Plenair Van Wijk bij behandeling Wet aanpassing Regeling dienstverlening aan huis



Verslag van de vergadering van 8 september 2026 (2025/2026 nr. 40)

Status: ongecorrigeerd

Aanvang: 16.17 uur

Een verslag met de status "ongecorrigeerd" is niet voor citaten en er kan geen recht aan ontleend worden.


Bekijk de video van deze spreekbeurt

Mevrouw Van Wijk i (BBB):

Dank, voorzitter. Alhoewel het politieke jaar formeel nog niet van start is gegaan, vindt vandaag in deze Kamer al wel een heel belangrijk debat plaats. Laat ik in deze inleiding maar gelijk tot de kern komen. Wij debatteren vandaag over de toekomstbestendigheid van het waardevolle pgb, waardoor mensen met een vraag naar zorg eigen regie op hun leven kunnen houden. Met de onderhavige wetsaanpassing wordt invulling gegeven aan de uitspraak van de CRvB, waarin de rechter oordeelde dat pgb-zorgverleners niet mogen worden uitgesloten van de verplichte verzekering van de Werkloosheidswet. Het uitsluiten van deze zorgverleners levert namelijk indirecte discriminatie op grond van geslacht op, omdat het merendeel van de zorgverleners vrouw is. Om dit te voorkomen, vervalt met dit wetsvoorstel niet alleen de uitzondering op de verzekeringsplicht voor de werknemersverzekeringen, maar wordt pgb-zorgverleners ook de volledige arbeidsrechtelijke bescherming geboden die werknemers ontvangen buiten de Rdah, de Regeling dienstverlening aan huis. Met voorliggend wetsvoorstel wordt een einde gemaakt aan de uitzonderingen die onder deze Rdah worden geboden voor pgb-houders met een arbeidsovereenkomst van minder dan vier dagen per week.

Voorzitter. Ik ga in deze eerste termijn in op een aantal aspecten: pgb in zijn algemeenheid, het proces — de voorgaande spreker had het er ook al over — de arbeidsrechtelijke component en een heet hangijzer van dit wetsvoorstel, namelijk de uitvoerbaarheid.

Het pgb. We kennen het allemaal. Toch geef ik een kleine samenvatting van het pgb. Het pgb is in Nederland ingevoerd om mensen meer eigen regie over hun behoefte aan zorg te geven. In plaats van zorg in natura via een instelling, kunnen de pgb-houders zelf zorg inkopen. Het doel is evident: maatwerk en keuzevrijheid in de zorg. Eén plan, één pgb. De budgethouder krijgt een geldbedrag van de overheid, kiest zelf zorgverleners, maakt afspraken over zorg, stelt een budgetplan op en is de verantwoordelijk werkgever. De SVB betaalt de zorgverleners meestal uit het budget, met uitzondering van een budget onder de Zvw, waarbij de zorgverlener door de zorgverzekeraar wordt betaald. Toekenning gebeurt na indicatie. Een budgethouder is degene die het pgb ontvangt en de regie heeft over de eigen zorg. Dat kan ook de cliënt zelf zijn. Het pgb geeft veel vrijheid en keuze, maar vraagt ook organisatievaardigheden en verantwoordelijkheid van de gebruiker. Er zijn zeker nadelen van het pgb, zoals veel administratie, veel eigen verantwoordelijkheid en zelf personeel moeten regelen. Dit is nu al complex, zonder deze wetswijziging. Wij kennen pgb's met meer dan dertig zorgverleners. Dat is een soort klein ziekenhuisje.

Voorzitter. Het grootste nadeel van het pgb is misschien wel de fraude. In zijn oorsprong voorzag het pgb aan in behoefte: minder schakels. Hoe meer schakels, hoe meer kans op fraude er is. De BBB werpt de vraag op of het pgb nog wel past in deze tijd. Is het pgb enerzijds niet te complex geworden en is het anderzijds nog wel passend in een veranderde zorgtijd?

