Plenair Petersen bij behandeling Wet meer zekerheid flexwerkers



Verslag van de vergadering van 7 juli 2026 (2025/2026 nr. 39)

Status: ongecorrigeerd

Aanvang: 10.13 uur

Een verslag met de status "ongecorrigeerd" is niet voor citaten en er kan geen recht aan ontleend worden.


Bekijk de video van deze spreekbeurt

De heer Petersen i (VVD):

Voorzitter, dank u wel. Een goed functionerende arbeidsmarkt is van cruciaal belang om werkgelegenheid in Nederland te borgen, onze mensen vitaal te houden en onze welvaart van een stevig fundament te voorzien. Gelukkig kent Nederland een goed functionerende arbeidsmarkt. De arbeidsparticipatie is relatief hoog en de werkloosheid relatief laag.

Toch constateerde de commissie-Borstlap dat de inrichting van de arbeidsmarkt niet meer goed aansluit bij de economie en de samenleving van nu. Vijf jaar geleden omarmde de polder het advies om meer balans te brengen in de arbeidsmarkt en dit voorjaar zien we daarvan de eerste vruchten terug in de Eerste Kamer. De regering noemde dit wetsvoorstel dan ook onderdeel van een breder arbeidsmarktpakket, waarvan ook de Wet personeelsbehoud bij crisis en de Wijziging van de re-integratieverplichtingen in het tweede ziektejaar bij werknemers van kleine en middelgrote werkgevers nadrukkelijk deel uitmaken.

De VVD-fractie beoordeelt dit voorstel in die context. Dat is belangrijk, want dit wetsvoorstel vergroot slechts de bescherming van flexwerkers. De andere kant van de balans, de vaste contracten minder vast maken, laat helaas nog op zich wachten. De Raad van State constateert dan ook dat dit wetsvoorstel de fundamentele vraagstukken van de arbeidsmarkt, structurele personeelstekorten en de toekomstige bestendigheid van de economie, niet aanpakt. Het werd al gezegd. Ik vraag de minister: is hij het eens met de Raad van State? Welke economische effecten verwacht de minister van alleen deze wet? Het SER-advies stamt uit 2021. Dat we pas vandaag dit onderdeel hiervan behandelen, roept vragen op over wanneer we onze arbeidsmarkt met de andere wetsvoorstellen uit het pakket kunnen verrijken. De geloofwaardigheid van het arbeidsmarktpakket vraagt dat nu ook de andere helft, "vast minder vast", daadwerkelijk wordt gerealiseerd. Kan de minister aangeven welke inspanningen hij zal verrichten om deze andere wetsvoorstellen zo spoedig mogelijk aangenomen te krijgen?

Voorzitter. Ondernemers die in Nederland het geld verdienen waarmee we onze waardevolle voorzieningen kunnen betalen, hebben de afgelopen jaren met bijvoorbeeld de rapportage werkgebonden personenmobiliteit, de handhaving schijnzelfstandigheid, de Wet DBA en de nieuwe cao- en uitzendregels rond gelijke beloning al de nodige administratieve en financiële lasten erbij gekregen. De gesprekken die ik de afgelopen weken met werkgevers heb gevoerd, laten zien dat aan hun kant nu ook veel zorgen bestaan over hoe deze wet in de praktijk moet worden ingevuld. Hoeveel vrijheid hebben ze precies? Wat is nu wel en niet toegestaan binnen een jaarurennorm? Wanneer is er sprake van structureel meerwerk? Hoeveel mag een rooster wijzigen? Deze vragen kunnen leiden tot een valse start en moeten daarom tijdig worden uitgeklaard. In dit licht heeft mijn fractie behoefte aan heldere antwoorden op een aantal vragen, die ik na de interrupties aan de minister zal stellen.

De voorzitter:

De eerste interruptie komt van mevrouw Ramsodit.

Mevrouw Ramsodit i (GroenLinks-PvdA):

U stelde dat bedrijven de voorzieningen in onze samenleving betalen. Ik heb dan een wedervraag na deze constatering: vindt u dat het sociale vangnet dat we hebben, het sociale zekerheidsstelsel, ondernemersrisico's moet opvangen, dat dat de voornaamste taak is van het sociale vangnet?

De heer Petersen (VVD):

Ik begrijp de vraag van mevrouw Ramsodit misschien niet helemaal, dus misschien kan zij een kleine verduidelijking geven.

