Behandeling Voorstel voor een Gedragscode ongewenste omgangsvormen Eerste Kamer der Staten-Generaal



Verslag van de vergadering van 21 april 2026 (2025/2026 nr. 27)

Aanvang: 14.15 uur

Status: ongecorrigeerd

Een verslag met de status "ongecorrigeerd" is niet voor citaten en er kan geen recht aan ontleend worden.


Voorzitter: Koffeman

Aan de orde is de behandeling van:

  • Voorstel voor een Gedragscode ongewenste omgangsvormen Eerste Kamer der Staten-Generaal (CLXX).

Bekijk de video van deze spreekbeurt

De voorzitter:

Ik heropen de vergadering. Aan de orde is de eerste termijn van de behandeling van het voorstel van het College van Voorzitter en Ondervoorzitters inzake een Gedragscode ongewenste omgangsvormen Eerste Kamer der Staten-Generaal. Ik heet het College van Voorzitter en Ondervoorzitters, achter de regeringstafel gezeten, van harte welkom. We beginnen vandaag met de eerste termijn van de Kamer. Op dinsdag 19 mei zal het College van Voorzitter en Ondervoorzitters antwoorden in de eerste termijn en zal tevens de tweede termijn plaatsvinden.

De beraadslaging wordt geopend.

De voorzitter:

Ik geef het woord aan mevrouw Fiers van P... sorry, van GroenLinks-Partij van de Arbeid. Zij spreekt ook namens de fracties van Volt, ChristenUnie, D66, Partij voor de Dieren en OPNL. Gaat uw gang.


Bekijk de video van deze spreekbeurt

Mevrouw Fiers i (GroenLinks-PvdA):

Dank u wel, voorzitter. Ik zal niet tijdens de spreektekst steeds de namen van al die fracties noemen, want dan is mijn spreektijd alweer voorbij.

In de laatste cijfers van het CBS en TNO is op basis van de Nationale Enquête Arbeidsomstandigheden 2024 te lezen dat 17% van de Nederlandse werknemers jaarlijks ongewenste omgangsvormen op de werkvloer ervaart. Dat betreft meer dan een op de zes werknemers. Het meest voorkomend zijn intimidatie en bedreiging, 11,9%, en discriminatie, 11,4%. Dit vraagstuk kent vele verschijningsvormen. In sommige bedrijfstakken, zoals de zorg en het openbaar vervoer, betreft het veelal ongewenste omgangsvormen van patiënten of reizigers richting medewerkers. In andere bedrijfstakken, waar er veel minder frequent klantcontacten zijn, betreft het vooral ongewenste omgangsvormen van medewerkers onderling.

Dit zijn zorgwekkende cijfers, zeker omdat er sprake is van een stijgende trend. Gelukkig zien we de aandacht voor het voorkomen en aanpakken van ongewenste omgangsvormen ook toenemen. We hebben allemaal een verantwoordelijkheid om die ongewenste omgangsvormen te voorkomen en bespreekbaar te maken en waar nodig direct in te grijpen als je er getuige van bent. Ook veel bedrijven, verenigingen, vrijwilligersverenigingen en overheden zijn serieus aan de slag met de aanpak van dit maatschappelijk vraagstuk. Zo ook wij hier in de Eerste Kamer.

Onze fracties zijn er daarom positief over gestemd dat wij hier vandaag ook spreken over een voorstel om te komen tot een gedragscode ongewenste omgangsvormen voor de Eerste Kamer der Staten-Generaal, want juist ook de Eerste Kamer heeft hierin een voorbeeldrol. Deze code gaat over potentieel ongewenst gedrag van alle 75 Kamerleden in de Kamer jegens elkaar, medewerkers en bezoekers. Het gaat dus over u en over mij.

Bij de voorbereiding van dit debat heb ik me, wellicht net als u, afgevraagd wat eigenlijk de omvang van het vraagstuk is hier in de Eerste Kamer. Alhoewel mijn persoonlijke ervaringen positief zijn, geven die natuurlijk geen volledig beeld. Hoe vaak komen die ongewenste omgangsvormen voor? Is daar iets zinnigs over te zeggen?

