Verslag van de vergadering van 30 juni 2026 (2025/2026 nr. 37)
Status: ongecorrigeerd
Aanvang: 16.27 uur
Een verslag met de status "ongecorrigeerd" is niet voor citaten en er kan geen recht aan ontleend worden.
De heer Kroon i (BBB):
Voorzitter, dank je wel. We bespreken vandaag het wetsvoorstel Werkelijk rendement box 3, in het kort box 3. Vooreerst wil ik de duizenden mensen bedanken die mij via de e-mail over dit onderwerp bericht hebben. Het waren er te veel; ik kan u niet allemaal een berichtje terugsturen, maar ik hoop dat ik uw zorg in dit debat verwoord.
Er is ondertussen al veel gezegd door vorige sprekers, met uitstekende bijdragen. Ik zal proberen niet in herhaling te vallen, maar we hebben blijkbaar dezelfde bezwaren, dus dit wordt niet geheel mogelijk. Mijn bijdrage kent de volgende onderwerpen. Het eerste onderwerp is de kwaliteit van het proces en de integraliteit van dit voorstel. Twee. Een reflectie op superieure modellen versus de imperfectie van de maatschappij. Drie. Een aantal appreciaties en rafelranden van dit voorstel. Dan een beschouwing op het lastminutekeuzemenu van 19 juni, de verbinding met de overheidsfinanciën en een kort slotwoord.
Voorzitter. Het feit dat we hier een wet aan het behandelen zijn waarvan we al maanden weten dat die significant gewijzigd gaat worden, op initiatief van de indiener zelf, is een gotspe. Ik breng u het rapport van de Staatscommissie rechtsstaat 2025 inzake de wetskwaliteit in herinnering, alsmede de reactie van het kabinet met het gepresenteerde Beleidskompas. Nu, twaalf maanden later, nota bene met een wet die een significante nationale en internationale impact heeft, wordt de basis voor een zorgvuldig wetsproces wat ons betreft met voeten getreden. Hoe heeft de Tweede Kamer kunnen instemmen met een wet waarvan gezien het sentiment nu op het moment van stemming zowel de volledigheid van de wet als het maatschappelijke draagvlak voor deze wet deze instemming niet verdiende? Mijn fractie observeert dat deze wet ten onrechte een spoedeisend karakter kreeg, waarbij het kabinet zich verschuilt achter de juridische onhoudbaarheid van het forfaitaire stelstel maar een ander doel najaagt: het dekken van een forse uitgavesprong die door het kabinet-Rutte V en de toenmalige minister van Financiën in de meerjarenbegroting gebudgetteerd was.
De vraag aan de staatssecretaris: is de staatssecretaris het met de BBB-fractie eens dat de Hoge Raad slechts aangegeven heeft dat het belasten op vermogen niet geheel gebaseerd mag zijn op forfaitaire waarden en niet mag discrimineren tussen gelukkige en minder gelukkige beleggers, en niet dat het gebruik van een forfait niet mag? Is daarmee een systeem gebaseerd op forfaitair rendement afgeleid van kapitaalmarktrentes met een tegenbewijsregeling en eventueel een beperking op het hoppen tussen forfaitaire en tegenbewijsbehandeling dan ook niet een tijdelijk houdbare oplossing? Is de spoedeisendheid van dit voorstel dus beperkt? Is die spoedeisendheid dan niet voornamelijk een begrotingskwestie?
Voorzitter. In de brief van 19 juni beschrijft de staatssecretaris opties voor aanpassingen die het kabinet gaat wegen op, let wel, budgettaire, inhoudelijke en uitvoeringstechnische consequenties. We nemen dus een incomplete wet in behandeling en na een wetgevingsproces van vierenhalf jaar komt het ministerie van Financiën erachter, te elfder ure, dat de aanpassingen in de wet die eerder met stoom en kokend water door het parlement moesten, er nu nog moeten komen. Vervolgens kondigt het ministerie een novelle aan waarvan de inhoud niet vaststaat. Wat voor wetsbehandeling is dit? Is dit wetsvoorstel de Eerste Kamer waardig?
