen voordoen, maar waarvoor we wel gereed moeten zijn?

Voorzitter. Wij zien uit naar de beantwoording van onze vragen en wensen de bewindspersonen heel veel succes.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan geef ik graag het woord aan de heer Koffeman, die spreekt namens de Partij voor de Dieren. O, een interruptie van de heer Hartog!

De heer Hartog i (Volt):

Ik heb een vraag aan de heer Petersen. Zijn collega in het Europees Parlement heeft opgeroepen tot een Europese defensie-unie die de NAVO versterkt, maar wel onafhankelijk van de VS kan opereren. Is dat ook een oproep die de heer Petersen van de VVD-fractie in deze Kamer ondersteunt?

De heer Petersen (VVD):

Dat is een oproep die ik niet doe en niet nalaat, om de doodeenvoudige reden dat we in deze Kamer kijken naar wetgeving. We kijken naar deze begrotingswetten. Die bespreken we vandaag. Ik ga graag een keer met u in gesprek over allerlei ideeën die vanuit Europa zijn gekomen, ook van partijgenoten, maar ik vind dit debat niet de goede plaats daarvoor.

De heer Hartog (Volt):

Ik ga graag met de heer Petersen in gesprek daarover, maar ik vind het interessanter om te kijken wat de VVD nu echt vindt. Deze oproep is nu gedaan: onderteken de brief. Grote woorden, maar ik hoor daarbij niet de steun van de heer Petersen. Klopt dat?

De heer Petersen (VVD):

Ik vind het niet aan mij om daar nu steun voor uit te spreken of me daartegen te verzetten. U weet natuurlijk ook dat de VVD een debatpartij is waarin mensen met hun eigen meningen en ideeën ook impulsen geven aan hoe het gedachtegoed in de partij zich ontwikkelt. Daar doe ik ook graag aan mee, niet vanuit deze plaats, fysiek, maar wel als lid van de partij. Ik denk dat de bijdrage uit Europa ook een bijdrage is aan het debat in die partij. Daar zijn we heel blij mee, met dat debat.

De voorzitter:

Tot slot de heer Hartog.

De heer Hartog (Volt):

Conclusie naar de heer Groothuis toe: geen steun.

De heer Petersen (VVD):

Nou, ik hoop dat de heer Hartog in de rest van het debat zorgvuldiger concludeert dan hij zojuist heeft gedaan. Ik dank hem wel voor zijn interruptie.

De voorzitter:

Dan geef ik nu graag het woord aan de heer Koffeman van de Partij voor de Dieren.