In een onderzoek van de Universiteit Utrecht uit 2023 naar sociale veiligheid in de Tweede Kamer met als titel Kracht zonder Tegenkracht wordt geconcludeerd dat een grote minderheid van de deelnemers in meer of mindere mate grensoverschrijdend gedrag ervaart van andere Kamerbewoners. De onderzoekers concluderen dat de aard van de ervaren sociale onveiligheid meer is dan een reeks van incidenten. Nu is de Tweede Kamer natuurlijk niet de Eerste Kamer, maar ook internationaal onderzoek in andere parlementen, zoals in Australië en Engeland, wees uit dat er sprake is van wijdverbreide ongewenste omgangsvormen. Ik moet zeggen dat ik bij de voorbereiding van dit debat steil achteroversloeg bij het lezen van de Jenkins Review in Australië. Dit onderzoek toonde aan dat een op de drie medewerkers, 33%, en 63% van de vrouwelijke parlementariërs seksuele intimidatie had ervaren. Natuurlijk realiseer ik me dat dit onderzoek niks zegt over de Eerste Kamer, maar het is wel belangrijk om ons te realiseren wat factoren zijn die ongewenste omgangsvormen als het ware stimuleren en mogelijk maken.

Voorzitter. Uit de literatuur over het gedrag van mensen op de werkvloer blijkt dat gedrag niet los kan worden gezien van de context en de organisatiekenmerken waarin het plaatsvindt. Omgevingsfactoren hebben invloed op de beleving van de sociale veiligheid en kunnen risico's meebrengen op onveiligheid en ongewenste omgangsvormen. Uit onderzoek blijkt dat de volgende factoren hierbij een rol spelen: een grote afhankelijkheid, een competitief werkklimaat, het gebruik van flexibele arbeidscontracten, hoge werkdruk, informele machtsverschillen en een sterke hiërarchie of een ervaren onaantastbaarheid van bepaalde personen. Enkele van deze relevante contextfactoren, zoals de bijzondere positie van Kamerleden, die mogelijk als onaantastbaar wordt ervaren, zijn ook van toepassing op de Eerste Kamer. Dit roept de vraag op of het niet zinvol is om ook in de Eerste Kamer onafhankelijk onderzoek te laten doen om inzichtelijk te krijgen wat de omvang is van dit vraagstuk bij ons in de Kamer. Zo'n onderzoek kan helpen om te bepalen wat, aanvullend op de gedragscode, noodzakelijk is om te doen. Graag een antwoord van het college.

Voorzitter. In de inleidende woorden van de Kamervoorzitter lezen we dat de code onze omgangsvormen niet wil juridificeren, maar dat die gezien moet worden als een hulpmiddel als iemand nauwelijks mogelijkheden ziet om het ongewenst gedrag van een Kamerlid aan de orde te stellen. Het is een mogelijke stok achter de deur als het onderlinge gesprek hierover moeilijk lijkt of onmogelijk blijkt. Onze fracties zijn het zeer eens met deze woorden. Een gedragscode ongewenste omgangsvormen biedt juridische structuur en juridische zekerheid bij het aanpakken van gedrag, zoals pesten, discriminatie of seksuele intimidatie. Wij zijn daarom ook voorstander van een gedragscode.

Maar alleen een gedragscode is niet genoeg. Er is meer nodig. Daarom wil ik graag nog even stilstaan bij artikel 2, lid 2 van de gedragscode. In dit artikel staat: "Het College, daarin bijgestaan door de Griffier, maakt beleid gericht op het voorkomen van ongewenste omgangsvormen door Kamerleden en ziet toe op de uitvoering daarvan." Effectief ongewenst gedrag voorkomen werkt door een combinatie van structureel beleid, preventieve acties en een open cultuur, waarin aanspreken de norm is. Graag horen wij van het College van Voorzitter en Ondervoorzitters de contouren van het aanvullende beleid dat nog ontwikkeld wordt. We horen niet alleen graag wat de inhoud is, maar ook wanneer het gereed is. Voor een succesvolle implementatie is de bedrijfscultuur doorslaggevend. De Regeringscommissaris seksueel grensoverschrijdend gedrag en seksueel geweld heeft een uitgebreide handleiding gepubliceerd met effectieve maatregelen om te werken aan een cultuurverandering op de werkvloer. Wellicht biedt deze handleiding aanknopingspunten voor het aanvullende beleid dat ontwikkeld gaat worden.

Voorzitter. De leden van de fracties — ik ga ze één keer allemaal noemen — van GroenLinks-PvdA, D66, Volt, OPNL, de Partij voor de Dieren en de ChristenUnie kijken met belangstelling uit naar de antwoorden.

De voorzitter:

Dank u wel, mevrouw Fiers. Het woord is aan de heer Van Hattem van de PVV.


Bekijk de video van deze spreekbeurt

De heer Van Hattem i (PVV):

Dank, voorzitter. Er is hiervoor iets minder belangstelling op de publieke tribune dan voor het onderwerp dat we eerder vandaag aan de orde hadden.