Voor mijn fractie druist dit tegen alle principes van goed bestuur en een betrouwbare overheid in. Eenmaal bij onze Kamer zijn er immers constitutioneel gezien weinig opties. Nu ook de minister van Financiën zelf vaststelt dat "er hier iets is misgegaan", met de verwijzing naar de tekentafel, had het de regering gesierd om deze wet in of terug te trekken en de wet na doordachte aanpassingen, consultatie en toetsing opnieuw in te dienen. Een keuze om deze wet in te trekken is een keuze voor goed bestuur. Natuurlijk heeft dat financiële consequenties, maar we moeten de kwaliteit van de wet laten prevaleren. We moeten daar immers decennia mee voort. Op deze wijze doorgaan is wat onze fractie betreft reckless en penny wise, pound foolish.
Voorzitter. Wanneer deze wet wordt aangenomen, zal die een hoeksteen vormen van het nieuwe integraal stelsel. Maar de BBB-fractie vraagt zich af of die wet daar wel voor ontworpen is. Hadden niet eerst wat bredere vragen moeten worden gesteld? Zoals: welk deel van de economie willen we financieren met belastingen? Wat betekent dat dan voor de hoogte en de samenstelling van de beoogde belastinginkomsten? Wie en wat willen we waarom belasten en welk deel van die belastinginkomsten komt dan uit arbeid, vermogen, consumptie of energie? Wat zijn dan de tarieven die maatschappelijk aanvaardbaar zijn? Aan welke knoppen willen we wel of niet draaien om het stelsel in balans te houden? Blijven belastingen dan een sluitpost van de begroting, of zijn we bereid de inkomsten ook maatgevend te laten zijn voor de uitgaven? Meneer Van Rooijen had het daar eerder ook al over. Het zijn vragen die hadden moeten worden beantwoord vóór het tot stand komen van deze wet.
Voorzitter. Onze vraag is of dit kabinet en de Tweede Kamer het maatschappelijke gesprek voldoende hebben gevoerd over de verschillen in behandeling tussen werknemers en ondernemers, over draagkracht en lastendruk, over economische effecten die worden beoogd met het belastingstelsel, en welke er worden gemitigeerd. Hoe zien we dat dan terug in de behandeling van de vermogenscomponenten in deze wet? Hoe vertaalt zich dat in de verhouding tussen box 1, 2 en 3? En hoe verhoudt de wet zich dan tot de door de Algemene Rekenkamer geduide ineffectieve regelingen? En hoe werkt deze wet aan een efficiëntere kapitaalmarkt? Een robuust maatschappelijk gesprek, vormgegeven door een onafhankelijke bijzondere staatscommissie, waar de samenleving al een hele lange tijd om vraagt. En waar blijft dat dan, is mijn vraag aan de staatssecretaris.
Is de staatssecretaris het eens met de BBB-fractie dat de kwaliteit van het wetgevingsproces onvoldoende is geweest, en dat als gevolg hiervan hier een gemankeerde wet ter behandeling ligt? Is de staatssecretaris ook van oordeel dat de maatschappelijke onrust aangeeft dat er onvoldoende maatschappelijk gesprek is geweest? Is de staatssecretaris bereid deze wet alsnog in te trekken en alternatieve dekking voor het financiële tekort te zoeken, zodat na brede consultatie en toetsing alsnog een betere versie naar de Kamer kan worden gezonden? Ik overweeg een motie ter zake, maar een toezegging zou prettiger zijn.
Hoe zit het overigens met de voortgang van de instelling van die onafhankelijke staatscommissie? Wat is of wordt haar opdracht? Als deze wet wordt aangenomen, heeft een dergelijke commissie dan het mandaat om ook deze wet opnieuw ter discussie te stellen?