Het pgb is een instrument waarbij het doenvermogen van de budgethouder centraal staat. Het werkt inmiddels al ruim 30 jaar op deze wijze. Anders dan bij zorg in natura is de kern van pgb dat de budgethouder zelf verantwoordelijk is voor de zorg die hij inkoopt, zelf zorg inplant en zelf zorgverleners aanstuurt. Daarbij heeft elke budgethouder in bepaalde mate een zorg- of ondersteuningsbehoefte. Wat is het doenvermogen van de pgb-houder nu de SVB vergaande ondersteuning op vele fronten moet geven?

De zorgzame samenleving van ziekte naar gezondheid: deze transitie in de zorg vindt nu plaats.

Mevrouw Bakker-Klein i (CDA):

Ik dacht: ik wacht even, want u gaat misschien nog wat meer in op de fraude. Maar dat doet u niet. Ik wil het volgende toch even op tafel hebben. Als we kijken naar hoe het pgb de afgelopen jaren is ingevuld, zien we dat de fraude nooit aan de kant van de budgethouder zit. Er is soms sprake van oneigenlijk gebruik door zorgverleners of door partijen als bemiddelingsbureautjes et cetera. Als u dat bedoelt, dan denk ik: goed dat we daarnaar kijken. Maar fraude zit nooit aan de kant van budgethouders. Dat heeft dus ook alles te maken met dat er bij die indicatiestelling goed gekeken wordt waar het pgb voor nodig is. Daar zit het dus niet. Ik hoop dat u dat ook bedoelt en dat u dat ook wilt bevestigen.

Mevrouw Van Wijk (BBB):

Dank voor deze vraag. Uiteraard, als ik de indruk zou wekken dat de fraude bij de budgethouders ligt, dan is dat niet de bedoeling.

Mevrouw Bakker-Klein (CDA):

Oké, dank u wel.

Mevrouw Van Wijk (BBB):

Ik noemde ook een belangrijk nadeel van het pgb, namelijk het aantal schakels. Met iedere schakel die er meer is, is de kans op fraude groter. Dat is de bedoeling van het woord "fraude". Dank voor deze vraag.

De voorzitter:

U vervolgt uw betoog.

Mevrouw Van Wijk (BBB):

Dat ga ik doen. Ik had het over de transitie in de zorg. Dit is de transitie in de zorg die nu plaatsvindt: van ziekte naar gezondheid. Enerzijds is dat om de zorg betaalbaar te houden, anderzijds om maatschappelijke waarden als noaberschap te herijken: omzien naar elkaar in plaats van dure zorg te vragen. Hoe wordt de pgb-houder uitgedaagd om meer preventief te handelen en minder zorg in te kopen? Dit staat wellicht haaks op de transitie in de zorg. Samen zorgen we voor elkaar. Van het goede uitgangspunt van het pgb "één plan, één pgb" is het pgb nu verworven tot een financieel en complex zorgconcept. Deze wetswijziging maakt het pgb nóg complexer. Het pgb is voor de pgb-budgethouder nauwelijks uitvoerbaar. Tussenkomst van bureautjes vermeerdert het aantal schakels.

Voorzitter. Wij hebben in de beantwoording van de eerste en tweede termijn van deze Kamer het volgende kunnen lezen. Ik citeer: "De regering is voornemens een gedegen analyse naar verschillende oplossingen ter hand te nemen. Het probleem van werkgeverschap reikt namelijk verder dan alleen dit wetsvoorstel." Toegezegd in de beantwoording is dat eind dit jaar de uitkomsten van deze analyse aan de Kamer gepresenteerd zullen worden. Wil de minister toezeggen in deze analyse ook een mogelijke herijking van het pgb mee te nemen, waarbij onderdelen als fraudegevoeligheid, de zeer complexe uitvoering en het maatschappelijke perspectief aan de orde komen?

Mevrouw Bakker-Klein (CDA):

Hoor ik mevrouw Van Wijk nu pleiten voor het afschaffen van het pgb?

Mevrouw Van Wijk (BBB):

Integendeel. Ik heb in mijn betoog tot nu toe uitdrukkelijk aangegeven hoe waardevol het pgb is in zijn pure vorm: één pgb, één plan, minder schakels, eigen regie, eigen verantwoordelijkheid van de budgethouder. Maar vandaag de dag is het pgb zo complex dat het nauwelijks meer uitvoerbaar is. Ook de BBB-fractie zoekt naar een weg om het pure pgb te handhaven, maar minder complex, zodat het uitvoerbaar blijft.