Voorzitter. Zoals al uitgebreid in de schriftelijke rondes is gewisseld, heeft de PVV-fractie moeite met de invulling van de voorliggende Gedragscode ongewenste omgangsvormen. Ik zal niet alle grieven herhalen die we in deze schriftelijke rondes al uitgebreid gewisseld hebben. In deze vorm is het veel te onbepaald wat "ongewenst" is, wat kan leiden tot willekeur, vage aanklachten en een soort proces omdat iemand zich al snel gekwetst kan voelen. Denk aan wokeklagers die zelfs met politieke motieven klachten kunnen indienen en ga zo maar door. Het is veel te breed. Een onschuldig bedoeld grapje of een verkeerd geïnterpreteerde opmerking kan zomaar tot een hele klachtenprocedure leiden.

Laat één ding duidelijk zijn: de PVV-fractie vindt dat daadwerkelijk ontoelaatbare gedragingen gemeld en aangepakt moeten worden, maar dan moet er wel sprake zijn van gedragingen die wettelijk niet zijn toegelaten en die dus ook strafbaar zijn gesteld. Er moet duidelijk sprake zijn van een geschonden rechtsnorm. Dat is ook de basis van ons recht: het moet kenbaar zijn dat een gedraging ontoelaatbaar is. Het lastige is dat in de definitie die in deze gedragscode voor ongewenste omgangsvormen wordt gehanteerd, juist heel veel begrippen worden meegenomen die op zichzelf ook al strafbaar zijn gesteld. Het is dus heel moeilijk om de grens te trekken tussen wat nu eigenlijk juridisch strafbaar en wat ongewenst is. Het is een heel hellend vlak. Daar probeer ik in dit debat toch iets meer duidelijkheid in te krijgen.

Wat betreft alle andere ongewenste gedragingen die als ongemakkelijk, onfatsoenlijk of onprettig kunnen worden beschouwd, kan met een melding en een goed gesprek met de vertrouwenspersoon worden volstaan. Daar is geen uitgebreide procedure met een adviescommissie en een college dat besluiten neemt voor nodig. Daarbij willen we voorkomen dat het College van Voorzitter en Ondervoorzitters een soort tribunaalfunctie voor andere Kamerleden krijgt. Het CVO is immers geen rechtbank.

Voorzitter. Ik citeer uit de nota naar aanleiding van het derde verslag. "De leden van de PVV-fractie maken terecht onderscheid tussen strafbare gedragingen en ongewenste gedragingen die niet strafbaar zijn in de zin van de wet. De laatste categorie ongewenste gedragingen is ruimer dan die van de strafbare gedragingen en de voorgestelde gedragscode heeft betrekking op deze ruimere categorie (zie definitiebepalingen in artikel 1). De conclusie van deze leden dat om die reden strafrecht geen ultimum remedium is, doet evenwel geen recht aan de betekenis van dit adagium." Nou komt het. "De ultimum-remediumgedachte houdt onder andere in dat het strafrecht niet het eerstaangewezen instrument kan en mag zijn bij het oplossen van maatschappelijke problemen, in dit geval ongewenste gedragingen. Pas als is gebleken dat andere instrumenten tekortschieten, dient de inzet van het strafrecht te worden overwogen. Dit is precies wat met de voorgestelde gedragscode en het flankerend beleid (genoemd in artikel 2) wordt beoogd: voorkomen dat ongewenste gedragingen plaatsvinden en kunnen escaleren naar strafbare gedragingen, waarbij vervolgens alleen nog het strafrecht rest als ultimum remedium." Einde citaat.

Het gaat hier niet om de inzet van het strafrecht als maatregel, maar om de strafbaarheid van gedragingen. Een niet-strafbare gedraging moet dan ook niet onderworpen worden aan maatregelen of consequenties die een bestraffend karakter hebben. Een ongewenste niet-strafbare gedraging hoort dus niet gesanctioneerd te worden, daar de strafbaarheid ontbreekt en er daarmee dus ook geen rechtsnorm geschonden is. Ook voor een ultimum-remediumgedachte dient er sprake te zijn van strafbaarheid door een geschonden rechtsnorm. Graag een reactie hierop.

Wat het voorkomen van het escaleren naar strafbare gedragingen betreft: zolang het niet escaleert naar een strafbare gedraging, is er ook geen rechtsnorm geschonden en zijn formele maatregelen dus ook niet passend. Het is op die manier ook zeer speculatief. In zulke gevallen kan van aanspreken sprake zijn, maar verdere stappen zijn heel voorbarig. Men weet immers niet of het gaat escaleren. Ook op dit punt graag een reactie.