Voorzitter. Gezien het voorgaande betoog kan deze wet door mijn fractie niet worden gezien als een hervormingswet, maar slechts als een greep in de kas van de burger met als dekmantel de uitspraak van de Hoge Raad en met als doel het dekken van ondoelmatig beleid. Ik vraag aan de staatssecretaris: hoe spoedeisend is de wet dan, vanuit een juridisch perspectief, na de introductie van de tegenbewijsregeling? En hoe doelmatig is het, gezien het ondertussen betaalde leergeld op de uitvoering van die tegenbewijsregeling? Had de regering al niet voor bijna 16,6 miljard aan reserveringen gemaakt voor de uitvoering van het herstel, en lijken die dan niet erg mee te vallen? Hoeveel valt het mee? Ook de heer Van Rooijen vroeg daarvan een inschatting. Lijkt het, gezien het rendement in de kapitaalmarkten van de laatste jaren, niet voor de hand te liggen dat er veel tegenbewijsaanvragen zullen zijn de komende jaren? Graag uw beoordeling.
Tot zover de kwaliteit van deze wet. Superieure modellen versus de imperfectie van de maatschappij.
Voorzitter. Mijn fractie is voor een belastingstelsel waarbij daadwerkelijk genoten inkomen en de resultaten uit vermogen in redelijkheid worden belast. Politiek gezien vinden we dat meer werken ook meer moet lonen, en risico nemen en ondernemen nog beter mág lonen. We vinden ook dat bedrijven en burgers moeten worden gestimuleerd om zelf vermogen en passief inkomen op te bouwen, zodat we als samenleving en als burger zelfredzamer en weerbaarder worden. We zijn ons ervan bewust dat de keuze voor zelfredzaamheid en weerbaarheid bedrijven en burgers de ene keer economisch efficiënte en de andere keer economisch inefficiënte keuzes laat maken. Beleggen is wellicht economisch gezien verstandiger dan sparen, maar als sparen je een betere mentale weerbaarheid geeft, is dat ook een te verdedigen optie.
De maatschappij is per definitie imperfect. Die imperfecties mogen ingeweven worden in deze wet. De wet spreekt over inkomen uit vermogen, maar is dat wel inkomen als je het niet realiseert? Als het dan toch inkomen is, waarom zijn de voorgestelde spelregels voor het verrekenen van verliezen in de aanwasbelasting dan gebaseerd op de principes voor ondernemers? Mijn fractie heeft de indruk dat de regering met deze vermogensaanwasbelasting wel wil putten uit het rendement van burgers, maar niet blootgesteld wil worden aan de volatiliteit, de onzekerheid in de feitelijke realisatie ervan.
Voorzitter. Tijdens de behandeling van deze wet in een deskundigenbijeenkomst ontstond er tussen hoogleraren en adviseurs zowaar een richtingenstrijd over de economische superioriteit van de verschillende modellen voor het belasten van vermogen: vermogensaanwas versus vermogenswinst. Het was een discussie onder academici, mensen die gewoonlijk minder thuis zijn in de imperfecties van een gewone werknemer, een zzp'er, een mkb'er of een agrariër.
Voorzitter. In een dergelijke discussie mis ik de maatschappelijke reflectie. Pieter Omtzigt zei daarover in zijn lezing Modellen regeren Den Haag: "Wij zijn ons gaan fixeren op de modelwerkelijkheid, en de echte werkelijkheid is steeds verder uit beeld geraakt." In zijn rede ter afscheid van het SCP zei Kim Putters: "Politici zoeken houvast in cijfers en modellen, maar die vertellen niet alles." Deze twee citaten raken wat onze fractie betreft de kern van het probleem dat voor ons ligt: de superioriteitsdiscussie gaat over het model, maar niet over de betekenis van de begrippen "besteedbaar inkomen" en "beschikbaar vermogen" in de maatschappij. Meneer Beukering refereerde daar ook al aan.