De voorzitter:

Mevrouw Ramsodit, wilt u de vraag verduidelijken?

Mevrouw Ramsodit (GroenLinks-PvdA):

Wanneer je flexwerker bent, heb je een tijdelijk contract. Als dat afloopt, zijn er sociale voorzieningen waarvan je gebruik kunt maken. Ik denk dat het zo is dat werkgevers soms flexwerkers inzetten, terwijl ze eigenlijk een structurelere behoefte aan arbeid hebben, vandaar mijn vraag aan u. Stel dat je dat zo parkeert met de flexwerkers die je hebt. In Nederland hebben we een systeem dat zorg voor je draagt. Mijn vraag aan u is: vindt u dat dat systeem de financiële risico's, de ondernemersrisico's moet opvangen als het gaat om het tijdelijk inhuren van krachten?

De heer Petersen (VVD):

Ik ben het niet eens met de veronderstelling van mevrouw Ramsodit dat ondernemers met die bijna kwade bedoelingen opereren.

Mevrouw Ramsodit (GroenLinks-PvdA):

Het zijn geen kwade bedoelingen; het is een feit.

De voorzitter:

De heer Petersen geeft antwoord op uw vraag.

De heer Petersen (VVD):

Voorzitter, ik hoop dat ik mijn antwoorden mag geven en dat mevrouw Ramsodit daarna de gelegenheid krijgt om daarop te reageren, want dat maakt het debat wat overzichtelijker, denk ik.

Ik denk dat de sociale zekerheid is bedoeld om mensen te ondersteunen als ze er even niet zelf uit kunnen komen, maar wel met de oproep om zo snel mogelijk weer aan de slag te gaan, en dat de bedrijven, de werknemers die we hebben, ervoor zorgen dat al die voorzieningen — want dat kost geld — kunnen worden betaald. Dat is wat ik heb geprobeerd te zeggen.

De voorzitter:

Mevrouw Ramsodit, een vervolgvraag?

Mevrouw Ramsodit (GroenLinks-PvdA):

Ja, ik ga het nog een keer proberen. Als een werkgever iemand inhuurt en vervolgens zegt "ik heb je eigenlijk maar tijdelijk nodig", dan wentelt hij daarmee een bedrijfsrisico af op de werknemer. Als die werknemer vervolgens daarna niet meer aan het werk komt, betaalt de samenleving de lasten, omdat we een sociaal zekerheidsstelsel hebben. Vindt u dat ondernemersrisico's aan de ondernemer zijn of aan de samenleving?

De heer Petersen (VVD):

Ondernemersrisico's zijn aan de ondernemer. Wat u zegt, is in mijn ogen geen ondernemersrisico, maar gewoon juist de inzet van arbeid die de ondernemer nodig heeft. Elke ondernemer zal kijken naar: wat heb ik nodig om mijn onderneming goed te laten lopen? Dat kan huisvesting zijn, dat kan inkoop zijn, dat kunnen middelen zijn, en arbeid is daar ook onderdeel van. Een normale ondernemer zal niet meer arbeid inzetten dan nodig. Als u een appeltaart bakt, zult u ook zien hoeveel suiker er nodig is om de taart te bakken en er ook niet overdadig veel in stoppen.

De voorzitter:

Tot slot mevrouw Ramsodit.

Mevrouw Ramsodit (GroenLinks-PvdA):

Dus een medewerker of een werknemer is slechts een product voor een werkgever. Dank u wel.

De heer Petersen (VVD):

Ik weet eigenlijk niet wat ik hierop moet antwoorden, maar ik zal toch een poging wagen. Ik heb het beeld dat manier waarop mevrouw Ramsodit naar de praktijk van ondernemerschap kijkt heel ver weg staat van de realiteit.

De voorzitter:

Dat brengt ons bij een interruptie van mevrouw Bezaan. Gaat uw gang.

Mevrouw Bezaan i (PVV):

Eigenlijk een beetje in aansluiting op de vraag die net gesteld is. Ja, u verwacht het niet, maar het is toch zover gekomen. Is die structurele onzekerheid waar we het net over hadden, de structurele onzekerheid van werknemers, in uw optiek een ondernemersrisico of een verdienmodel?