Verder stelt het college dat bij de gedragscode voor de definitie van ongewenste omgangsvormen zo veel mogelijk is aangesloten bij de wettelijke definities. Dat is echter geen antwoord op de schriftelijk gestelde vraag of het niet onrechtsstatelijk is om de gedragscode verstrekkender toe te passen dan de door de wetgever strafbaar geachte rechtsnormen. Dat gaat verder dan alleen een uitleg van rechtszekerheid. Graag alsnog een uitgebreide reactie.

Dan over het gebruik van het woord "schuldig". Het college stelt dat het niet verwees naar het strafrechtelijk begrip, maar het woord wordt hier wel in een sanctionerende gedragscode gebruikt, met een formele toepassing. Zou het niet beter zijn hiervoor een andere term te gebruiken, die niet deze specifiek strafrechtelijke associatie kent, als deze niet als zodanig bedoeld is? Ik hoor het graag.

Hoe zit het met klachten over gedragingen waar sprake is van nalaten? Bijvoorbeeld: een Kamerlid wordt beticht omdat hij kennis had van een door een ander Kamerlid begane ongewenste misstand, maar daar niet actief op heeft ingegrepen. Dat kan bijvoorbeeld als er iets binnen een fractie ter kennis is gekomen van de fractievoorzitter. Ik noem ook het voorbeeld dat er in gezelschap een ongewenste opmerking wordt gemaakt en daar door de anderen niet op gereageerd wordt door een ander aan te spreken. Kan het college uitsluiten dat zulke indirecte gevallen binnen de strekking van deze gedragscode vallen?

Voorts stelt het college, en ik citeer: "Het ligt in de rede dat deze procedure een weloverwogen en gefundeerd advies oplevert. Temeer daar artikel 9, derde lid bepaalt dat de leden van de commissie deskundig en ervaren zijn op het gebied van onafhankelijke, onpartijdige en zorgvuldige afhandeling van klachtprocedures met betrekking tot ongewenste omgangsvormen. Beide elementen — onafhankelijkheid én deskundigheid — moeten de commissie in staat stellen de door deze leden genoemde beoordelingen van 'de kwetsbaarheid van de klager', 'de impact op de organisatie' of van 'het zelfinzicht bij de beklaagde' te maken." Einde citaat. Wordt dan ook specifieke psychologische of bedrijfspsychologische kennis binnen de adviescommissie vereist om kwetsbaarheid en zelfinzicht met gezag te kunnen beoordelen? Graag een reactie.

Over de criteria daarbij zegt het college slechts dat deze zullen worden gebaseerd op "de feiten en omstandigheden van het geval en de zienswijze daarop van klager en beklaagde". Dat is wel erg algemeen en nogal ad hoc gesteld. Kan het college dit preciezer duiden?

Verder heeft het college het over "machtsverschillen en afhankelijkheden tussen beklaagde en klager". Kan het college nader duiden hoe deze machtsverschillen en afhankelijkheden concreet worden bepaald?

Dan heb ik een ander punt. Kan het college aangeven welke bewijscriteria bij een klacht concreet zullen worden toegepast?

Over de apparatuur die door de Eerste Kamerorganisatie is verstrekt, zegt het college dat het benutten van deze apparatuur voor ongewenste gedragingen in strijd zal zijn met de gebruiksvoorwaarden. Kan het college aangeven hoe dit kan worden bepaald, door wie en binnen welke kaders en voorwaarden? Wat betreft het bewijs in de vorm van berichten en andere digitale zaken die worden gewisseld, heb ik de volgende vraag. Hoe gaat het college om met het risico van manipulatie, bijvoorbeeld middels AI?

Tot slot. De PVV-fractie is geen voorstander van deze gedragscode. Artikel 131 van het Reglement van Orde schrijft echter zo'n gedragscode voor. Daarom wil onze fractie de gehele gedragscode beperkt houden tot vormen van overleg en nadere afwegingen met de vertrouwenspersoon. We overwegen hiertoe amendementen in te dienen in de tweede termijn.

Tot zover in de eerste termijn, voorzitter.

De voorzitter:

Dank u wel, meneer Van Hattem. Het woord is aan de heer Schalk van de SGP.


Bekijk de video van deze spreekbeurt

De heer Schalk i (SGP):

Voorzitter, dank u wel. Tijdens de voorbereiding moest ik denken aan het gebed dat mijn vader altijd bad voor de maaltijd. Dat luidde als volgt.

O Vader, die al 't leven voedt,

Kroon onze tafel met Uw zegen;

En spijs en drenk ons met dit goed,

Van Uwe milde hand verkregen!

Leer ons voor overdaad ons wachten;

Dat w' ons gedragen als 't behoort;

Doe ons het hemelse betrachten;

Sterk onze zielen door Uw Woord!