Deze wet verkiest de zogenaamde economische superioriteit van vermogensaanwasbelasting boven de imperfectie van de samenleving, die inkomen slechts ervaart wanneer dat inkomen uit arbeid of vermogen daadwerkelijk geldelijk genoten is. En ja, voor de meeste mensen is "besteedbaar inkomen" of "beschikbaar vermogen" de zekerheid van contanten op een bankrekening. Het is wellicht deze emotionele werkelijkheid die maakt dat mensen met kleine vermogens liever sparen dan beleggen of investeren. Hierin is een actieve liquiditeitsperceptie voor veel burgers leidend.
Voorzitter. Het accepteren van deze imperfectie door het verkiezen van een vermogenswinstbelasting in plaats van de voorgestelde vermogensaanwasbelasting geeft inderdaad het risico dat een deel van de burgers heel bewust het moment van genieten uitstelt. Deze houding van spaarzaamheid, het welbekende appeltje voor de dorst, is onderdeel van onze cultuur. Dit creëert weerbaarheid. Dat is overigens heel normaal als het gaat over onze pensioenen.
Voorzitter. Ook in het bedrijfsleven wordt uitstel van winst veelal verkozen boven afdracht van belastingen. Naar onze verwachting zullen grote vermogens, die veelal niet rationeel of emotioneel gebonden zijn aan liquiditeit, bij implementatie van deze wet inderdaad op andere manieren uitstel van belastingen vormgeven, hetzij door te schuiven in de samenstelling van vermogens, hetzij door het vermogen van box 3 naar box 2 te verschuiven.
Voorzitter. Voor de waarschijnlijkheid van deze verwachting verwijs ik graag terug naar ons cultureel gedachtegoed. De heer Olivier B. Bommel sprak hier al over. Ik citeer zijn terechtwijzing aan Tom Poes: "Geld speelt geen rol voor een heer van stand, mijn kleine vriend." Inderdaad, het zijn immers deze vermogens waarvoor liquiditeit van vermogen geen rol van betekenis speelt.
De heer Crone i (GroenLinks-PvdA):
Ik zal het aantal interrupties beperken, maar in ieder geval komt natuurlijk de hamvraag van de dag: wie gaat dit betalen? Ik vraag ook om enige consistentie. Dit is namelijk een wetsvoorstel van het kabinet-Schoof, waarin u regeringsverantwoordelijkheid droeg. De staatssecretaris van uw partij was zelfs degene die dit heeft ingediend en verdedigd. Dat is geen jij-bak, want alle partijen hier zijn schuldig, of laat ik zeggen: verantwoordelijk. Alleen de PvdA en Forum voor Democratie zijn dat niet; wij hebben al zo lang geen staatssecretaris meer gehad op dit dossier. Dat zou overigens wel weer eens tijd worden. Maar goed, het is geen grapje. Al diegenen hebben gezocht binnen de normen van de Hoge Raad. Rendementsbelasting is winst plus vermogenswinst. De Hoge Raad heeft nooit gezegd: je mag vermogensvermeerdering niet meenemen in de winstbelasting. Dat heeft de Hoge Raad expliciet gezegd. Alleen, de omvang moet kloppen. Als u nu doet alsof dat allemaal niet kan, dan hebben al die staatssecretarissen het fout gehad. We hebben nu een hybride systeem. Als u dat zomaar afschiet, ligt er een gat van 22 miljard. Ik ken u als een eerlijk mens, dus ik hoop dat u nu gaat zeggen: "Wie gaat die 22 miljard betalen? Dat zijn dan toch die hardwerkende mensen. Dat zijn bezuinigingen op de overheid."
De heer Kroon (BBB):
Het is inderdaad lang geleden dat er uit de familie van PRO financiële bewindspersonen kwamen. Dat zal ook z'n redenen hebben. Ik wil u eraan herinneren dat meneer Dijsselbloem en meneer Bos nog best een redelijke reputatie hebben, ook in dit huis. Daar zal ik verder van afblijven. In het laatste stuk van mijn betoog zal ik nog iets zeggen over hoe hier volgens mij dekking voor gevonden kan worden. Daar kom ik dan graag op terug.
De voorzitter:
U vervolgt uw betoog.
