Verslag van de vergadering van 8 september 2026 (2025/2026 nr. 40)
Status: ongecorrigeerd
Aanvang: 16.38 uur
Een verslag met de status "ongecorrigeerd" is niet voor citaten en er kan geen recht aan ontleend worden.
De heer Schalk i (SGP):
Dank u wel, voorzitter. Op deze laatste vergaderdag van het parlementaire jaar wil ik graag beginnen met een indrukwekkend citaat. Dat luidt als volgt: "Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de Regeling dienstverlening aan huis, die betrekking heeft op de rechtspositie van werknemers die doorgaans op minder dan vier dagen per week werken in het huishouden van een natuurlijk persoon, niet van toepassing te laten zijn bij aangewezen publiek gefinancierde dienstverlening;
Zo is het dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze …"
Daarna volgen de voorgestelde wetswijzigingen.
Mevrouw de voorzitter. Het gaat mij in dit indrukwekkende citaat natuurlijk om de laatste zinsnede: "Zo is het dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal …" We zitten dan midden in een staatsrechtelijk vraagstuk. Dat is bij uitstek een zaak voor de Eerste Kamer, lijkt mij. Het is immers evident dat een wet pas in werking kan en mag treden nadat het parlement daartoe alle stappen heeft doorlopen, en nadat vervolgens de Koning en de minister deze ondertekend hebben. Dat is niet alleen een zaak van goed fatsoen of van normale gezagsverhoudingen. Onze Grondwet maakt in artikel 47 ondubbelzinnig duidelijk dat alle wetten en koninklijke besluiten door de Koning en door een of meer ministers of staatssecretarissen worden ondertekend. Artikel 87: "Een voorstel wordt wet, zodra het door de Staten-Generaal is aangenomen en door de Koning bekrachtigd." Artikel 88 van onze Grondwet: "Een wet treedt niet in werking voordat deze is bekendgemaakt."
Wat schetst onze verbazing? Deze wet is al in werking getreden per 1 januari 2026. Is dit niet gewoon een miskenning van de rol en de positie van de Koning? Is dit afgestemd met de Koning, wiens handtekening geplaatst moet zijn onder een aangenomen wet? Wat de positie van de Eerste Kamer betreft vraag ik mij af hoe we hier als Kamer mee moeten omgaan en of we een wetsvoorstel waar niet grondwettelijk mee wordt gehandeld eigenlijk wel moeten behandelen.
Kortom, kan de minister aangeven hoe hij de positie van deze Kamer ziet en op welke wijze dit proces de staatsrechtelijke toets kan doorstaan? Concreet hebben we het nu dus over een wet die is ingegaan op 1 januari 2026, terwijl daar nu in september nog niet eens een wettelijke grondslag voor is.
Voor de extra kosten die budgethouders maken, is extra geld gereserveerd. Met het aanspreken daarvan wordt echter gewacht tot er een wettelijke grondslag is. Daardoor zitten budgethouders nu al in de knel. In principe wordt het parlement met de rug tegen de muur gezet. Wij moeten deze wet nu wel aannemen, lijkt het, omdat de budgethouders anders niet het extra geld krijgen dat voor de uitvoering van deze wet is gereserveerd. Stel dat deze wet het in deze Kamer niet haalt, wat is dan de opgelopen schade voor de betrokkenen? Ik vraag de minister: wordt daar compensatie voor geboden? Dit klemt te meer omdat in 2025 al onomkeerbare stappen zijn gezet met ICT-processen bij de desbetreffende diensten. Hoe kan dat, als het wetsvoorstel nog steeds niet is afgerond?
Inmiddels hebben we ook een brief van de minister gekregen, gedateerd 18 juni, die voor vandaag staat geagendeerd in de commissie voor SZW. Ik zal in die commissie geen inbreng leveren, maar ik heb wel een vraag over het meenemen van deze brief in dit debat. Het is namelijk een inhoudsloze brief. Het proces wordt een paar keer besproken. De geleerde lessen zijn flinterdun. Interdepartementale gesprekken hebben opgeleverd dat de Kamer goed moet worden meegenomen als het complex is. Het belang van de trialoog tussen het parlement, de ministeries en de uitvoeringsorganisaties wordt onderstreept. Maar daar gaat het hier helemaal niet over. Er is gewoon een wet in gang gezet waarvoor geen wettelijke grondslag is.