Het gaat dan natuurlijk vooral om die beladen zin over dat we ons moeten gedragen zoals het behoort. Die geeft precies aan wat we vandaag met elkaar bespreken, namelijk een gedragscode over ongewenste omgangsvormen voor de Eerste Kamer. Die gaat over ons gedrag als Kamerleden onderling, richting allen die hier werkzaam zijn en naar gasten. Dan hebben we het over de omgangsvormen en ons gedrag. We hebben ons te gedragen zoals het behoort. In z'n algemeenheid is het lastig om commentaar te leveren op een gedragscode over ongewenste omgangsvormen, omdat het de schijn heeft van ontwijkgedrag. De kwetsbaarheid van klagers en beklaagden en van het proces dat beschreven wordt, noopt echter tot zorgvuldige behandeling. Dat is inmiddels via drie schriftelijke rondes gebeurd. Dank voor de zorgvuldige behandeling van alle schriftelijke vragen. In mijn dank zit uiteraard ook de griffie besloten. Ik heb nog wel wat vervolgvragen. Ik loop het document artikelsgewijs langs, waarbij ik begin met artikel 1.

Voorzitter. De fractie van de SGP stelde de vraag of de kwalificaties "bedreigend", "intimiderend" en "vernederend" subjectief van aard zijn. Wat voor de een intimiderend is, hoeft dat voor een ander nog niet te zijn. Het college heeft de definitie van "ongewenste omgangsvormen" gewijzigd, zodat er niet langer onduidelijkheid over kan bestaan dat in de klachtenprocedure uiteindelijk het feitelijke en dus het geobjectiveerde gedrag wordt getoetst en beoordeeld. Dank daarvoor.

Ik ga verder met artikel 1 in relatie tot artikel 3 en artikel 12. In artikel 1 gaat het over het onderscheid tussen de melder en de klager. De melder is de persoon die naar de vertrouwenspersoon gaat. De klager is dezelfde persoon als deze een klacht indient bij de klachtencommissie. Er wordt immers gesteld dat een klager pas een klacht kan indienen nadat hij of zij een melding bij de vertrouwenspersoon heeft gedaan en vervolgens zelfs een gesprek heeft gehad. Dat gesprek met de vertrouwenspersoon is dus voorwaarde geworden voor het kunnen indienen van een klacht. Dat levert nog wel wat vragen op.

In artikel 3 wordt blijkens de nota van wijziging namelijk toegevoegd: "na het doen van een melding". Waarom wordt hier niet meteen bij gemeld bij wie die melding dan wordt gedaan? Pas in artikel 12 komt te staan dat dit bij de vertrouwenspersoon zou moeten zijn. Is het niet vreemd dat er een voorwaarde gesteld wordt, namelijk dat er eerst een melding bij een vertrouwenspersoon moet worden gedaan, ook als het misschien zonneklaar is dat de omgangsvormen ver zijn overschreden? Wat betekent dat voor de persoon waarover een melding gedaan wordt? Kan die nu nog wel terecht bij die vertrouwenspersoon? Breng je de vertrouwenspersoon niet in een onmogelijke positie? De vertrouwenspersoon krijgt overigens wel een specifieke taak, waarbij zijn vertrouwensrol wel ter discussie kan komen te staan. In artikel 6, lid 2 staat dat hij verplicht is tot geheimhouding. Dat wordt later weer doorbroken, weliswaar na schriftelijke toestemming, in artikel 7, lid b en c.

Heel cruciaal vindt mijn fractie het feit dat de melder schriftelijke toestemming zal moeten geven voor het delen van diens identiteit met het Kamerlid waartegen de melding wordt gedaan. Mocht de melder onder alle omstandigheden anoniem willen blijven voor het Kamerlid dat beklaagd wordt, dan zal de weg van artikel 7 onder c niet begaanbaar zijn. Een anonieme klacht is niet mogelijk. Graag nogmaals een nadrukkelijke bevestiging daarvan. Dit is van groot belang, want we hebben in het verleden situaties gezien waarin iemand zich moest verdedigen tegenover de media, zonder te weten wie zich beklaagde of welke concrete klachten er waren. Mogen we constateren dat een dergelijke situatie in feite wordt uitgesloten of in ieder geval zo veel mogelijk wordt voorkomen?

Ik maak een sprong naar artikel 16. Dat wordt in die zin gewijzigd dat de commissie kan besluiten of klager en beklaagde in of buiten elkaars aanwezigheid worden gehoord. De vraag is of dat voldoende rechtszekerheid biedt voor beide betrokkenen. Dit artikel 16, lid 5 geeft aan dat beide betrokkenen zich kunnen laten bijstaan door een raadsman. Wie draagt de kosten daarvan als de klacht gegrond is, of zelfs als die ongegrond is?