De heer Kroon (BBB):
Dan mijn vragen aan de staatssecretaris. In welke mate is er rekening gehouden met aangepast gedrag, zoals meer vastgoedbeleggingen in box 3 en een verschuiving van aandelenbeleggingen naar box 2? Welke scenario's zijn in beeld geweest? Hoeveel vermogen verschuift er? En wat is de impact op de heffing in de aanvangsjaren van deze wet?
Voorzitter. In de beoordeling van mijn fractie verkiest het kabinet de aanwasbelasting vanuit het perspectief van een constante inkomensstroom op korte termijn met een grote inkomstenimpuls op korte termijn boven de betekenis die de maatschappij geeft aan de begrippen "besteedbaar inkomen" en "genoten inkomen" of "beschikbaar vermogen" en "vrij vermogen". Daarmee sorteert het kabinet in de verwachting van mijn fractie voor op problemen.
De wetgever was al bij de introductie van het huidige box 3-stelsel in 2001 en bij de herziening in 2017 expliciet op de hoogte van de bezwaren die kleefden aan de wetsimplementatie. De politieke overwegingen wogen destijds zwaarder dan de juridische en de economische bezwaren. Daarvan betalen we vandaag de rekening. Hierbij verkoos de regering een model met een stabiele belastingstroom, waarbij de juridische en de economische realiteit terzijde geschoven werden. Nu lijkt de regering op basis van een vergelijkbare motivatie een economisch superieur model te verkiezen boven een maatschappelijk-economische realiteit, met het risico dat Nederland zich economisch zal isoleren van de rest van de wereld en de belastingmoraal zal ondermijnen. Dat gebeurt nota bene in de wetenschap dat dit economisch superieure model na 2028 toch verlaten zal moeten worden.
Ik kom op mijn vragen aan de staatssecretaris. Welke opdracht herkent de staatssecretaris uit de motie-Vermeer uit de Tweede Kamer wat betreft de implementatie van de vermogensbelasting? Is de staatssecretaris het met de BBB-fractie eens dat, als het gaat om genoteerde beleggingen en spaartegoeden, de implementatie van een aanwasbelasting en een winstbelasting van een gelijkwaardige aard zijn en dat financiële instellingen verwachten dat zij beide varianten op vergelijkbare termijn kunnen implementeren? Ziet de staatssecretaris ook dat voor niet-liquide vermogensbelasting een vermogenswinstbelasting een lagere uitvoeringscomplexiteit heeft dan de vermogensaanwasbelasting, waarmee het in de uitvoering potentieel veel goedkoper is voor bedrijven, burgers en de overheid? Deelt de staatssecretaris de BBB-opinie dat het nu invoeren van een vermogensaanwasbelasting en deze niet te laten vervangen door een vermogenswinstbelasting een dubbele implementatie betreft en daarmee ook ondoelmatig is? Tot zover de modellen.
Dan de appreciaties en wat inhoudelijke rafelranden. Gezien mijn inleiding zou de staatssecretaris zich kunnen afvragen of mijn fractie helemaal niets ziet in die wet. Nou, dat is ook niet het geval. Mijn fractie is gecharmeerd van het principe dat genoten rendement de basis moet zijn voor heffing. We verschillen alleen als het gaat om de definitie van "genoten rendement". Een novelle of een achterwaartse verliesverrekening lost dat principe niet op. Het lost ook niet op dat burgers bij dalende vermogenswaarden slechts een tegoedbon in plaats van cash krijgen van de Belastingdienst. Het lost ook het liquiditeitsverlies van burgers wegens het heffen op niet-liquide vermogenscomponenten niet op. Ik heb de volgende vragen aan de staatssecretaris. Uit de brief van 19 juni lijkt de staatssecretaris slechts een achterwaartse verliesverrekening te overwegen in bijzondere situaties en niet in generieke zin. Klopt dat? Graag een verduidelijkende reflectie. Heeft de staatssecretaris overwogen om in plaats van een verliesverrekening bij vermogensverlies een negatieve belasting direct onderdeel te laten zijn van de aanslag, dus om niet te verrekenen maar uit te keren? Waarom niet? Is de staatssecretaris bereid om deze optie mee te nemen in de weging van haar alternatieven deze zomer?
