Plenair Van der Linden bij voortzetting behandeling Wet werkelijk rendement box 3



Verslag van de vergadering van 30 juni 2026 (2025/2026 nr. 37)

Status: gecorrigeerd

Aanvang: 15.57 uur


Bekijk de video van deze spreekbeurt

Mevrouw Van der Linden i (VVD):

Voorzitter. Ik sta hier namens mijn fractie met enige terughoudendheid. Niet omdat wij dit debat uit de weg gaan, integendeel, juist deze Kamer moet wetgeving zelfstandig, zorgvuldig en in volle omvang beoordelen. Maar dan moet wel duidelijk zijn welk voorstel wij beoordelen. Daar wringt het. De staatssecretaris heeft aangekondigd met wijzigingen te komen, die nog door de Tweede Kamer moeten worden beoordeeld. We spreken dus vandaag over een wetsvoorstel waarvan nu al vaststaat dat het niet het laatste woord is. Staatsrechtelijk kan dat, maar het is geen gelukkige wetgevingsorde. Als wezenlijke onderdelen nog in beweging zijn, raakt dat direct aan de kwaliteit van onze behandeling. Dat neemt niet weg dat mijn fractie het voorstel vandaag inhoudelijk behandelt, met de kanttekening dat deze Kamer bij voorkeur een afgerond wetsvoorstel beoordeelt.

Voorzitter. Het wetsvoorstel kiest voor een hybride stelsel. Voor financieel vermogen komt de vermogensaanwasbelasting, voor onroerend goed en aandelen in start- en scale-ups geldt een vermogenswinstbelasting. Voor mijn fractie is dat onderscheid wezenlijk. Wij steunen de overgang naar een heffing voor werkelijk rendement en juist daarom hechten wij aan het juiste stelsel. Voor ons is realisatie het meest zuivere aanknopingspunt. Daarom ligt de vermogenswinstbelasting principieel het meest voor de hand. Die sluit aan bij de daadwerkelijke opbrengst, biedt ruimte voor aftrek van kosten en voorkomt heffing over papieren winst. Daarmee is de inzet van dit debat helder. De vraag is niet of we naar werkelijk rendement moeten, maar onder welke voorwaarden dat verantwoord kan. Ik begin bij het principiële bezwaar, daarna bij de maatschappelijke gevolgen en tot slot bij de waarborgen die de staatssecretaris bereid is wettelijk vast te leggen.

Allereerst het principiële bezwaar. Een vermogensaanwasbelasting als eindstation is voor mijn fractie niet aanvaardbaar. Dat is ook niet wat de Tweede Kamer heeft beoogd. Met de motie-Van Dijk c.s. en de motie-Vermeer is de regering opgedragen toe te werken naar een volledige vermogenswinstbelasting, uiterlijk bij het Belastingplan 2029. De vermogensaanwasbelasting is dus hooguit een tussenstap. Zo wordt het ook genoemd. Maar dan moet het ook echt tijdelijk zijn. Want, zoals we vandaag al eerder hebben gehoord, is in de politiek weinig zo blijvend als een tijdelijke regeling zonder einddatum. Precies daarom is wettelijke begrenzing nodig. Daarom vraag ik de staatssecretaris: is hij bereid een horizonbepaling in de wet op te nemen? En wil hij wettelijk vastleggen dat de regering op korte termijn een uitgewerkt voorstel voor een volledige vermogenswinstbelasting bij de Tweede Kamer indient?

De aanwasbelasting schuurt ook inhoudelijk. Zij belast aangroei die nog niet is gerealiseerd. Als die aangroei vooral bestaat uit inflatie, is er economisch geen echte winst. Bij een rendement van 4% en een inflatie van 3,5% blijft er slechts 0,5% over. Toch wordt over het nominale rendement van 4% geheven. Dan belast men een schijnwinst. Dat is precies het soort fiscale fictie waarvan wij na het Kerstarrest afscheid hadden moeten nemen. Daarbij heeft de jaarlijkse heffing een tweede effect. Zij remt vermogensvorming. Wie belasting moet betalen over aangroei die nog niet is verzilverd, kan worden gedwongen een deel van zijn portefeuille te verkopen. Dat neemt de liquiditeit en de vrijheid om vermogen op lange termijn op te bouwen weg. Daarmee wordt ook de rente-op-rentetermijn aangetast.