Dan artikel 18 in samenhang met artikel 21. In de gedragscode werd onderscheid gemaakt tussen een waarschuwing en een berisping. Daar zat een groot gradueel verschil tussen. Het CVO heeft via de nota van wijziging een derde mogelijkheid toegevoegd, zodat de mogelijkheden nu zijn: een waarschuwing, die altijd vertrouwelijk is, een vertrouwelijke berisping en een openbare berisping. Zijn de criteria daarvoor helder te maken? Wordt het woord "vertrouwelijk" toegevoegd aan de tekst, zowel bij de waarschuwing als bij de berisping? In artikel 21 wordt ook geregeld dat bij een ongegrond verklaarde klacht de beklaagde kan verzoeken dit besluit openbaar te maken. Is daarmee dan de geheimhouding opgeheven?

Voorzitter. Artikel 24 bracht me ertoe nog eens na te denken over de positie van ieder Kamerlid. De hele gedragscode ademt voorzichtigheid, geheimhouding en beslotenheid, maar een Kamerlid dat wil klagen of dat beklaagd wordt, zit in een soort eenzame positie, want bij wie kan je nog terecht als in artikel 24, lid 1 staat dat je over niets mag communiceren anders dan met je raadsman? Het is toch eigenlijk logisch dat je bijvoorbeeld met je fractievoorzitter of met je collega wilt sparren, je zorgen wilt delen of wat dan ook? In dit verband is mijn laatste punt: als mijn fractiegenoot of ikzelf niet met iemand anders zou mogen overleggen dan met de vertrouwenspersoon of de raadsman, dan zouden wij bij de SGP in ieder geval tegen onze eigen integriteitscode in handelen. Die stelt dat bij een vermoeden van niet-integer handelen te allen tijde overleg moet plaatsvinden tussen partijbestuur en de betrokken parlementariër, en dat bij mogelijke schade aan de partijen dit moet worden gemeld aan de fractievoorzitter en de partijvoorzitter of aan de door de partij aangestelde vertrouwenspersoon. Een dilemma. Graag een reactie op dit dilemma.

Ik zie uit naar de reactie van het CVO.

De voorzitter:

Dank u wel, meneer Schalk. Het woord is aan mevrouw Van Bijsterveld van JA21.


Bekijk de video van deze spreekbeurt

Mevrouw Van Bijsterveld i (JA21):

Dank u wel, voorzitter. De kern van de zorg van onze fractie zit niet in het doel van deze gedragscode, maar in de manier waarop deze in de praktijk gaat uitwerken. In de huidige opzet wordt namelijk zwaar geleund op de rol van de vertrouwenspersoon. Daarmee verschuift de focus van de gedragscode vrijwel automatisch naar melding en klacht, en dus naar een formeel traject. Het is de vraag of dat wenselijk is. Wat hierdoor feitelijk gebeurt, is dat situaties al in een vroeg stadium groot kunnen worden gemaakt, terwijl het in veel gevallen juist gaat om kwesties die gebaat zijn bij een gesprek en niet bij een procedure.

U geeft in de beantwoording zelf ook aan dat een gedragscode bedoeld is om op een laagdrempelige manier ongewenste gedragingen bespreekbaar te maken en de onderlinge verhoudingen op de werkvloer van de Eerste Kamer werkbaar te houden. Daarom pleit mijn fractie voor een duidelijk filter aan de voorkant. We hebben het dan over een eerste lijn, waarin wordt gekeken wat er nu eigenlijk aan de hand is, of dit iets is wat bemiddeld kan worden, of er sprake is van een patroon en of een formele melding en klachtenprocedure echt noodzakelijk is. In de praktijk zien we namelijk dat veel zaken die bij een klachtencommissie terechtkomen uiteindelijk niet ontvankelijk blijken of worden ingetrokken. Dat betekent dat mensen een zwaar traject ingaan, met alle reputatieschade en schade aan onderlinge verhoudingen van dien. Hiermee wordt het probleem zelf niet opgelost.

Een vorm van triage aan de voorkant zou dat kunnen ondervangen. Denk hierbij aan een onafhankelijke bemiddelaar of een kleine triagecommissie die eerst beoordeelt welke route passend is. Dat kan ook helpen bij verwachtingsmanagement, want niet iedere ervaren onveiligheid of gedraging is automatisch klachtwaardig gedrag. Daarnaast zou bemiddeling veel nadrukkelijker het vertrekpunt moeten zijn: het goede gesprek eerst, niet pas als laatste redmiddel, maar juist als eerste stap. Daarmee kan in veel gevallen worden voorkomen dat situaties escaleren en/of in een formalistisch keurslijf worden gedwongen.