In de fiscale behandeling van vastgoed repareert de wet grotendeels de fictie van het forfaitaire rendement en maakt de wet wat ons betreft terecht onderscheid tussen een inkomstenstroom na aftrek van kosten en een vermogenswinst bij vervreemding. Je kunt dan nog twisten over drempels, differentiatie, tarieven et cetera, maar het principe heeft onze instemming. Ik heb daarbij wel twee opmerkingen. Ten eerste: nu de WOZ-waarde daadwerkelijk gebruikt gaat worden als instrument voor rendementsheffing, zullen burgers kritischer zijn op die WOZ-waardering. Wat zijn de verwachtingen van de staatssecretaris voor de aangroei van de WOZ-bezwaren en de administratieve lasten na implementatie van de VAB? Hoe gaat de staatssecretaris om met de mogelijke rechtsongelijkheid die er nu al is, omdat in verschillende gemeenten verschillende waarderingsmodellen worden gebruikt?
Dan het tweede onderdeel dat gerelateerd is aan vastgoed: de bijdrage aan de vereniging van eigenaren, de vve. Voor een belastingbetaler is de bijdrage aan zijn vve onderdeel van de kosten voor het houden en/of exploiteren van vastgoed, terwijl dit in de voorliggende wet voor de fiscus pas zo is wanneer de vve het onderhoud of de investeringen daadwerkelijk doet. Dit gaat ten minste administratieve problemen opleveren. Hoe krijgt de burger nou betrouwbare informatie van een vve voor zijn belastingaangifte? Ten tweede gaat dit tot onredelijke vermogensoverdrachten leiden. Dat zal het zeker doen bij overdracht van vastgoed, waarbij de vastgoedeigenaar de spaarpot in de vve niet uit kan laten keren, maar deze feitelijk ten goede komt aan een volgende eigenaar. Die zal daar naar onze verwachting dan niet voor willen betalen, omdat deze maar beperkt invloed heeft op de besteding van de middelen in die vve. Uitgaande van een calculerende verhuurder zal in de verwachting van mijn fractie de omvang van de vve-middelen gaan krimpen, en daarmee ook de financiële robuustheid van de vve's. Dit schaadt potentieel de kwaliteit van verhuurd vastgoed. Dat kan toch ook niet de bedoeling zijn?
Ik heb de volgende vragen aan de staatssecretaris. Waarom zijn de vve-kosten niet opgenomen als onderdeel van de aftrekbare kosten? Wanneer hiervan werd afgezien om het weglekken van huuropbrengsten naar vve's te voorkomen, was een belasting op vve-winsten of vve-uitkeringen dan niet beter geweest? Kan de staatssecretaris toezeggen om ook deze omissie te repareren in de voorliggende wetsaanpassingen? Ik overweeg een motie daarvoor, maar een toezegging is beter.
Voorzitter. Onze fractie houdt zorg over de mate waarin de wet rekening houdt met de zogenaamde life events, zoals een echtscheiding of een overlijden. De impact van deze wet op de liquiditeitspositie van een burger na zo'n event kan echt levensontregelend zijn. Dat vraagt om meer detail en duiding. De voorgestelde doorschuifregeling zou kunnen werken, maar de details daarvan ontbreken.