Mevrouw Bakker-Klein (CDA):

U pleit dus eigenlijk voor vereenvoudiging, maar wel het in stand houden van het pgb en alles wat u net noemde?

Mevrouw Van Wijk (BBB):

Ja, daarom ook onze zoektocht en de gevraagde toezegging om in de analyse mee te nemen hoe we de toekomstbestendigheid van het pgb kunnen waarborgen. Dat is de zoektocht. Dat is een hele lastige zoektocht, met alle wet- en regelgeving.

Mevrouw Ramsodit i (GroenLinks-PvdA):

Bevat de zoektocht waar u het over heeft en waar u behoefte aan heeft ook een herziening van het werkgeversmodel?

Mevrouw Van Wijk (BBB):

Daar kom ik nog op terug.

Mevrouw Ramsodit (GroenLinks-PvdA):

Prima.

Mevrouw Van Wijk (BBB):

Want ik denk dat mevrouw Ramsodit dan ook vraagt naar de Wet flexwerkers. Niet specifiek, hoor ik.

De voorzitter:

Desalniettemin kunt u toch …

Mevrouw Van Wijk (BBB):

Ik ga door. En misschien dat er dan nog een andere vraag komt.

Het proces, voorzitter. Ik denk dat dat vandaag elf keer aan de orde komt. Dat is de terugwerkende kracht van dit conceptwetsvoorstel. Ook in de Tweede Kamer werd gevraagd waarom deze wet met terugwerkende kracht in zou moeten gaan. Wat voor gewicht wordt dan nog toegekend aan de parlementaire behandeling? Uit de beantwoording bleek dat het parlement inderdaad min of meer buitenspel staat. Het is noodzakelijk, zo kunnen we lezen, om dit wetsvoorstel zo snel als mogelijk in te laten gaan — althans, dat was, en is, de mening van het kabinet — zonder consultatie van het parlement. Uit uitvoeringstoetsen werd duidelijk dat 1 januari 2026 de kortst mogelijke inwerkingtredingsdatum was. O ja, en de regering — ik citeer — staat ervoor open om eventuele aandachtspunten van de zijde van de Kamer mee te nemen en mogelijkerwijs een plek te geven in deze nieuwe wet. Dit is minachting van het parlement. Mogelijkerwijs kunnen aandachtspunten een plek krijgen in deze wet. Maar daarboven: wat is nu eigenlijk het spoedeisende element van de terugwerkende kracht van dit wetsvoorstel? Wat is nu dusdanig zwaarwegend dat het proces is gelopen zoals het is gelopen? De BBB-fractie heeft de brief van 18 juni jongstleden over dit aspect uiteraard doorgenomen. Maar wat zijn nu de lessons learned, zoals genoemd in deze brief? Wij hebben ze niet kunnen lezen. Graag een toelichting van de minister. Tegelijkertijd lezen wij in de beantwoording dat dit wetsvoorstel leidt tot een flinke aanpassing van de werkwijze voor de SVB. Daarom is men tijdig begonnen met het inregelen van de wijziging, zoals gebruikelijk is bij dergelijke grote ICT-wijzigingen. Ook zorgkantoren, gemeenten en zorgverzekeraars hebben maatregelen genomen, werkwijzen aangepast en budgethouders uitvoerig geïnformeerd. Hoezo een flinke aanpassing, vraagt de BBB-fractie zich af? Het was toch al een bestaande werkwijze voor de budgethouders die meer dan vier dagen hun zorg inkopen via het pgb?

Voorzitter. Wij vragen graag een uitleg van de minister op dit punt. Er zijn extra kosten voor de budgethouders, opleiding, doorbetaling bij ziekte, ontslagvergoeding et cetera, die deels voor rekening van de gemeente komen. Dat is een ander aspect van dit wetsvoorstel. Hiervoor is een bedrag van 1,8 miljoen gereserveerd, toegevoegd aan het gemeentefonds. Maar, zo lezen wij in de beantwoording, uiteindelijk blijven gemeenten zelf verantwoordelijk voor de uitvoering van de Wmo en de Jeugdwet en hebben zij zelf de ruimte om budgethouders op de meest passende manier financieel bij te staan voor de premieheffingen.