Ook de budgettaire onderbouwing overtuigt mijn fractie niet. Het ministerie stelt dat een vermogensaanwasbelasting en een vermogenswinstbelasting op termijn vergelijkbare opbrengsten genereren. Tegelijk wordt erkend dat de vermogenswinstbelasting leidt tot een hoger eindvermogen. Dat roept vragen op over de aannames achter de raming. Daarom vraag ik de staatssecretaris om duidelijkheid. Welke aannames zijn gehanteerd over uitstelgedrag, marktontwikkelingen, fiscale emigratie, verschuiving naar box 2 en toekomstige opbrengsten bij realisatie? Kan de aangevulde analyse vóór de stemming aan deze Kamer worden gestuurd?

Dan de brede maatschappelijke en internationale zorg. De zorgen over dit wetsvoorstel blijven niet beperkt tot de kring van fiscalisten. Mijn fractie heeft opvallend veel berichten ontvangen van spaarders en kleine beleggers, mensen die zich afvragen of zij straks belasting betalen over winst die zij nog niet hebben gemaakt. Ook deskundigen zijn kritisch. De Raad van State adviseerde negatief. De Belastingdienst noemt het stelsel complex en foutgevoelig. Er zijn 900 extra fte nodig. Invoering in de transitieperiode is volgens de dienst niet haalbaar. En de structurele uitvoeringskosten lopen op tot ruim 100 miljoen euro per jaar. Dit roept een proportionaliteitsvraag op. Daarom vraag ik de staatssecretaris: kan hij deze Kamer ervan overtuigen dat de Belastingdienst dit stelsel per 1 januari 2028 zorgvuldig en tijdig kan uitvoeren? En hoe weegt hij het oordeel van de Belastingdienst dat het stelsel complex en foutgevoelig is?

Voorzitter. Ook de positie van start-ups, scale-ups en andere niet-beursgenoteerde belangen vraagt aandacht. Werknemers met aandelenopties kunnen worden geconfronteerd met een heffing over waardestijgingen die zij nog niet kunnen verzilveren. Dat raakt precies aan het probleem waarover mijn fractie spreekt: belastingheffing over waarden die op papier bestaan, maar nog niet liquide beschikbaar zijn. Het voorstel maakt wel een uitzondering voor aandelen in startende en groeiende ondernemingen, maar die uitzondering is volgens mijn fractie te smal. De genoemde bezwaren gelden immers ook voor werknemersparticipaties, belangen in familiebedrijven en andere niet-beursgenoteerde aandelenposities. Bij zulke posities komt er nog bij dat verkoop in de praktijk slechts beperkt of onder stringente voorwaarden mogelijk is.

Voorzitter. Welke ruimte ziet de staatssecretaris op dit punt in het licht van de aangekondigde novelle? Kan hij aangeven of voor bepaalde categorieën beleggingen een vermogenswinstbelasting passender is dan een vermogensaanwasbelasting?

Dan de internationale dimensie. Met een tarief van 36% ligt Nederland boven het Europese gemiddelde. Tegelijkertijd werkt Brussel aan voorstellen om de belasting op dividend tussen bedrijven te schrappen. We hebben het al eerder gehoord vandaag. Daarmee kan beleggen via box 2 relatief aantrekkelijker worden dan beleggen in box 3. Dat vergroot het risico op fiscale arbitrage. Graag hoor ik van de staatssecretaris hoe hij deze wisselwerking beoordeelt. Deelt hij de zorg dat het voorstel arbitrage tussen box 2 en box 3 versterkt?