In de desbetreffende brief geeft de minister aan dat met de brief invulling is gegeven aan de motie van het Kamerlid Flach en de motie van de Kamerleden Wendel van de VVD en Neijenhuis van D66. Kan de minister aangeven of deze Kamerleden hun moties als voldaan hebben aangemerkt?
Nu nog naar de inhoud van het wetsvoorstel. Het lijkt er een beetje op dat dit typisch een geval is van wat door de Ombudsman wordt omschreven met de term "incidentenregelreflex" — een mooi woord. Er vindt een incident plaats en vervolgens moet alles wijken om zo spoedig mogelijk een regeling op te tuigen die het incident oplost. Maar de oplossing die gevonden is, levert heel wat nieuwe problemen op, vooral omdat de oplossing in dit geval geen recht doet aan de positie van mantelzorgers voor kwetsbare personen.
Stel dat een kwetsbaar kind met allerlei beperkingen een pgb heeft en de ouders in staat zijn om zelf de nodige mantelzorg te verlenen. Dan wordt dat kind in feite de werkgever van de ouder. Het kind moet dan werkgeversverzekeringen afsluiten en krijgt allerlei andere wettelijke werkgeverstaken. Ik wil zeker niet badinerend doen, maar er zijn nogal wat taken die in een dergelijke verhouding niet echt goed uitpakken. Denk aan situaties van ziekte van de werknemer die tevens ouder is. Denk aan voortgangs- of functioneringsgesprekken die gevoerd dienen te worden. Denk aan eventueel disfunctioneren van de ouder. En wat gebeurt er als de werkgever zich misdraagt ten opzichte van de werknemer?
Zeker, de Sociale Verzekeringsbank kan wat regelzaken waarnemen voor de pgb-houder, maar dat zal niet kosteloos gebeuren. Dat snoept dus weer geld uit het pgb. Zijn dit soort consequenties eigenlijk wel goed doordacht? Zijn er oplossingen gevonden die de normale verhoudingen binnen een gezin niet schaden?
Overigens zijn er natuurlijk ook andere verhoudingen dan die binnen het gezin. Dat kan gaan om familieverhoudingen, maar ook om verhoudingen met mantelzorgers die van buiten de kring van familieleden komen. Daarbij zijn er soms kleine taken die worden overgenomen door andere mantelzorgers. Als dat een taak is die slechts eens per week of eens per maand wordt uitgevoerd, is dan het optuigen van deze werkgeversrol nog proportioneel?
Mevrouw de voorzitter. Het Tweede Kamerlid Flach heeft in de Tweede Kamer een motie ingediend omtrent een verkenning inzake een vereenvoudiging en een verlicht regime voor budgethouders, waarbij het verlichten van de administratieve lasten en de arbeidsrechtelijke verplichtingen nadrukkelijk wordt meegewogen. Hoe kan, in het geval dat dit uitgevoerd wordt, worden voorkomen dat er vervolgens een nieuw gelijkebehandelingsprobleem ontstaat, met name als het gaat over het onderscheid tussen werknemers?
Er waren zorgen over het wegschrijven van werkgeverslasten door de SVB, waardoor de budgetten lager uitvallen. Vervolgens wordt dat probleem vanuit de budgethouder op het bordje van de zorgverlener gelegd. Daarbij komt dat de budgethouder als werkgever ook aansprakelijk is, bijvoorbeeld bij ziekte van de zorgverlener. Bij langere ziekteperiodes kan dat lastig zijn, zeker als de budgetten tussentijds worden aangepast. Ik vraag aan de minister: kan dat worden voorkomen?