Voorzitter. Dit is onacceptabel. Gemeenten hebben heel veel moeite om begrotingen rond te krijgen. Essentiële vragen, zoals of de bibliotheek nog wel open kan blijven, moet de gemeente jaarlijks stellen. De financiële speelruimte van de gemeente is zeer beperkt. Het wetsvoorstel is door de Tweede Kamer geamendeerd op een evaluatie, amendement 27. Wil de minister toezeggen dat in deze evaluatie ook de toereikendheid wordt meegenomen van de extra gelden die in het gemeentefonds zijn opgenomen voor pgb-houders onder de Wmo en de Jeugdwet? In dit kader wil ik ook de Wet zekerheid flexwerkers noemen. De behandeling vond net voor het reces plaats. Dat de SVB deze wet als onuitvoerbaar heeft beoordeeld voor het pgb, laat zien dat de huidige arbeidsrechtelijke regels onvoldoende aansluiten bij de specifieke praktijk van de budgethouders. Het pgb is onder deze wet, de Wet zekerheid flexwerkers, uitgezonderd tot 2030. De BBB vraagt zich oprecht af of de vergaande regulering van de arbeidsmarkt gewenst is. Welk probleem wordt opgelost? Het resultaat is zeer complexe, soms conflicterende wetgeving, nauwelijks uitvoerbaar en gefragmenteerd. Wat is de visie van de minister op de regulering van de arbeidsmarkt? Hoe wordt het pgb in de visie van de minister hierin geplaatst? Of beter: hoe kan het pgb hierin ingepast worden?

Dan de keuze om de doelgroep Zvw-pgb-budgethouders te splitsen. Dit besluit heeft, zo erkent de voormalig staatssecretaris op dit dossier, forse bezwaren. Zo krijgt een deel van de zorgverleners meer rechten die een ander deel pas later krijgt, terwijl zij vanuit het perspectief van de Zorgverzekeringswet onder hetzelfde regime vallen. Circa 10.000 budgethouders die de salarisadministratie niet bij de SVB hebben ondergebracht en dus niet bekend zijn bij de SVB, gaan pas later onder deze wet vallen. Is er inmiddels een oplossing gevonden voor deze splitsing? Was dit gegeven, dus de uitzondering onder de Zvw, niet juist een zeer legitieme reden geweest om dit wetsvoorstel níét met terugwerkende kracht in te voeren, maar pas na zorgvuldig onderzoek te laten invoeren? Graag een reflectie van de minister.

Voorzitter. Ik kom op mijn derde punt: de arbeidsrechtelijke gezagsverhouding. De BBB-fractie deponeert een stelling. Je kunt het pgb niet uit het arbeidsrecht halen, maar wel het arbeidsrecht uit het pgb. De kern van het pgb is dat budgethouders zelf op eigen voorwaarden zorgverleners kunnen aanstellen. In voorkomende gevallen ontstaat hierbij tussen de budgethouder en de zorgverlener een arbeidsovereenkomst. Er zijn meerdere vormen van overeenkomsten mogelijk.

De SVB adviseert budgethouders bij de keuze voor een zorgovereenkomst. Het is de verantwoordelijkheid van de budgethouder om te bepalen welke van de vier zorgovereenkomsten die binnen het pgb mogelijk zijn, van toepassing verklaard worden. Bij bijvoorbeeld een eerstegraads of tweedegraads familieband is er meestal geen sprake van een gezagsverhouding en zal er een overeenkomst van opdracht afgesloten worden met de zorgverlener. In bepaalde situaties kan er echter wel sprake zijn van een gezagsverhouding, terwijl de zorgverlener ook familie is. Bij het afsluiten van de arbeidsovereenkomst kan in deze situatie de gezagsverhouding via de SVB bij de Belastingdienst getoetst worden. De SVB kan de Belastingdienst namens de pgb-houder om een beschikking verzekeringsplicht vragen om vast te stellen of er sprake is van een verzekeringsplicht voor de werknemersverzekeringen in deze situatie.

