De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid zegt de Kamer, naar aanleiding van een vraag van het lid Baumgarten (JA21), toe in een van de eerste rapportages over de wet terug te komen op de doelstelling van het kabinet en de wijze waarop het succes van de wet wordt beoordeeld.
| Nummer | T04280 |
|---|---|
| Status | openstaand |
| Datum toezegging | 7 juli 2026 |
| Deadline | 1 januari 2027 |
| Verantwoordelijke(n) | Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid |
| Kamerleden | dr. R. Baumgarten (JA21) |
| Commissie | commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) |
| Soort activiteit | Plenaire vergadering |
| Categorie | evaluatie |
| Onderwerpen | Doelstellingen evaluaties flexwerkers rapportage |
| Kamerstukken | Wet meer zekerheid flexwerkers (36.746) |
Handelingen I, 2025/2026, nr. 39, item 18, p. 1.
De heer Baumgarten (JA21):
(…)
Hoewel ik nadrukkelijk niet verwacht dat de appreciatie van mijn fractie voor dit wetsvoorstel opeens wijzigt, ben ik nog wel benieuwd naar het antwoord van de minister op de vraag hoe groot in kwantitatieve zin in relatie tot de gehele beroepsbevolking het probleem eigenlijk is dat met deze wet zou moeten worden opgelost.
Handelingen I, 2025/2026, nr. 39, item 18, p. 7.
Minister Vijlbrief:
(…)
Dan stelde de heer Baumgarten, voordat hij de microfoon stukmaakte, in die microfoon de vraag: om hoeveel mensen gaat het eigenlijk? Dat vond ik zelf een interessante vraag. Het aantal mensen in draaideurconstructies voor uitzendcontracten schatten wij in op 800.000. 100.000 à 150.000 daarvan kunnen in dat soort draaideurconstructies zitten, zeg ik met enige voorzichtigheid. Bij gewone reguliere tijdelijke contracten betreft het, denken we, tussen de 7% en 20%. Dat zou om ongeveer 100.000 mensen kunnen gaan. Het meest interessant zijn degenen die op nulurencontracten draaien. Ook daar kan ik wat cijfers over geven. 75% van de mensen die nu al op een nulurencontract zitten, kunnen dat straks ook nog. Driekwart van de mensen doet dit namelijk als bijbaan; dat vermoedde ik al. Dat zijn dus scholieren, studenten of ouderen, AOW'ers. Maar 25% doet dit als primaire inkomensbron. Daarbij vermoeden we — dat weten we niet — dat een kwart dat niet helemaal zou doen zoals ze willen. Daarin zou dus onvrijwilligheid kunnen zitten, maar daar durf ik eigenlijk geen uitspraken over te doen.
Het is belangrijk om te zeggen dat van die oproepkrachten — dat plaatste de motie van de heer Schalk een beetje in een bepaald daglicht, over die nulurencontracten — 75% onder die uitzondering gaat vallen. Tegelijkertijd kun je zeggen: het gaat dan dus om een kleine groep waarbij je het bestrijdt. Maar dat klopt wel weer voor degenen die zeggen: je wil niet een hele groep pakken; je wil vooral misbruik bestrijden. Dat is dus een relatief kleine groep.
De heer Baumgarten (JA21):
Ik zal met respect met het voetpedaal omgaan, mevrouw de voorzitter. Ik ben even aan het meeschrijven en meerekenen. Ik toets het gewoon even bij de minister, als u het goedvindt. Draaideurgedupeerden, noem ik het maar, als het mag, zijn er circa 150.000, heb ik even meegeschreven, give or take.
Minister Vijlbrief:
100.000 tot 150.000, ja.
De heer Baumgarten (JA21):
Oké. Ongeveer 25% is een nulurencontracter. Van hoeveel?
Minister Vijlbrief:
Er zijn ongeveer 226.000 reguliere oproepkrachten. Van 174.000 — dat is die 75% — is het geen primaire inkomensbron. Dat zijn dus mensen die scholier, student of oudere zijn.
De heer Baumgarten (JA21):
Dan kom ik dus, bij elkaar opgeteld, op 200.000 medewerkers voor wie deze wet wellicht een oplossing poogt te bieden? Of reken ik dan verkeerd, vraag ik aan de minister.
Minister Vijlbrief:
U bent één groepje nog vergeten — dat is niet onaanzienlijk — namelijk de draaideurconstructies voor uitzendcontracten. Dat zijn 100.000 à 150.000 mensen. Daarvan vallen ongeveer — wat zei ik? — 50.000 mensen onder de oproepkrachten. Maar u vergeet de mensen die in draaideurconstructies zitten met reguliere tijdelijke contracten. Dat zijn er ook ongeveer 100.000.
De voorzitter:
Tot slot, meneer Baumgarten.
Minister Vijlbrief:
Uw som klopt dus, maar …
De heer Baumgarten (JA21):
Dat zijn er dan 300.000. Dat brengt me dan, even hoogover opgeteld, bij de vraag aan de minister wat dan de ambitie is. Hoeveel procent, of in absolute aantallen, moet het afnemen, wil deze wet als succesvol worden bestempeld, vraag ik via de voorzitter aan de minister.
Minister Vijlbrief:
Daar heb ik eerder van gezegd: dat ga ik hier niet zeggen. Ik bedoel: dat is een soort raar, kwantitatief doel. Het is duidelijk dat de wet deze drie categorieën wil bestrijden. Op zich komen we helemaal tot de kern van de wet. In principe wil je dat het helemaal niet meer gebeurt, maar ik denk dat dat een beetje hypothetisch is. U heeft nu wel een idee van de aantallen waar het om gaat.
De voorzitter:
Er is wat tijd, dus ik ben nu wat soepeler. U mag dit punt even afmaken.
De heer Baumgarten (JA21):
Dank u wel, mevrouw de voorzitter. Dat brengt mij bij een eerdere uitspraak die de minister deed in het debat over het monitoren van KPI's. Dan ben ik als bèta wel benieuwd hoe u die KPI's gaat monitoren en hoe u vervolgens het succes van deze wet evalueert.
Minister Vijlbrief:
We weten op basis van deze getallen ongeveer wat de doelgroepen zijn waarnaar je wilt kijken. Laten we het erop houden dat je een substantiële vermindering van dit soort contracten wilt. De heer Baumgarten probeert mij nu even op een dinsdagmiddag ertoe uit te lokken dat ik mijzelf ophang aan een getal, maar dat ga ik niet doen. Laat ik het zo doen. We hebben met elkaar afgesproken dat we veel schriftelijke contacten zullen hebben aan de hand van de monitoring en de evaluatie. In een van de eerste rapportages kom ik terug op wat het doel is van het kabinet. Zullen we het zo doen?
De heer Baumgarten (JA21):
Dank u wel. Ik beschouw het maar even als een toezegging. U pakt het na de zomer op in een schriftelijke rapportage aan deze Kamer.
Brondocumenten
-
voortzetting behandeling Verslag EK 2025/2026, nr. 39, item 18
-
7 juli 2026
toezegging gedaan