Plenair Van Apeldoorn bij voortzetting behandeling Wet aanpassing Regeling dienstverlening aan huis



Verslag van de vergadering van 8 september 2026 (2025/2026 nr. 40)

Status: ongecorrigeerd

Aanvang: 19.35 uur

Een verslag met de status "ongecorrigeerd" is niet voor citaten en er kan geen recht aan ontleend worden.


Bekijk de video van deze spreekbeurt

De heer Van Apeldoorn i (SP):

Voorzitter, dank. Deze wet gaat wat de SP-fractie betreft over vier belangrijke zaken: recht, werknemersrechten, gendergelijkheid en de positie van pgb-houders in hun rol van werkgever. Pgb staat voor persoonsgebonden budget, zeg ik er nog maar even bij voor de kijkers thuis.

Over het eerste aspect kan ik kort zijn. De directe aanleiding voor dit wetsvoorstel was een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van alweer drieënhalf jaar geleden. Die uitspraak was helder. De wettelijke uitsluiting van pgb-zorgverleners van de WW-verzekering op grond van de Regeling dienstverlening aan huis levert ongerechtvaardigde indirecte discriminatie op. Dat is niet alleen onwenselijk, maar ook in strijd met het recht. Ik doel dan specifiek op het Europese recht. Los van wat je er verder van vindt, moet de wetgever de wetgeving hier uiteraard in overeenstemming brengen met de rechterlijke uitspraak. Hoewel in de uitvoering al enige tijd gevolg wordt gegeven aan deze uitspraak, heeft de wettelijke aanpassing wat ons betreft vee te lang op zich laten wachten.

Dan het tweede aspect, het aspect van de werknemersrechten. Ik had het daar in de interruptie zojuist ook al over. Het zal u niet verbazen dat de SP vindt dat alle werknemers in principe dezelfde rechten moeten hebben. Dat is een kwestie van beschaving en gelijkwaardigheid. Door de huidige Regeling dienstverlening aan huis heeft een hele groep werknemers in de zorg nog steeds een uitzonderingspositie, met minder arbeidsrechtelijke bescherming en socialezekerheidsrechten dan andere werknemers. Het is goed dat de regering de aanpassing breder heeft getrokken en dus niet alleen de wettelijke uitsluiting van de werknemersverzekeringen opheft, maar ook andere rechten versterkt, niet alleen omdat dezelfde vraag naar gelijke behandeling ook bij andere uitzonderingen speelt, maar ook omdat het gewoon een kwestie is van rechtvaardigheid.

Voorzitter. Dan het derde aspect, dat nauw samenhangt met werknemersrechten. Ik heb het dan over gendergelijkheid. Deze uitzonderingspositie betreft pgb-zorgverleners met een arbeidsovereenkomst voor minder dan vier dagen per week. Zij zijn voor het overgrote deel vrouw. Uit SVB-gegevens uit 2021 bleek dat van de bijna 32.000 betrokken pgb-zorgverleners ongeveer 86% vrouw was. De Centrale Raad van Beroep stelde daarom vast dat het gaat om verboden indirecte discriminatie van vrouwen.

De heer Schalk i (SGP):

Ik ga even terug naar het vorige puntje; het ging ineens zo snel met de gendergelijkheid. Ik heb het dan over het punt van werknemers die allemaal dezelfde rechten moeten hebben. Dat punt zou versterkt worden door deze wet. Door het invoeren van deze wet worden de rechten van de budgethouders echter aangetast. Weegt dat ook mee voor de SP-fractie?

De heer Van Apeldoorn (SP):

Dat zie ik eerlijk gezegd niet. Ik zou niet zeggen dat de rechten van de budgethouders worden aangetast, maar het is wel zo dat de lasten van de budgethouders in hun rol als werkgever omhooggaan, ook financieel. Ik heb het dan over ongeveer 20% van het brutoloon. Ik denk niet dat je het een recht kan noemen van de budgethouder om niet verantwoordelijk te zijn voor die lasten, maar ik denk wel dat je kan zeggen dat het een verzwaring is voor de positie van de budgethouder. De SP vindt zeker dat daar ook naar moet worden gekeken. Maar het gaat wat ons betreft om beide zaken, dus zowel om de positie van budgethouders in hun rol van werkgever als om de positie van pgb-zorgverleners in hun rol van werknemer.

De heer Schalk (SGP):

Even los van of je het een recht noemt of niet, de mogelijkheid om zorg in te kopen, zoals budgethouders die tot nu toe hebben gehad, zal zeker aangetast worden als je, zoals sommigen al betoogd hebben, 20% van je pgb kwijt bent aan nieuwe lasten. Je houdt dus gewoon veel minder over. Ik denk dat we dat eigenlijk ook zouden moeten meewegen. Is dat wel wenselijk? Misschien mag ik ook meteen mijn tweede vraag stellen; dat kan de heer Van Apeldoorn echt wel hebben. Hij ging heel snel over het eerste punt heen. Dat ging over de situatie van het wetsvoorstel zoals dat er nu ligt. Hij geeft nadrukkelijk aan: wat ons betreft had het veel eerder wet moeten zijn. Hoe beoordeelt hij nu het feit dat deze wet eigenlijk al driekwart jaar wordt uitgevoerd zonder dat er een wettelijke grondslag voor is?