Voorzitter. Waarom wordt er voor scale-ups en start-ups een regeling ingericht die anders is dan die voor andere bedrijven of familiebedrijven? Mijn fractie is van mening dat de fiscale behandeling in een regeling voor alle aandelenbelangen kleiner dan 5% in principe gelijk zou moeten zijn, en dat er dus geen discriminatie moet zijn. Een gelijke behandeling voor werknemersparticipatie zou voor alle werknemers in Nederland ook een betere en eerlijkere oplossing zijn. Wanneer de overheid dan bepaalde soorten ondernemingen of medewerkers tijdelijk fiscaal zou willen stimuleren, zou dat ook buiten de generieke box 3-regels kunnen vallen. Dat doen we nu ook al. Welke mogelijkheden ziet de staatssecretaris hier nog voor in het af te ronden en af te maken wetgevingstraject? Mijn fractie beoordeelt de uitvoerings- en handhaafbaarheidsrisico's van de voorliggende wet als groot, enerzijds vanwege het ICT-vraagstuk en anderzijds vanwege de noodzakelijke bemensing. De Belastingdienst krijgt straks 1,4 miljoen aangiften die niet standaard kunnen worden afgehandeld. De uitvoeringsproblemen kunnen zowel leiden tot extreme kosten als tot uitstel van inkomsten. Ik verwijs dan naar de toeslagenaffaire en het herstel van Groningen, waar dat beide gebeurt. Heeft de staatssecretaris overwogen om de aanpassingen in box 3 gefaseerd in te voeren, zodat de stapelrisico's van deze implementatie kleiner zijn? Dan doet men bijvoorbeeld eerst de aanpassingen voor niet-liquide vermogenscomponenten, zoals vastgoed, en daarna voor de vermogenscomponenten met een meer verhandelbaar of liquide karakter. Ook hier vraag ik een toezegging. Anders komt er van onze kant mogelijk een motie.
Waar onze fractie die implementatierisico's onderkent voor de Belastingdienst, zien wij die ook voor de burger. Het is redelijkerwijs te verwachten dat in de eerste jaren discussies ontstaan tussen burgers en overheid, en dat er aan beide kanten fouten worden gemaakt. In de huidige fiscale relatie tussen burger en overheid is er weinig ruimte voor fouten. Er is geen ruimte voor horizontaal overleg tussen burger en Belastingdienst. Fouten gemaakt in aangiften zijn feitelijk een economisch delict. Een vraag aan de staatssecretaris: vindt de staatssecretaris het ook redelijk dat na wijziging van het stelsel, de burger bij een in de controle vastgestelde fout of onjuist gedane aangifte in staat gesteld moet worden een herstelaangifte te doen, zonder gevolgen? Wellicht kunnen we dan het "twee strikes out"-principe of "drie strikes out"-principe gebruiken om ervoor te zorgen dat fouten maken mag, maar misbruik wordt bestraft. Ziet de staatssecretaris hier nog mogelijkheden?
Dan een korte reflectie op het lastminutekeuzemenu van 19 juni. In een situatie waarin de staatssecretaris spreekt van "derving" en "tekorten" vindt mijn fractie het opmerkelijk dat eerder afgeschafte fiscale regelingen nu opnieuw van stal gehaald worden. Oude koeien kun je beter in de sloot laten liggen, zeggen wij dan in de fractie. Het is ook opmerkelijk dat de regelingen batig zijn voor het deel van de samenleving dat een dergelijke regeling eigenlijk helemaal niet nodig heeft. Toevallig of niet, deze regelingen zijn juist batig voor de politieke achterban van de staatssecretaris. Is dat netjes als je deel uitmaakt van een minderheidsregering? Waar komt het herstel van die partiële buitenlandse belastingplicht opeens vandaan? Vanuit welke hoek van de samenleving komt die? Is dit een neveneffect van de keuze voor een aanwasbelasting? Waaruit blijkt dat het nodig is om deze groep, die al beperkt fiscaal bijdraagt wegens de expatregeling, nogmaals in de watten te leggen? Hoe verwacht de staatssecretaris dat het gewone publiek deze vrijstelling voor veelal welvarende expats gaat ervaren? Wat maakt het herintroduceren van een groenbeleggenvrijstelling passend in een situatie waarin er juist nieuwe dekking wordt gezocht?