Dan ten slotte de aangekondigde aanpassingen. De staatssecretaris erkent dat het wetsvoorstel nog niet af is. Hij wijst op mogelijke aanpassingen en mijn fractie neemt die beweging serieus. Maar dat neemt het principiële bezwaar niet weg. De hoofdvraag blijft: hoe en vooral wanneer wordt de stap gezet naar het einddoel van een vermogenswinstbelasting, dat de Tweede Kamer heeft vastgelegd? Daarom vraag ik de staatssecretaris om duidelijkheid over het vervolg. Wanneer komt de novelle naar de Tweede Kamer en wat is het beoogde tijdpad?

Voorzitter. Uiteindelijk gaat het om de vraag of dit wetsvoorstel doet wat het belooft. Mijn fractie steunt belastingheffing over werkelijk rendement. Maar wie werkelijk rendement wil belasten, moet ook zorgvuldig wetgeven. Dat betekent: geen heffing over schijnwinst, geen tijdelijke route zonder harde einddatum, geen stelsel dat de uitvoering verder onder druk zet en geen wet die burgers opnieuw met onzekerheid opzadelt. Daarom houdt mijn fractie haar eindoordeel aan. Wij zijn van mening dat de Tweede Kamer eerst de aangekondigde novelle moet behandelen, voordat wij de behandeling van dit wetsvoorstel kunnen voortzetten. Wij zien graag uit naar de antwoorden van de staatssecretaris.

De heer Crone i (GroenLinks-PvdA):

Dat was een vrij consistente inbreng. Op één punt, laat ik zeggen, stelde u een interessante vraag, die ik ook heb: wordt box 2 niet relatief aantrekkelijker en hoe kunnen we arbitrage voorkomen? Ik zie uit naar de antwoorden op dat punt. Ik zou het plezierig vinden om in het vervolg met de VVD te kunnen optrekken. Dat is mijn vervolgvraag. Rijke mensen zitten vaak in box 2 of in beleggingsfondsen, maar gaan nooit winst opnemen. Zij hebben zo veel vermogen dat het alleen maar blijft vermeerderen, zonder dat zij ooit belasting hoeven te betalen in een winstbelastingstelsel. Dat is een van de lekkages die het kabinet ook noemt. Dat kost geloof ik wel 20% van de verwachte opbrengst. Als dat gebeurt, hebben we een groot financieel gat. Er is al eerder gesproken over 22 miljard. Hoe gaat de VVD die dekken als dit voorstel wordt omgezet in een winstbelasting? 22 miljard is een groot bedrag. Volgens de regels van het huidige kabinet moet dat uit de boxensfeer, althans uit de vermogenssfeer.

Mevrouw Van der Linden (VVD):

Dank u wel, collega, voor deze interessante vraag, die u tot nu toe aan elke fractie hebt gesteld. Ook hierover ben ik het graag eens met mijn collega Van Rooijen. Ik zou heel graag rolvast willen zijn: wij beoordelen wetsvoorstellen op inhoud, rechtvaardigheid en uitvoerbaarheid. De vraag over budgettering vind ik echt een politieke vraag, die aan de overkant moet worden beoordeeld. Daar wil ik wel bij zeggen dat het hoog tijd wordt dat we aan dit heel ingewikkelde politieke debat een einde maken, met een goed systeem. De vraag over de kosten en de budgetten zou ik graag in de Tweede Kamer neerleggen, waar hij hoort.

De heer Crone (GroenLinks-PvdA):

Ik ben het er natuurlijk mee eens dat het politieke primaat in de Tweede Kamer ligt. Dat betekent ook dat u voor dit voorstel moet stemmen. Als u tegenstemt, kunt u niet zeggen: doe jullie huiswerk maar opnieuw. U slaat dan namelijk een groot financieel gat. Dat is niet gebruikelijk, hoor. In de Tweede Kamer is het gebruikelijker geworden om ongedekte gaten achter te laten. Ik ondersteun BBB, die bijvoorbeeld in de stemverklaring over de begroting van Ontwikkelingssamenwerking zei: we doen niet mee aan ongedekte cheques. Ik ken de VVD als een solide partij, van gedekte uitgaven en niet van gaten slaan. Ik noemde het al het "tekort van Heinen". Neemt u daar geen verantwoordelijkheid voor? Want u gaat tegenstemmen.