Een ander punt dat aandacht verdient is herstel. Ook wanneer een klacht wordt doorgezet, blijft de vraag: wat gebeurt er daarna, en hoe worden de verhoudingen hersteld? De ervaring leert dat een klachtenprocedure op zichzelf zelden het onderliggende probleem oplost. Men kan daarbij bijvoorbeeld denken aan herstelbemiddeling.

Verder moeten we realistisch zijn over de context waarin dit speelt. In de praktijk komen ook situaties voor waarin persoonlijke problematiek een rol speelt. Daarnaast past het om oog te houden voor mogelijk oneigenlijk gebruik van het klachtrecht. Niet elke klacht is primair gericht op het corrigeren van ongewenst gedrag; een klacht kan ook worden ingezet om druk uit te oefenen of iemands positie te schaden. Juist daarom is een zorgvuldige eerste beoordeling essentieel. Een systeem zonder filter nodigt uit tot lichtvaardig gebruik, en dat ondermijnt uiteindelijk het vertrouwen in het geheel.

Voorzitter. De hamvraag is: welke route willen wij centraal stellen? Gaan we uit van snelle formalisering of kiezen we voor de-escalatie en zorgvuldige weging aan de voorkant? Het College van Voorzitter en Ondervoorzitters geeft in de toelichting aan dat gezocht is naar een optimale balans tussen de rechten en plichten van de melder/klager enerzijds en het beklaagde Kamerlid anderzijds. In het kader van de balans zijn er nog twee punten die mij opvallen. Uit de gedragscode volgt dat vooral de melder gefaciliteerd en ondersteund wordt, maar wie ondersteunt de beklaagde? Dat is mij nog niet geheel duidelijk. Ook valt mij de tekst van artikel 7, lid c en artikel 11, lid 3 op. Hierin ligt de focus alleen op de melder, die bepaalt of er een bevredigende oplossing is bereikt of oordeelt of de bemiddeling succesvol is geweest. Daarmee is er geen balans. Een oplossing of bemiddeling zou namelijk moeten leiden tot een bevredigende oplossing voor zowel de melder/klager als de beklaagde. Graag zou ik een reflectie van u krijgen op deze twee punten.

Voorzitter. Onze inzet is helder: zorg voor een stevige eerste lijn van conflictbeslechting, richt een onafhankelijke triage in, zet bemiddeling voorop en gebruik de formele klachtenprocedure echt alleen daar waar dat noodzakelijk is.

Tot slot. Uw college maakt op grond van artikel 2, lid 2 beleid dat gericht is op het voorkomen van ongewenste omgangsvormen door Kamerleden. Uit de toelichting kan worden opgemaakt dat vooral gedacht wordt aan bewustwording van de gedragscode en het behandelen van casuïstiek. Het is voor het creëren van een open cultuur, waarin iedereen zich vrij voelt om de ander te kunnen aanspreken op ongewenst gedrag, van belang dat je ook jaarlijks met elkaar evalueert: hoe staan we er met elkaar voor, en wat gaat goed en wat gaat minder goed? Het is belangrijk om zo af en toe de thermometer in de Kamer te steken en ook te werken aan weerbaarheid, in plaats van slachtofferschap te creëren.

Voorzitter, dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel, mevrouw Van Bijsterveld. Het woord is aan mevrouw Van Aelst-den Uijl; zij spreekt mede namens de Fractie-Visseren-Hamakers.


Bekijk de video van deze spreekbeurt

Mevrouw Van Aelst-den Uijl i (SP):

Dank, voorzitter. Het initiatief tot deze gedragscode werd genomen door de Kamer zelf, want in ons reglement stond een gedragscode, die tot nu toe afwezig was. Eigenlijk voldeden we nog niet aan onze eigen regels, dus het is positief dat we dat nu wel gaan doen. Met elkaar afspraken maken over wat kan en wat niet kan, en of daar ook consequenties aan verbonden zijn, is wat de fractie van de SP en de Fractie-Visseren-Hamakers betreft een goede stap, mits goed gewaarborgd en met nalevingsbereidheid van de leden en mits klagen niet als politiek wapen kan worden ingezet. Ik neem deze punten met u door.