De Sociale Verzekeringsbank heeft in zijn uitvoeringstoets opgenomen dat met de invoering van de wet budgethouders moeten voldoen aan meer werkgeverstaken. Dat brengt extra verplichtingen met zich mee. Zo worden de administratieve lasten verhoogd. Voor de bijkomende werkgeverstaken vraagt het budgetteren meer van de budgethouders nu er rekening gehouden dient te worden met de werkgeverslasten. Het blijkt dat de SVB de werkgeverslasten bij voorbaat aftrekt van de te verstrekken budgetten, zonder dat er voor deze extra werkgeverslasten aanvullend budget beschikbaar wordt gesteld. Als gevolg daarvan ontvangen budgetverstrekkers minder budget om uit te keren. Daarvan moeten ze ook nog hun uitvoeringslasten bekostigen. Als gevolg daarvan ontvangen de budgethouders netto minder budget dan voorheen. Deze bijkomende administratieve last heeft mogelijk impact op het doenvermogen van deze budgethouders. Op welke wijze gaat de regering dit probleem oplossen?
Mevrouw de voorzitter. De fractie van de SGP heeft dus behoorlijke twijfels bij dit wetsvoorstel. Dat is zowel staatsrechtelijk, als het gaat om het proces, alsook inhoudelijk, als het gaat om de werkgeversrol die massief bij budgethouders wordt neergelegd. Daardoor krijgen kwetsbare mensen een zware taak. Ik zie uit naar de reactie van de minister.
Dank u wel.
De voorzitter:
Ik zie dat er nog een vraag van de heer Van Apeldoorn is voor de heer Schalk.
De heer Van Apeldoorn i (SP):
Ik heb de heer Schalk van de SGP-fractie gehoord over de kwetsbare positie van budgethouders, van pgb-houders. Ten dele begrijp ik die zorgen ook. Ik zal daar in mijn eigen betoog nog iets over zeggen. Hoe zit het echter met de positie van de zorgverleners die werknemer zijn? Dat zijn ze nu ook al. Er is nu ook al sprake van een werkgever-werknemerrelatie. De heer Schalk had het over mantelzorgers. Volgens mij betreft dat vaak een andere situatie. Er zijn in ieder geval ook gewoon zorgverleners die werknemer zijn, maar die worden uitgezonderd van bepaalde rechten. Wat vindt de SGP-fractie daarvan?
De heer Schalk (SGP):
Ik denk dat het heel goed is dat professionele zorgverleners in ieder geval als normale werknemers worden behandeld. In deze wet, in deze aanpassing, gaat het er natuurlijk over dat mensen bij minder dan vier dagen per week in zijn algemeenheid op dezelfde manier behandeld gaan worden. Daar heb ik op gedoeld met een aantal voorbeelden die naar mijn bescheiden mening ook kunnen gelden voor mantelzorgers die tot nu toe als zorgverlener worden betaald, maar die misschien gewoon uit de eigen familie en dergelijke komen. De SGP vraagt natuurlijk om een goede positie van werknemers, waar dan ook. Daarom was een van de verzoeken van mijn collega Flach uit de Tweede Kamer een onderzoek naar een goede regeling, naar iets wat naar mijn bescheiden mening meer passend is dan hetgeen we nu voor hebben liggen.
De heer Van Apeldoorn (SP):
Volgens mij vallen mantelzorgers vaak niet onder een arbeidsovereenkomst, maar er zouden misschien gevallen kunnen zijn waarin dat wel zo is. Feit blijft dat we nu met de pgb-zorgverleners een groep hebben, die grotendeels uit vrouwen bestaat, die niet de normale rechten heeft wat betreft sociale verzekeringen en andere arbeidsrechten die andere werknemers in Nederland wel hebben. Daarom heeft de Centrale Raad van Beroep gesteld dat dat indirecte discriminatie is. Deelt de SGP-fractie het uitgangspunt dat voor alle professionele zorgverleners, voor alle werknemers in de zorg en in andere sectoren, in principe dezelfde rechten zouden moeten gelden? Daar heb ik de SGP tot nog toe niet over gehoord.