De heer Petersen (VVD):

Het is geen van beide. Het is een valse keus die mevrouw Bezaan mij voorlegt. De inzet van arbeid is net als de inzet van andere middelen onderdeel van een mix waar ondernemers mee te maken hebben. En als die geld over wil houden zodat die ook een bijdrage kan leveren aan de samenleving, bijvoorbeeld door belasting te betalen en bij te dragen aan sociale zekerheid, dan zal die niet overdadig veel van welk middel dan ook inzetten in die hele mix omdat ie anders failliet gaat. En dan kost het de samenleving geld in plaats van dat het het oplevert. Ik begrijp dus niet helemaal waar de vraag van mevrouw Bezaan vandaan komt, maar ik mag mevrouw Bezaan helaas zelf geen vraag stellen, dus dat zal ik niet doen.

De voorzitter:

Maar mevrouw Bezaan mag u nog wel een vraag stellen. Gaat uw gang, mevrouw Bezaan.

Mevrouw Bezaan (PVV):

En dat gaat ze ook doen. Ik begrijp uw antwoord in uw optiek, maar ik heb nog een vervolgvraag. Waarom investeren werkgevers dan aantoonbaar minder in de scholing van flexwerkers, zoals de memorie van toelichting vaststelt?

De heer Petersen (VVD):

Ik denk dat een reden daarvoor kan zijn dat ondernemers helemaal niet zeker weten of als ze investeren in bijvoorbeeld de opleiding van een flexwerker die daar nog gebruik van maakt op het moment dat dat de investering is gedaan. Zelfs bij vaste contracten, weet ik uit ervaring bij verschillende bedrijven, worden er als mensen een training krijgen die wat meer kost dan normaal afspraken gemaakt, bijvoorbeeld dat je als je binnen een jaar vertrekt een deel moet terugbetalen. Ik kan me voorstellen dat ondernemers kijken naar wat een flexwerker aan commitment heeft aan hun organisatie en of zo'n investering zich uitbetaalt. Dat lijkt me heel logisch voor een ondernemers. Tegelijkertijd zal niet elke flexwerker — er zijn al heel veel vormen van flexwerk genoemd in dit debat — in de context zoals die vandaag is besproken behoefte hebben aan heel veel scholing door de werkgever. Dat kan natuurlijk ook.

De voorzitter:

Meneer Petersen, dank u zeer voor de beantwoording. U kunt uw betoog vervolgen.

De heer Petersen (VVD):

Dan kom ik toch bij de vragen die ik heb voor de minister specifiek over dit wetsvoorstel. De eerste is of de minister bereid is om ruim voor de inwerkingtreding samen met de sociale partners, de Arbeidsinspectie en het UWV een praktische handreiking te publiceren waarin met concrete voorbeelden wordt uitgewerkt hoe de vragen die ik voor de interrupties stelde, kunnen worden toegepast in de verschillende praktijksituaties.

De wet biedt cao-partijen, heel belangrijk, de ruimte voor meer sectorspecifieke afspraken om dit wetsvoorstel zo goed mogelijk te laten landen, maar niet volledig duidelijk is welke afspraken de cao-partijen wel of niet precies kunnen maken. Daarom zou ik de minister willen vragen of hij kan toezeggen dat ruim voor de inwerkingtreding duidelijk wordt gecommuniceerd welke ruimte te wet laat voor cao-partijen om de instrumenten die de wet biedt sectorspecifiek zo werkbaar mogelijk in te richten. Kan de minister daarbij expliciet uiteenzetten welke onderdelen van de inrichting van jaarurennormen en bandbreedtecontracten aan cao-partijen kunnen worden overgelaten, zodat zij niet onnodig terughoudend worden? Is de minister bereid om zodra in de praktijk blijkt dat cao-partijen tegen interpretatievragen aanlopen die vragen actief te beantwoorden en die antwoorden ook openbaar te maken zodat iedereen die belanghebbend is daar ook toegang toe heeft en zijn voordeel mee kan doen, bijvoorbeeld in een digitaal toegankelijk register waarmee werkgevers én werknemers realtime de laatste inzichten kunnen gebruiken?