Dat er statistisch gezien incidenten kunnen zijn, benoemde mevrouw Fiers zojuist ook al, dus dat de noodzaak voor een dergelijke afspraak over gedrag er is, is logisch. Allereerst ga ik in op handhaving en nalevingsbereidheid. Onze grootste zorg zit niet in wat wij opschrijven of afspreken, maar in de vraag óf we ook echt iets afspreken. Een gedragscode werkt namelijk bij de gratie van leden en fracties die zich aanspreekbaar opstellen, bij de gratie van gezag en onderlinge afspraken, bij het accepteren van aangesproken worden en bij de bereidheid om uiteindelijk je gedrag te verbeteren. De paar keer dat ik er hier in huis getuige van was dat een lid een ander lid aansprak, was ik niet per se onder de indruk van deze nalevingsbereidheid of van de bereidheid om je aangesproken te laten worden.

Diezelfde zorg hebben we ook over de mogelijkheid tot het opleggen van sancties. In de Tweede Kamer zagen we dat als partijen of personen zich volledig aan het systeem onttrekken of het gezag van een voorzitter niet erkennen, sanctionering weinig zeggingskracht heeft. Die zorg zouden wij hier ook hebben.

Voorzitter. In artikel 18 wordt gesproken over eventuele berispingen als klachten gegrond worden verklaard. Wij vroegen ons hierbij af of berispingen openbaar zijn en of ze cumulatief zijn. Wat als er over één persoon meerdere klachten komen en deze meerdere keren gegrond blijken? Leidt dat dan tot stapeling of wordt elke klacht opnieuw beoordeeld?

Voorzitter. Dan geheimhouding en bescherming van de beklaagde. Een zorg die wij oprecht wel hebben, is namelijk hoe wij waarborgen dat de gewenste vertrouwelijkheid er ook echt is, tot het moment dat er een sanctie wordt opgelegd. In alle eerlijkheid: wij weten allemaal dat een melding van ongewenst gedrag ook een politiek wapen kan zijn. Het is modder die niet af te wassen blijkt, ook als het achteraf een ongegronde klacht bleek te zijn. Welke waarborgen zijn er om degene over wie de melding ging, te beschermen? Op welke wijze worden stukken, klachtendossiers van een klachtencommissie, gearchiveerd? Komt er dan een moment waarop ze toch in de openbaarheid komen, zelfs al is dat over 10, 20, 50 of 100 jaar?

En hoe zit het met de geheimhouding door het College van fractievoorzitters, dat updates, weliswaar geanonimiseerd, van meldingen krijgt? We weten immers ook allemaal dat zodra de pers er lucht van krijgt dat er een melding is, de pers gaat vissen en gaat zoeken. Uiteindelijk krijgt het college een volledig verslag, inclusief de naam van de beklaagde, zo lees ik in artikel 21. Ook daarover heb ik de vraag op welke wijze de geheimhouding hiervan wordt gehandhaafd. Of komt dit na vele jaren alsnog in de openbaarheid? In antwoord op mijn eerdere vragen werd aangegeven dat de verwachting is dat een en ander buiten de Woo zal vallen, maar weten we dat zeker? Dat iets de verwachting is, is niet hetzelfde als dat we het zeker weten. Wij vragen ons af of we daar meer zekerheid over kunnen krijgen. Ook vragen wij ons af of we meer zekerheid kunnen krijgen over deze regels, de archivering hiervan en de relatie daarvan tot de Archiefwet. De Archiefwet is namelijk vrij onverbiddelijk, zo merk ik in elk geval op mijn werk.

Voorzitter. Dan het laatste punt van zorg bij ons, namelijk de reikwijdte van deze regeling. De klachtencommissie gaat niet over datgene wat in openbare vergaderingen heeft plaatsgevonden, maar wat nou als een Kamerlid hier in deze zaal of in een commissie buiten het boekje gaat? Bij wie kan een Kamerlid of medewerker tegen wie dat gericht is dan terecht?

Voorzitter, afrondend. Wij staan echt positief tegenover de nieuwe gedragsregels en we staan positief tegenover sanctionering, maar er zijn een paar punten waar we nog benieuwd naar zijn.

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel, mevrouw Van Aelst-den Uijl. Wenst een van de leden in de eerste termijn nog het woord? Dat is niet het geval. Dan zijn we hiermee aan het einde gekomen van de eerste termijn van de kant van de Kamer.

De beraadslaging wordt geschorst.

De voorzitter:

Op dinsdag 19 mei zal het College van Voorzitter en Ondervoorzitters antwoorden in eerste termijn en zal tevens de tweede termijn plaatsvinden.

Hiermee zijn we gekomen aan het einde van deze vergadering. Ik dank alle leden, het College van Voorzitter en Ondervoorzitters en de medewerkers die deze vergadering mogelijk hebben gemaakt. Ik dank de aanwezigen op de publieke tribune voor hun komst naar de Kamer. Ik sluit de vergadering.