Mevrouw Van der Linden (VVD):

U hebt mij horen zeggen dat wij niet voor- en niet tegenstemmen. Wij houden onze beslissing aan en wachten met interesse af waar de staatssecretaris mee komt. Daar wil ik het graag bij laten. Dank u wel.

De heer Van Apeldoorn i (SP):

Daar wil collega Van der Linden het graag bij laten, maar ik wil mij graag aansluiten bij de opmerking van de heer Crone dat ik dit toch een wat merkwaardige houding vind van de VVD-fractie. De VVD zegt: we kijken alleen naar rechtmatigheid en uitvoerbaarheid van wetgeving. Als dat een prijskaartje heeft van 22 miljard, ligt dat bij de Tweede Kamer. Dat is dan een probleem van de regering en niet ons probleem. Wij hebben als Eerste Kamer toch ook budgetrecht? Wij keuren ook begrotingen goed. Als iemand hier een motie indient, wordt vaak gezegd dat die ongedekt is. Dat hoor ik zeker ook van de VVD-fractie. Dit gat van 22 miljard is kennelijk geen probleem voor de VVD-fractie in de senaat. Ik vind dat een merkwaardig uitgangspunt.

Ik wilde eigenlijk een andere vraag stellen. Het is mij duidelijk dat de VVD-fractie voor vermogenswinstbelasting is in plaats van vermogensaanwasbelasting. Vermogensaanwas is namelijk papieren winst. Ik heb al in mijn eerste termijn aangegeven dat ik dat onderscheid niet zo principieel zie. Mijn vraag is wanneer volgens de VVD vermogenden of beleggers dan wél belasting moeten betalen. Ziet de VVD het risico, los van hoe je dat politiek weegt, dat er sprake is van uitstelgedrag dat uiteindelijk tot afstelgedrag kan leiden? Mevrouw Van der Linden zei dat ook veel deskundigen kritisch zijn over het wetsvoorstel zoals dat nu voorligt, met als basis vermogensaanwas. Er zijn ook deskundigen, zoals prof. Jacobs, die hebben aangetoond dat vermogensaanwasbelasting economisch superieur is, omdat die ervoor zorgt dat belasting daadwerkelijk geheven wordt, in plaats van dat je uitstelgedrag beloont. Ziet de VVD-fractie überhaupt dat probleem, of niet?

Mevrouw Van der Linden (VVD):

Zoals gezegd is mijn fractie voor werkelijk rendement. Wij gaan uit van het realisatieprincipe: op het moment dat er winst wordt gerealiseerd, is het zonder meer terecht dat daarover betaald wordt. De voorbeelden die u in uw bijdrage noemde, betroffen niet de situatie waarin een aandelenportefeuille bijvoorbeeld minder waard wordt. U gaat alleen uit van de situatie dat een aandelenportefeuille op papier meer waard wordt. Dat vinden wij in de basis onterecht. Daarom zegt mijn fractie, zegt mijn partij en zegt ook de Tweede Kamer: we moeten naar een vermogenswinstbelasting, omdat dat de enige faire manier is.

De heer Van Apeldoorn (SP):

Als een aandelenportefeuille minder waard wordt, betaal je geen belasting, ook niet bij de vermogensaanwasbelasting. Dat probleem zie ik dus niet zo. Ontstaat er bij invoering van een vermogenswinstbelasting niet een enorme prikkel voor beleggers en aandeelhouders om niet te verkopen, om aan te houden, waarbij ze over de winst die ze maken — dat wil zeggen: de vermogensaanwas — ook weer rendement kunnen maken? Dat is dus rendement op rendement. Het vermogen blijft dan al die jaren groeien. Tenminste, zolang het gemiddeld genomen goed gaat met de beurs. Langjarig zal het vermogen blijven groeien. Dat is vermogensgroei op vermogensgroei. Al die tijd blijft dat onbelast. Een deel van die vermogensgroei had je anders met de vermogensaanwasbelasting wegbelast. Dat doe je nu dus niet. Dat vermogen blijft groeien. Mensen kunnen vervolgens lenen tegen dat vermogen en kunnen de realisatie eindeloos uitstellen, totdat de aandeelhouder, de vermogende, op een gegeven moment overlijdt en het vermogen overgaat naar de erfgenamen. Die moeten dan misschien over een deel van de winst wel belasting betalen, maar die kan dan weer worden weggestreept tegen gemaakte leningen.