Het is ontzettend gecompliceerd. Is het niet veel eenvoudiger, zo vraagt de BBB-fractie zich af, om voor de pgb-houder onder de Rdah voor minder dan vier dagen per week geen arbeidsovereenkomst meer toe te staan, ongeacht de gezagsverhouding? Deze groep zou dan kunnen kiezen voor een andere zorgovereenkomst. Als deze optie mogelijk zou zijn — wij weten het niet; het is daarom een optie — zou deze leiden tot een aanzienlijke vermindering van de complexiteit, terwijl die met dit wetsvoorstel in stand gehouden wordt. De BBB-fractie is oprecht benieuwd naar een reactie van de minister. Graag een reflectie.

Mevrouw Ramsodit (GroenLinks-PvdA):

Ik heb goed naar u geluisterd, vooral naar uw eerste zin. U vroeg zich af of we het arbeidsrecht uit het pgb kunnen halen. Bedoelt u daarmee dat u eigenlijk vindt dat de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep overruled kan worden? Die uitspraak gaat over de rechten die mensen, de pgb-dienstverleners, hebben als het gaat om het arbeidsrecht en de rechtsbescherming die daarmee samenhangt.

Mevrouw Van Wijk (BBB):

Dat is niet onze mening. Wij zoeken als BBB-fractie, en ik hoop ook een breder deel van deze Kamer, naar een pragmatische uitvoerbaarheid van de verantwoordelijkheid van de pgb-houders. Die zoektocht is er, zonder dat de rechten ter discussie staan. Omdat er vier soorten zorgovereenkomsten zijn, zou het een optie kunnen zijn. Maar wij hebben de wijsheid niet in pacht, dus het is slechts een gedachtegang. Het zou een optie kunnen zijn om de arbeidsovereenkomst uit een van de vormen van het pgb te halen. Dat is onze zoektocht.

Mevrouw Ramsodit (GroenLinks-PvdA):

Ik denk dat de zoektocht naar "pragmatisch uitvoerbaar" wat onze fractie betreft begrensd is waar het gaat om werknemersrechten. Die zouden niet ter discussie moeten staan. Dat hoor ik u deels zeggen. Dank voor de verheldering.

Mevrouw Van Wijk (BBB):

Als het inzetten van deze optie als consequentie heeft dat werknemersrechten ter discussie komen te staan, dan moeten we een bepaalde afweging maken. Maar het is een bepaalde zoektocht.

Voorzitter. Dan het laatste onderdeel van de eerste termijn: de uitvoerbaarheid. Een belangrijk onderdeel van ons werk in dit huis is kritisch kijken naar de uitvoerbaarheid van een wet of wetswijziging. Ik citeer uit de eerste termijn van deze Kamer. Mevrouw Ramsodit had het hier ook al over: "De regering erkent dat dagloonvaststelling bij pgb-zorgverleners deels via handmatige processen moet plaatsvinden. Welke concrete controles worden ingericht om fouten tijdig te signaleren en te voorkomen? Wie is verantwoordelijk voor herstel?"

De SVB is in haar Stand van de Uitvoering 2026 zeer uitvoerig ingegaan op de grenzen van het pgb. Over de uitvoerbaarheid merkt de SVB het volgende op: "De SVB stelt vast dat door de opeenstapeling van complexe arbeidswetgeving de grenzen van de uitvoering van de pgb-regeling zijn bereikt." En: "Meer eenvoud in wet- en regelgeving voor budgethouders is daarbij wat de SVB van u als Kamer vraagt."

Voorzitter, afrondend. De BBB-fractie zet grote vraagtekens bij de uitvoerbaarheid van dit wetsvoorstel. In hoeverre kunnen wij als overheid nog van de budgethouders vragen om hun verantwoordelijkheid te blijven dragen op het vlak van uitvoerbaarheid, proportionaliteit en handhaafbaarheid?

Voorzitter. De BBB-fractie is uitermate kritisch over dit conceptwetsvoorstel. De beantwoording en invulling van de toezeggingen door de minister zijn van groot belang voor het stemadvies aan mijn fractie.

Dank u.

De voorzitter:

Ik dank u wel. Dan geef ik nu graag het woord aan de heer Schalk. Hij spreekt namens de SGP.