De heer Schalk (SGP):
Ik snap de vraag van de heer Van Apeldoorn, met name omdat ik natuurlijk het woord "mantelzorgers" heb gebruikt. Laat ik klip-en-klaar aangeven dat ik niet zozeer doelde op een mantelzorger die gewoon voor bijvoorbeeld zijn kind of een familielid zorgt. Ik doelde op zorgverleners die zorg verlenen die je ook als mantelzorg zou kunnen omschrijven en die daarvoor ook betaald worden vanuit het pgb. Daar moeten natuurlijk goede regels voor komen. Dat moet goed geborgd zijn. Dat was dan ook de reden dat mijn collega Flach vroeg: kom nou met een goede regeling.
De voorzitter:
Tot slot, meneer Van Apeldoorn.
De heer Van Apeldoorn (SP):
Tot slot. Voor mij is het dan alleen niet duidelijk hoe de SGP dat goed wil borgen. Als de SGP zo kritisch is op dit wetsvoorstel waarbij wordt geregeld dat de zorgverleners, ook de pgb-zorgverleners, wel dezelfde rechten krijgen en alles wat erbij hoort — daar heeft de SGP grote moeite mee — wat is dan de oplossing waarbij wordt gekeken naar de positie van pgb-budgethouders maar ook naar de arbeidsrechtelijke positie van pgb-zorgverleners? Want, nogmaals, die kant van het verhaal hoor ik niet van de SGP, terwijl daar toch ook aandacht voor zou moeten zijn, ook vanuit het idee van goed werkgeverschap. Want als het gaat om het pgb, is er in de meeste gevallen wel degelijk sprake van een werkgever-werknemerrelatie.
De heer Schalk (SGP):
Ik mag natuurlijk geen wedervraag stellen, maar in de situatie van een gezin met een kwetsbaar kind enzovoorts, denk ik dat iedereen begrijpt dat dat dan heel ingewikkeld wordt. Ik snap ook de vraag die gesteld wordt door deze collega van de SP. Ik zeg toch nog een keer, ook in de derde termijn dan: dat is nou precies de vraag waar wij tegenaan lopen. Daarvan hebben we gezegd: laten we dat aan de minister voorleggen. Maar dat is al in de Tweede Kamer gevraagd en ik ben heel benieuwd wat de minister daar vandaag al over weet te melden.
Mevrouw Karaaslan-Kilic i (D66):
Ik heb een vraag aan de heer Schalk. Deze vraag kan de minister ook beantwoorden, maar ik vraag het ook aan u. Uit de stukken heb ik kunnen halen dat mantelzorg, de zorg die binnen de familie wordt verleend, niet binnen deze regeling valt. De situatie die u schetst, van ouder en werknemer, haal ik dus niet uit de documentatie. Misschien lees ik eroverheen. Voor zover ik heb gelezen in de stukken is deze regeling niet van toepassing op mantelzorg, dus zorg die binnen een familie wordt geleverd.
De heer Schalk (SGP):
Eigenlijk heb ik hetzelfde antwoord als zojuist. Daar waar het geboden liefdevolle mantelzorg is, begrijp ik dat dat niet aan de orde is, maar er zijn ook gewoon pgb-houders van wie het budget binnen het gezin wordt gebruikt om zorg te verlenen. Ik heb dat dan misschien met verkeerde woorden "mantelzorg" genoemd, maar het gaat me erom dat als er een financiële relatie ligt, dat op een goede manier zorgvuldig moet worden geregeld. Wij vragen ons als fractie van de SGP af of de manier waarop het nu is geregeld, de juiste is.
Mevrouw Karaaslan-Kilic (D66):
Voor zover ik het kan beoordelen — maar daar kan de minister straks meer duidelijkheid over geven — zijn deze werknemersrechten niet van toepassing op mantelzorg.
De heer Schalk (SGP):
Dank, mevrouw Karaaslan, dat u dit nogmaals benoemt. Ik denk dat de minister dat zo meteen ook gaat beamen. Waarschijnlijk heb ik zelf voor de verwarring gezorgd door zorgverleners ook mantelzorg toe te kennen.
Voorzitter. Hiermee ben ik aan het einde van mijn betoog.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan geef ik nu graag het woord aan de heer Baumgarten. Hij spreekt namens JA21 en ook namens de Fractie-Van Gasteren en de Fractie-Walenkamp.