Verslag van de vergadering van 13 oktober 2026 (2026/2027 nr. 04)
Status: ongecorrigeerd
Aanvang: 11.55 uur
Een verslag met de status "ongecorrigeerd" is niet voor citaten en er kan geen recht aan ontleend worden.
De heer Janssen i (SP):
Voorzitter, dank u wel. Er zijn al veel gedetailleerde vragen gesteld door de collega's, dus die zal ik niet herhalen. Laat ik beginnen met een vraag aan de minister over de actualiteit. Kan de minister aangeven hoe hij de uitspraak van het Europees Hof van Justitie over de door Nederland verplichte asielaanvraag voor Oekraïense ontheemden gaat uitvoeren en wat dit gaat betekenen voor de doorlooptijden bij de IND? Acht de minister zijn eigen oplossing — niets doen en achteraan in de rij plaatsen — juridisch houdbaar?
Voorzitter. Of het de kwaliteit van wetgeving ten goede komt om een wetsvoorstel waar de Tweede Kamer in 2018 over heeft gestemd en dat vervolgens via een novelle, die sinds 2020 tot tweemaal toe is gewijzigd en dan ook nog geamendeerd, nu zo te behandelen, waag ik te betwijfelen. Vindt de minister zelf dat deze wet nog voldoet aan de eisen van duidelijkheid, eenvoud en bestendigheid? De minister zal deze eisen herkennen als voortkomend uit de Aanwijzingen voor de regelgeving. Graag een reactie van de minister.
Met name vraag ik hem hoe dit straks samengestelde wetsvoorstel voldoet aan de eisen van duidelijkheid en eenvoud voor de betreffende doelgroep, een andere eis uit die aanwijzing. Mijn vragen stel ik ook in de wetenschap dat de minister nog komt met een wetsvoorstel, waarvoor hij de term "terugkeerfrustreerders" heeft gemunt. Hoe raken deze wetsvoorstellen elkaar en zal dit leiden tot conflicterende artikelen of onduidelijkheid in de uitvoering, vraag ik de minister.
Voorzitter. Ik hoor dat iedereen haast wil maken met dit wetsvoorstel en de novelle vanwege het afschaffen van de rechterlijke dwangsommen in asielprocedures. Had dat niet apart geregeld kunnen en moeten worden, vraag ik de minister. Als het al te regelen ís, zeg ik daar nadrukkelijk bij, temeer omdat een eerdere aparte regeling voor het tijdelijk afschaffen van rechterlijke dwangsommen juridisch is gesneuveld bij de Raad van State. En als de minister het afschaffen van rechterlijke dwangsommen zo'n goed idee vond, waarom heeft de minister het dan niet zelf geregeld, in plaats van te wachten op een amendement? Dan had de minister namelijk meteen vooraf het oordeel van de Raad van State gehoord over het afschaffen van de rechterlijke dwangsommen, in plaats van te wachten op een rechterlijke uitspraak.
Mijn volgende vraag aan de minister is daarom of hij het verschil kan uitleggen tussen het door de Raad van State onverbindend verklaren van het tijdelijk afschaffen van de rechterlijke dwangsom in asielzaken, als in strijd met het beginsel van effectieve rechtsbescherming en het Unierecht, en het permanent afschaffen van de rechterlijke dwangsom in asielzaken, zoals vandaag voorligt. Waarom zou een tijdelijk afschaffen van de rechterlijke dwangsommen onverbindend worden verklaard en het permanent afschaffen wel door de Raad van State in stand worden gelaten?
Voorzitter. In de Tweede Kamer is verwezen naar uitspraken van de Raad van State en andere uitspraken die het opleggen van een bindende termijn in plaats van een dwangsom toe zouden staan. Maar hoe kan een bindende termijn een effectief middel zijn als die termijnen nu ook al bij lange na niet worden gehaald? Wat de minister dan doet, dus als die zaken voorrang gaan krijgen na een rechterlijke uitspraak, is de rechter onderdeel maken van de uitvoering van zijn beleid, via de trechter van de rechter. En dat is toch iets wat we te allen tijde moeten voorkomen. De rechter toetst en is geen deel van de uitvoering. Het ging om uitspraken waarbij de Raad van State een dwangsom eventueel achterwege zou kúnnen laten, maar dat is een rechterlijke afweging. De rechterlijke afweging wordt gemaakt, maar die wordt met deze novelle onmogelijk gemaakt. Dat is toch een totaal andere dimensie? Zo maak je van de uitzondering de regel. Graag een uitleg van de minister.
Voorzitter. Het Landelijk Overleg Vakinhoud Bestuursrecht heeft op 21 mei 2026 een aanbeveling vastgesteld over de rechterlijke dwangsommen bij beroepen wegens het niet tijdig beslissen in vreemdelingenzaken. Deze aanbeveling strekt ertoe tot een meer uniforme vaststelling van de rechterlijke dwangsommen te komen. Bij deze vaststelling wordt rekening gehouden met zowel het belang van tijdige besluitvorming als met de uitvoerbaarheid van de door de rechtbank gestelde beslistermijn. Die aanbeveling bepaalt dat de minister een dwangsom van €50 per dag moet betalen als hij de door de rechtbank opgelegde beslistermijn overschrijdt. Hierbij geldt een maximum van €15.000. Een maximum van €15.000 en een dagbedrag van €50.
We zien dat die aanbeveling nu in alle recente asieluitspraken bij rechtbanken terugkomt. Ik neem aan dat de minister dat ook ziet. Graag zijn reactie daarop. Hoe verhouden deze aanbeveling en de uitspraken nu zich tot de eerdere financiële praktijk? Wat zijn de financiële gevolgen? Wat is het verschil tussen de eerdere praktijk en deze aanbeveling, die nu volop wordt gevolgd?
