Verslag van de vergadering van 7 juli 2026 (2025/2026 nr. 39)
Status: ongecorrigeerd
Aanvang: 10.46 uur
Een verslag met de status "ongecorrigeerd" is niet voor citaten en er kan geen recht aan ontleend worden.
Mevrouw Karaaslan-Kilic i (D66):
Voorzitter. We behandelen vandaag de Wet meer zekerheid flexwerkers, een wetsvoorstel dat niet op zichzelf staat, maar voortvloeit uit adviezen van de Sociaal-Economische Raad en de commissie Regulering van Werk. Een wetsvoorstel ook dat, zoals door veel van mijn collega-senatoren is benoemd, onderdeel uitmaakt van een breder arbeidsmarktpakket. De afgelopen jaren hebben we op de Nederlandse arbeidsmarkt veel ruimte gegeven aan flexibiliteit en die ruimte heeft voordelen gebracht: voor werkgevers om snel te kunnen inspelen op veranderingen, maar ook voor werknemers die bewust kiezen voor vrijheid in hoe en wanneer zij werken.
Tegelijkertijd is ook duidelijk geworden dat veel werknemers behoefte hebben aan meer zekerheid. Meer zekerheid over hun inkomen, over hun werktijden en over hun toekomst. Voor een grote groep mensen is flexibel werk namelijk niet langer een keuze maar een standaard geworden. En waar flexibiliteit structureel wordt, ontstaat al snel onzekerheid. Juist daarom is dit wetsvoorstel een stap in de goede richting om de balans tussen flexibiliteit en zekerheid te herstellen. Tegelijkertijd zien we ook dat er nog een aantal zaken beter kunnen. Daar willen we aandacht voor vragen.
Voorzitter. Ik wil eerst ingaan op de balans tussen vrijheid en zekerheid. D66 gelooft in een arbeidsmarkt die ruimte laat voor verschil. Niet iedereen heeft dezelfde behoeften. Sommige mensen kiezen bewust voor flexibiliteit, omdat dat past bij hun leven. Die ruimte moet er blijven. Maar vrijheid is alleen echte vrijheid als er ook echt een keuze is, en die is er niet altijd, zeker niet als tijdelijke contracten elkaar blijven opvolgen en onzekerheid de prijs is die mensen daarvoor betalen. We zien daar voorbeelden van in verschillende sectoren. Mensen werken op basis van nulurencontracten en moeten elke week opnieuw afwachten hoeveel uur zij de week daarop kunnen werken. Die onzekerheid raakt vooral jongeren. Ze beginnen hun loopbaan relatief vaak met tijdelijke contracten, oproepwerk of uitzendwerk, waardoor het moeilijker wordt om een woning te vinden, een gezin te stichten en financieel zelfstandig te worden. Dat is precies waar flexibiliteit haar kracht verliest. Juist daarom zijn de maatregelen in deze wet belangrijk.
Draaideurconstructies zijn ook een belangrijk aspect. Het terugdringen van deze constructies gaat ervoor zorgen dat tijdelijk werk weer tijdelijk wordt, en het terugdringen van het gebruik van nulurencontracten zorgt voor meer zekerheid voor werknemers. Het verkleinen van de verschillen tussen uitzendkrachten en andere werknemers zorgt ook voor een eerlijker speelveld, zoals ook door mijn collega-senator Ramsodit is benoemd. Het vermindert de ongelijkheid tussen uitzendkrachten en werknemers in vaste dienst en het voorkomt concurrentie op arbeidsvoorwaarden. We zien het bandbreedtecontract daarin als een belangrijke stap. Het biedt werknemers meer voorspelbaarheid over uren en inkomen, terwijl werkgevers ruimte houden om mee te bewegen met schommelingen in het werk. Voor oproepkrachten betekent dit concreet meer inkomen en roosterzekerheid. Hetzelfde geldt voor het jaarurencontract, dat juist in sectoren met pieken en dalen meer stabiliteit kan bieden. Vrijheid waar het kan, zekerheid waar dat nodig is.
Voorzitter. Dan mijn tweede punt. Dat gaat over duidelijkheid. Voor D66 bestaat duidelijkheid uit twee onderdelen: duidelijke communicatie voor werkgevers en werknemers, en een duidelijke monitoring van de effecten van deze wet. Deze wet staat namelijk niet op zichzelf. Werkgevers hebben de afgelopen jaren te maken gehad met nieuwe regelgeving en er komt nog een heel pakket aan. Voor veel werkgevers, niet alleen voor de grote maar juist ook voor veel kleine, kan die stapeling ingewikkeld zijn en extra lasten met zich meebrengen. Voor hen betekent nieuwe wetgeving niet alleen aanpassen maar vooral ook uitzoeken: wat mag nog wel, wat niet meer en hoe organiseer ik dat? Datzelfde geldt voor werknemers. Is het voor hen straks helder waar ze recht op hebben en weten ze waar ze terechtkunnen als daar onduidelijkheid over bestaat?
Uiteraard ligt de eerste verantwoordelijkheid om werknemers goed te informeren bij werkgevers zelf, maar ook de overheid heeft er een rol in om regels begrijpelijk, toegankelijk en vindbaar te maken. Mijn eerste vraag aan de minister is dan ook: hoe zorgt de minister ervoor dat werkgevers en werknemers op een overzichtelijke manier toegang hebben tot informatie over deze wet? Kiest de minister daarbij voor aansluiting bij bestaande informatiekanalen zoals het Ondernemersplein, de informatievoorziening van de Rijksoverheid of andere bestaande loketten? En hoe voorkomt de minister dat er opnieuw versnipperde informatie ontstaat op verschillende plekken?
Voorzitter. Tot slot de monitoring. Wetgeving verandert gedrag altijd, maar niet altijd op een manier zoals we vooraf hebben voorzien. Als bepaalde flexvormen worden beperkt, bestaat het risico dat werkgevers op zoek gaan naar andere routes of nieuwe constructies of dat er een verschuiving plaatsvindt naar andere ongewenste vormen. Dan lossen we het probleem niet op, maar verplaatsen we het of erger. Mijn vraag aan de minister is hoe hij dat risico inschat en vooral hoe de regering gaat monitoren of deze wet in de praktijk daadwerkelijk leidt tot meer zekerheid in plaats van nieuwe omwegen.
Voorzitter, ik rond af. Dit wetsvoorstel is wat de D66-fractie betreft een stap in de goede richting, omdat het probeert opnieuw meer balans aan te brengen op een arbeidsmarkt die de afgelopen jaren sterk naar flexibiliteit is doorgeschoven en daarmee bijdraagt aan een meer toekomstige sociale zekerheid waarin werkenden meer grip hebben op hun inkomen en hun toekomst. Dat kan alleen als er meer duidelijkheid is voor werkgevers en werknemers over wat zij te doen hebben en waar ze recht op hebben.
Voorzitter, dank u wel.
De voorzitter:
Dank u zeer, mevrouw Karaaslan, voor uw bijdrage in de eerste termijn. Wenst een van de leden in deze eerste termijn nog het woord? Dat is niet het geval. Dan schors ik de vergadering voor twintig minuten. Dat betekent dat we om 11.15 uur verdergaan. Ik schors de vergadering.