Voorzitter. Mijn fractie voorziet dat werkgevers en werknemers door een steile leercurve zullen gaan en mogelijk een fors aantal praktische uitvoeringsvragen zullen hebben. Dat is normaal bij dit soort wetgeving, maar die vragen moeten dan wel hulpvaardig worden beantwoord. Daarom de vraag aan de minister of hij bereid is om gedurende het eerste jaar na inwerkingtreding actief signalen uit de sectoren op te halen over de praktische uitvoerbaarheid en de Kamer daarover te informeren. Is hij daarbij ook bereid om uiterlijk binnen achttien maanden na invoering met vertegenwoordigers van de sectoren uitvoeringsgesprekken te voeren en de Kamer te informeren over geconstateerde uitvoeringsproblemen, maar ook over de oplossingen die uit zo'n gesprek naar voren zijn gekomen? Ik doel dus op gesprekken met werkgevers, ondernemers en werknemersorganisaties om uit de praktijk te horen waar de knelpunten zitten, om de echte praktijk beter te helpen met dit wetsvoorstel om te gaan.

De heer Schalk i (SGP):

De heer Petersen heeft een interessante serie vragen, waarbij hij er een paar keer op hint dat de minister voor inwerkingtreding van het wetsvoorstel een aantal dingen zou moeten onderzoeken, afspreken en dergelijke. Zou dat niet moeten gebeuren voordat we over zo'n wet stemmen? Anders ben je toch eigenlijk al een stap te ver?

De heer Petersen (VVD):

De waarde van het inzichtelijk maken voordat de wet in werking treedt, is dat nadat de wet is aangenomen … Dus volgens mij stemmen we eerst en dan zal er over de uitvoering worden gesproken. Dan kan de minister wel aangeven hoe het ook in de praktijk werkbaar kan worden gemaakt. Uit gesprekken met belanghebbenden is gebleken dat daar toch nog heel veel vragen over zijn, van: goh, ik zit nu in situatie a en ik moet naar situatie b; wat betekent dat dan? Hoe kan ik contracten omzetten? In de memorie van toelichting en in de beantwoording van onze vragen is uitgebreid aangegeven hoe ondernemers en werkgevers volgens de minister wel uit de voeten kunnen met dit wetsvoorstel. Dan is het ook goed als ondernemers en andere belanghebbenden wat meer uitgeschreven krijgen hoe het in hele praktische casussen werkt. Dat kan dan weer als hulp dienen om dat soort veranderingen, die andere inrichting van de arbeidsrelatie, goed te managen.

De voorzitter:

Een vervolgvraag van de heer Schalk.

De heer Schalk (SGP):

Dat klopt, voorzitter. De heer Petersen geeft aan: dit zijn allemaal uitvoerbaarheidszaken. Maar wij moeten juist oordelen over de rechtmatigheid, uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid. Dus eigenlijk moeten wij ook een oordeel kunnen geven over datgene wat de heer Petersen nu aan de minister vraagt. Ik zou dus eigenlijk wel hopen dat hij aan de minister zou vragen om daar vandaag al heel veel licht over te laten schijnen zo meteen, in zijn beantwoording in eerste termijn. Mijn vervolgvraag daarbij zou zijn: zijn er ook afspraken nodig voor de sectoren die ik in mijn eigen bijdrage al heb benoemd, onderwijs en zorg, maar ook de familiebedrijven en dergelijke waar mensen dus zonder allerlei moeilijke contracten tot nu toe konden inspringen?

De heer Petersen (VVD):

Ja, die uitleg is nodig, want wij voorzien dat het in de uitvoering geen makkelijke wet zal zijn voor werkgevers. Ik kom daar straks ook nog op terug. Maar het is dus niet zo dat wij staan te springen van enthousiasme over deze wet. Dat klopt en dat wordt voor een deel gevoed door de vragen die u mij stelt.

De voorzitter:

Ik zie dat mevrouw Lagas sterk de indruk wekt dat zij ook een vraag wil stellen. Ja. Mevrouw Lagas, gaat uw gang.

Mevrouw Lagas i (BBB):

Ja, ik kon ook onderweg zijn naar meneer Schalk, om hem te zeggen dat ik zijn motie over de nuluren straks waarschijnlijk ga steunen. Nee hoor, ik was onderweg naar de interruptiemicrofoon, dat heeft u helemaal goed, voorzitter. Terwijl ik luisterde naar dit interruptiedebatje met de heer Peters, schoot mij in één keer de aanstaande Zelfstandigenwet te binnen die er nog aan zit te komen van minister Aartsen, een wet die hij nog als Kamerlid als initiatiefwet heeft gemaakt. Daar zit bijvoorbeeld de zelfstandigentoets in, de werkrelatietoets, het sectoraal rechtsvermoeden en een commissie die het toetsingskader beoordeelt. Dat zijn allemaal zaken die ook hier weer direct aan raken en dat onderstreept wat mij betreft ook uw opmerkingen over dat uitvoerende verhaal. Daarbij zou ik aan de heer Peters willen vragen of hij ook het verhaal ondersteunt dat dit toch echt eerst geregeld moet worden, voordat we hier eigenlijk over kunnen stemmen. Vindt hij het ook jammer dat dit niet allemaal in één pakket naar ons is toegekomen? Want het geeft wel weer heel veel zijstraatjes.