Voorzitter. Dan over wat voorheen het amendement was en nu onderdeel is van de novelle over het afschaffen van de rechterlijke dwangsom, en met name over het handelen van de minister daarin in de Tweede Kamer. Voor zover mij bekend is, heeft de minister geen spoedadvies over dit amendement gevraagd bij de Raad van State. Klopt dit? En zo ja, waarom heeft de minister dit niet gedaan om vooraf die duidelijkheid te krijgen, in plaats van een uitspraak van de Raad van State op dit punt af te wachten? Blijkbaar betekent dit dat de minister volledig is overtuigd van de juridische houdbaarheid van dit amendement en daar geen twijfel bij kent. Of is de minister niet volledig overtuigd van de juridische houdbaarheid en heeft de minister een politieke afweging gemaakt bij zijn oordeel over dit amendement? Want ik lees vooral dat de regering dit ook wil om de IND te ontlasten, maar daarmee wordt het een politieke afweging en niet een juridische. Daarmee zou de ministeriële verantwoordelijkheid van deze minister voor de rechtmatigheid van wetgeving in het geding zijn. De minister mag immers niet meewerken aan wetgeving als vooraf duidelijk is dat die onrechtmatig is of zou kunnen zijn. Dat zou hij moeten betrekken bij zijn oordeel over zo'n amendement. Ik hoor dan ook graag de juridische onderbouwing van de minister: waarom acht hij het permanent volledig afschaffen van de rechterlijke dwangsom in asielzaken rechtmatig en boven iedere juridische twijfel verheven? Waarom is zijn oordeel boven zo veel twijfel verheven dat hij een spoedadvies over een amendement bij de Raad van State overbodig achtte? Stond zijn politieke wens dit in de weg, is mijn directe vraag aan de minister.
Meer in het algemeen wil ik de minister vragen hoeveel zaken er onder het overgangsrecht gaan vallen, zoals dat in het amendement over de afschaffing van de rechterlijke dwangsom is voorzien. In hoeveel zaken is er nog wel een rechterlijke dwangsom mogelijk? Om welke bedragen gaat het dan, nu en in de toekomst? Graag een concreet antwoord van de minister.
Voorzitter. Dan een meer algemene vraag uit de eigen, eerdere, praktijk. De IND is een uitvoeringsorganisatie, een agentschap, die valt onder de Rijksoverheid. Nu is het zo dat door Rijksoverheidsorganen geïnde dwangsommen direct vallen onder de algemene middelen, ongeoormerkt. Mijn vraag aan de minister is: waarom worden de dwangsommen die door de IND betaald moeten worden dan op de begroting van de IND opgevoerd? Zouden die ook niet gewoon uit de algemene financiële middelen betaald moeten worden, waar ook de geïnde dwangsommen immers terechtkomen? Dat zou toch een veel betere oplossing zijn? Maar dat is een politieke keuze. Graag hoor ik hoe de minister hierover denkt.
Voorzitter. Over vreemdelingenbewaring, alles wat daarover gevraagd is en alles wat daarmee samenhangt, en over de nieuwe, nog van de minister te ontvangen wet heb ik een tweetal meer algemene vragen, naast alle gedetailleerde vragen die al gesteld zijn. De eerste vraag gaat over capaciteit. Dat is een heel logische vraag: hoeveel capaciteit, zowel in mensen als in gebouwen, gaan deze wetsvoorstellen vragen als de vreemdelingenbewaring op deze manier wordt uitgebreid? Ik neem aan dat daarover is nagedacht, dat dit in kaart is gebracht en dat de minister daar een helder inzicht in heeft en ons dat ook kan melden.
Voorzitter. Dan de tweede vraag. De samenleving gaat gebukt onder het grote probleem van overlast door verwarde personen, in zijn algemeenheid. Psychische problematiek speelt daarbij een grote rol. Bij asielzoekers komt dit ook voor, bijvoorbeeld wanneer mensen PTSS hebben en eigenlijk in de positie zijn dat zij niet meer voor hun eigen doen in kunnen staan. Mijn tweede vraag aan de minister is daarom op welke wijze er bij de voorziene toepassing van vreemdelingenbewaring geborgd is dat deze problematiek wordt herkend en er ook naar gehandeld wordt. In de wet wordt geregeld dat personen die tot deze groep behoren op een aparte locatie zullen worden geplaatst. Maar mijn vraag aan de minister is: hoeveel plekken zijn daarvoor dan beschikbaar? Want in de reguliere gezondheidszorg zijn die plekken er niet. Waarom zouden die er voor asielzoekers dan wel zijn? Hoe voorkomen we dat deze mensen of op een verkeerde manier in vreemdelingenbewaring verblijven of op straat belanden, met alle gevolgen van dien? Dus graag een antwoord van de minister over het aantal beschikbare plekken. Op welke wijze wordt er in het door de minister voorgestelde nieuwe bewaringsregime voor asielzoekers met deze groep omgegaan? Hoe wordt erop toegezien?
Voorzitter. Over de politieke wenselijkheid is veel gesproken, ook van het afschaffen van die dwangsommen. Maar ik heb geprobeerd mij vandaag toch vooral te richten op het handelen van de minister ten aanzien van de juridische houdbaarheid. Daarom kijkt de SP uit naar de beantwoording door de minister.
De voorzitter:
Meneer Janssen, dank voor uw bijdrage. De volgende spreker in deze termijn is mevrouw Van Bijsterveld. Zij spreekt namens de fractie van JA21.