De voorzitter:

En de vraag is?

De heer Van Apeldoorn (SP):

Ziet de VVD-fractie überhaupt het gevaar van eindeloos uitstellen?

Mevrouw Van der Linden (VVD):

Voor de VVD is het zeker dat er altijd een moment van realisatie zal komen, of het nu vroeger of later is. Als het later is, is er ook meer winst en zal er ook meer worden afgedragen. Uiteindelijk is dat beter voor de Belastingdienst en voor ons land. Wij zien dat dus anders. Er zal altijd zo'n moment komen. U schetst dat zelf ook al. Er komt een moment dat iemand overlijdt. Er komt een moment dat het nodig zal zijn om te verkopen. Dat realisatiemoment is een gegeven. De vraag is alleen wanneer dat in de tijd zal zijn. Wij denken: hoe langer het duurt, hoe meer er zal zijn en des te meer er zal worden afgedragen.

De voorzitter:

Tot slot, de heer Van Apeldoorn.

De heer Van Apeldoorn (SP):

Ja, tot slot. De VVD-fractie kan dat wel denken, maar de berekeningen van het ministerie van Financiën en ook de beantwoording van onder meer onze vragen laten een ander beeld zien, namelijk dat die opbrengst met de vermogenswinstbelasting op termijn veel onzekerder is en effectief lager zou kunnen liggen vanwege dat uitstelgedrag, dat ook tot afstelgedrag leidt. Dat zeggen ook deskundigen als prof. Jacobs. Het rekensommetje van mevrouw Van der Linden, waarbij uiteindelijk de belastinginkomsten voor de Staat hoger zullen zijn, klopt ook niet volgens de staatssecretaris. Maar dat kan de staatssecretaris misschien later zelf toelichten. Ik ben benieuwd waar de VVD-fractie dat op baseert.

Mevrouw Van der Linden (VVD):

Een uitstekend idee. Waarom leiden wij deze vraag niet door naar de staatssecretaris? Die weet echt hoe het zit.

De heer Schalk i (SGP):

Dat zou u natuurlijk ook met mijn vraag kunnen doen, maar laat ik eens proberen om dat te voorkomen. We weten, zeg ik tegen mevrouw Van der Linden, dat de regering heeft aangekondigd in 2028 en 2029 te komen met een nieuw stelsel. We weten ook dat als we gaan wachten op de novelle, het heel erg lang duurt voordat we dit gaan bespreken. Is het niet een verstandige optie, die door de VVD-fractie zou kunnen worden omarmd, om gewoon te zeggen: laten we stoppen met deze route, want die is toch alleen maar tijdelijk, en laat de staatssecretaris alle energie steken in een goed nieuw stelsel?

Mevrouw Van der Linden (VVD):

Dank u wel voor deze vraag. Zoals u hebt kunnen horen, houdt mijn fractie haar besluit aan. Wij willen echt wachten en goed kijken naar waar de staatssecretaris mee komt. Wij vinden het te voorbarig om er nu al op vooruit te lopen en te beslissen dat we voor of tegen gaan zijn. We zijn nog steeds hoopvol dat de staatssecretaris met een goede oplossing komt voor een tijdelijke vermogensaanwasbelasting, met een horizonbepaling en met een wettelijke regeling die duidelijk maakt tot wanneer dit duurt. Wij zijn dus hoopvol en positief gestemd. Tegelijkertijd hebben wij dezelfde zorgen die ik tot nu toe bijna iedereen, met uitzondering van de collega van de SP, heb horen uiten. Wat dat betreft wachten wij af.

De voorzitter:

Dank u wel. Ik wil voor een korte pauze schorsen. Wanneer wij over vijf minuten weer beginnen, wil ik graag even de woordvoerders bij mij hebben om te overleggen over het vervolg.