Voorzitter. Blijkbaar werkt de kapitaalmarkt in Nederland onvoldoende. Het resultaat is dat spaarders te weinig rente en mkb-ondernemers te weinig financiering krijgen. De geopperde win-winlening geeft blijkbaar een oplossing voor deze marktinefficiëntie. Dus waar de markt faalt, wordt nu via een fiscale faciliteit — lees: de burger betaalt — het gat gedicht. Een vraag aan de staatssecretaris is: ligt het dan niet meer voor de hand dit marktfalen te adresseren bij banken en financiële instellingen, in plaats van een fiscale regeling? Graag hoor ik een reflectie over de omvang van dit marktfalen en de wenselijkheid om dit via een fiscale regeling op te lossen. De regering verwijst daarbij ook naar België. Heeft de regering, net als in België, ook het voornemen om burgers onder aantrekkelijke voorwaarden te laten beleggen in staatsobligaties?
Als laatste, mede voor meneer Crone, die intussen verdwenen is, de verbinding met overheidsfinanciën en begrotingen. In de presentatie wordt deze wet door het kabinet gebracht als budgetneutraal, maar hij komt bij onze fractie wel een beetje over als een stopmiddel voor een begrotingsgat dat al gecreëerd werd door kabinet-Rutte V. Men spreekt van derving wanneer deze wet er niet komt, maar dat is natuurlijk incorrect. Het is geen derving; het is geld niet krijgen dat je al niet had. Daarnaast heeft de wet een eenmalige vergrote opbrengst door het omarmen van het aanwasprincipe. Die opbrengst is echter niet duurzaam; die is niet structureel. Deze eenmalige extra opbrengst vertekent in de begrotingen de structurele gezondheid van de overheidsfinanciën.
Het kabinet houdt bij de discussie over de wet krampachtig vast aan alternatieve dekking. Zo wordt het wetgevingsproces een beetje als voetballen met de blik op het scorebord. U heeft vannacht kunnen zien: de uitkomst is helder; u verliest. Wat de BBB-fractie betreft kunnen we het tekort beter dekken met het niet-uitvoeren van projecten waarvan de resultaten niet doelmatig zijn, of met het afschaffen van de ineffectieve regelingen. De rapporten van de Algemene Rekenkamer geven hier meer dan voldoende inspiratie voor. Mijn vragen aan de staatssecretaris zijn de volgende. Heeft hij overwogen om een alternatieve, eenmalige meeropbrengst ter dekking van het uitstel of een aanpassing van deze wet te realiseren? Was, gezien de oplopende begrotingen en de uitdijende overheid, een kostenreductieplan niet een beter voorstel geweest? Hoe verhoudt een meevaller in de totale kosten van de uitvoering van de tegenbewijsregeling zich tot de reservering van 16,6 miljard? Heeft de staatssecretaris onderzocht welke mogelijkheden er zijn om die voorziene vrijval uit de staatsschuld ten bate van het mogelijke dekkingstekort in de begroting te brengen? Is hij bereid dat eventueel alsnog te doen?
Dan een tip. Een voor de hand liggende alternatieve dekking door tijdelijk een korting te verlenen op de dividenden in box 2 is eerder succesvol toegepast door Gerrit Zalm op rechts en door Jeroen Dijsselbloem op links. Beide keren werd het box 2-tarief tijdelijk verlaagd. Beide keren leidde dit tot een dividendgolf. Het leverde de schatkist miljarden euro's aan directe, naar voren gehaalde belastinginkomsten op en creëerde een groter belastbaar box 3-vermogen. Heeft de staatssecretaris dit instrument overwogen als dekking voor het overbruggen van de tijd naar een wet vermogenswinstbelasting?
Voorzitter, tot slot. Zoals u merkt, is mijn fractie in generieke zin niet zo enthousiast over deze wet, met uitzondering van de aanpassing van de fiscale behandeling van vastgoed. We zijn heel benieuwd of en hoe deze wetsbehandeling haar vervolg krijgt. We wachten uw antwoorden verder af.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan geef ik nu graag het woord aan de heer Holterhues van de ChristenUnie. Hij spreekt mede namens de fractie van OPNL.