De heer Petersen (VVD):

Ik sta niet bekend om mijn korte antwoorden, maar hier kan ik op antwoorden: ja, dat vind ik jammer.

De voorzitter:

Met dank, en dan mag u uw betoog vervolgen. Ja, zo wordt het ingewikkeld orde houden hier. Mevrouw Ramsodit, een korte vraag alstublieft.

Mevrouw Ramsodit (GroenLinks-PvdA):

Is wat u betreft de wet uitvoerbaar als de mooie voorwaarden die u nu stelt voor de facilitering van de uitvoerbaarheid, worden gerealiseerd?

De heer Petersen (VVD):

Dat is de vraag. Daarom zullen wij de minister straks ook nog vragen of hij versneld een evaluatie wil doen. Daarom hechten wij ook aan de gesprekken binnen het eerste jaar met betrokkenen om te zien waar het op stuit, want we denken dat het niet geruisloos zal gaan.

Mevrouw Ramsodit (GroenLinks-PvdA):

Ik heb u net gehoord. U zegt: eerst stemmen en vervolgens komen we verder. Wat u betreft is de wet dus ook behandelingsrijp?

De heer Petersen (VVD):

We behandelen hem nu, dus ik heb daar verder geen oordeel over te geven. Dat laat ik aan anderen. We hebben nu de realiteit dat er wat gepland staat om te behandelen, maar daar doe ik aan mee.

De voorzitter:

Dat stel ik samen met u vast. U mag daaraan een vervolg geven door uw bijdrage te vervolgen.

De heer Petersen (VVD):

Nou, voorzitter, hartelijk dank! Ik was gebleven, na het verzoek om die gesprekken binnen achttien maanden te voeren, bij de volgende vraag. Stel dat over een jaar blijkt dat bedrijven die serieus hebben geprobeerd te werken met een jaarurennorm of een bandbreedtecontract, desondanks moeten concluderen dat deze instrumenten voor hun bedrijfsvoering eenvoudig niet werkbaar zijn. Welk handelingsperspectief kan de minister ze op dat ogenblik dan bieden? Wil hij bijvoorbeeld welwillend kijken naar een afwijking van de ketenbepaling als werkgevers en werknemers daar samen om vragen en een verzoek bij de minister neerleggen om bij AMvB een uitzondering daarop te maken? Staat hij daar open voor en is hij welwillend om deze wet uiteindelijk ook in sectoren waar het misschien knelt en piept toch een handje te helpen? Is de minister daarnaast bereid de eerste formele evaluatie al na twee jaar te verrichten — daarmee kom ik ook terug op de vraag die mij zojuist werd gesteld — en niet pas na vijf jaar, zoals nu is gepland? En kan de minister daarbij toezeggen dat de evaluatie niet uitsluitend ziet op de positie van werknemers, maar ook expliciet ingaat op de uitvoerbaarheid voor werkgevers, de administratieve lasten, de effecten op de arbeidsmarktkrapte, het gebruik van alternatieve contractvormen, zoals jaarurennormen en bandbreedtecontracten, en mogelijke oplossingen in andere contractvormen?

Voorzitter. Dit wetsvoorstel is — ik zei het al — voor ons een onderdeel van een breder pakket. De VVD-fractie wil dan ook dat het hele pakket wordt aangenomen om de arbeidsmarkt te hervormen. Helaas zullen we daarbij ook de voor ons minder aantrekkelijke onderdelen moeten slikken. Daarbij zal het voor mijn fractie zwaar wegen of de minister vandaag duidelijk maakt hoe de uitvoering van deze wet ruimte biedt voor het komen tot werkbare oplossingen. Wij wachten zijn beantwoording van onze vragen dan ook met belangstelling af.

De voorzitter:

Dank u zeer, meneer Petersen. De volgende spreker in deze termijn is mevrouw Bakker-Klein. Ze spreekt namens de fractie van het CDA.