De heer Van Apeldoorn (SP):

Om met het laatste te beginnen: dat vindt mijn fractie natuurlijk ook niet fraai. Los van of je nou voor of tegen deze wet bent en los van de verschillende aspecten daarvan: het zou niet zo moeten zijn dat een wet al uitgevoerd wordt zonder dat de behandeling in het parlement volledig heeft plaatsgevonden. Daar zijn we het dus over eens. Wat betreft de werkgeverslasten, waar ik zo in mijn betoog nog op terugkom, zijn we het er ook over eens dat daar een structurele oplossing voor gevonden moet worden.

Als ik met uw welnemen mijn betoog mag vervolgen, voorzitter, kom ik nog een keer terug, ook speciaal voor collega Schalk, op het punt van de gendergelijkheid. Voor de SP gaat het wetsvoorstel dus om meer dan een technische reparatie van de wetgeving. Als werk dat in een overgrote meerderheid door vrouwen wordt gedaan structureel minder sociale zekerheid of arbeidsrechtelijke bescherming kent, raakt dat rechtstreeks aan de economische positie en zelfstandigheid van vrouwen. Werk dat vooral door vrouwen wordt gedaan, verdient dezelfde bescherming als elk ander werk.

Voorzitter. Juist als het gaat om werknemersrecht en gendergelijkheid heeft mijn fractie nog een aantal zorgen. Die betreffen vooral de door de Tweede Kamer aangenomen amendementen waardoor bepaalde verschillen in arbeidsrechtelijke bescherming in stand blijven. Dat staat wat ons betreft op gespannen voet met de gendergelijkheid die met dit wetsvoorstel versterkt zou moeten worden. Als gevolg van het amendement-Bühler treden bepalingen over de preventieve ontslagtoets en de Wet flexibel werken pas in werking bij een met koninklijk besluit te bepalen tijdstip. De regering heeft aangegeven dat dit zal gebeuren als de jurisprudentie daartoe noopt en stelt dat het onzeker is of deze verbeteringen ooit in werking zullen treden. Die opschorting is uiteraard geen keuze van deze minister, maar de voorwaarde dat nieuwe jurisprudentie moet worden afgewacht staat bij mijn weten niet in de wetstekst zelf. Bovendien heeft de regering zelf gesteld dat de argumentatie van de Centrale Raad van Beroep ook op deze andere arbeidsrechtelijke uitzonderingen toegepast kan worden. Waarom is dan nieuwe jurisprudentie nodig? Legt de regering de verantwoordelijkheid niet opnieuw bij de individuele zorgverleners, die al dan niet naar de rechter stappen, en bij de rechter? Hoe gaat deze minister voorkomen dat deze groep pgb-zorgverleners, deze werknemers, voor onbepaalde tijd minder arbeidsrechtelijke bescherming houdt dan andere werknemers?

Voorzitter, ten slotte. Deze wet verbetert de positie van pgb-zorgverleners als werknemer, maar verzwaart ook de financiële en deels administratieve lasten van pgb-houders als werkgever, zeg ik ook tegen collega Schalk en andere collega's. Hier zit natuurlijk een potentieel dilemma. De werkgevers waar het hierover gaat — het is al eerder gezegd — zijn geen bedrijven, maar particulieren die zorg aan huis inkopen. De nieuwe wetgeving mag er ook wat de SP betreft niet toe leiden dat zij minder zorg kunnen inkopen dan zij nodig hebben doordat de werkgeverslasten met gemiddeld ongeveer 20% van het brutoloon stijgen. Daarom moet er een structurele oplossing komen die waarborgt dat hun budget toereikend blijft.

Volgens de regering worden ongeveer 10.000 van de 112.000 budgethouders met hogere werkgeverslasten geconfronteerd als gevolg van dit wetsvoorstel. Het gaat dus om een relatief kleine groep, maar juist voor hen is het pgb, en daarmee de mogelijkheid om zelf een zorgverlener te kiezen, van groot belang. Daarmee zit er een kwetsbaarheid in dit wetsvoorstel die de regering zal moeten adresseren. Dat doet zij ook, onder meer met tijdelijke compensatie, maar onze zorgen zijn nog niet weggenomen. De SP is namelijk tegen discriminatie en voor sterke werknemersrechten, maar ook voor goede en toegankelijke zorg. Deze doelen mogen niet tegen elkaar uitgespeeld worden.

De heer Schalk (SGP):

Wie zou er vóór discriminatie zijn? Daar zijn we allemaal tegen. Ik heb toch nog even een vraag naar aanleiding van een vraag die de heer Van Apeldoorn aan mij had gesteld. Nu gaat het weer eventjes over de zorgverleners die bij een organisatie horen. Er was even wat verwarring ontstaan, misschien wel door mijzelf, over mantelzorgers of familieleden die hun naaste willen helpen en die betaald worden uit het pgb. Ziet de heer Van Apeldoorn, net als de SGP-fractie, dat ook die mensen werknemer worden?

De heer Van Apeldoorn (SP):

Dat hangt ervan af volgens mij. We kunnen de minister nog een keer vragen om dat precies uit te leggen. Volgens mij worden hier verschillende categorieën door elkaar gehaald. De meeste mantelzorgers doen hun werk vrijwillig, onbetaald. Daarnaast kun je er ook voor betaald worden. Ik ben even de juiste term kwijt. Ik geloof dat het "in opdracht" heet.

De heer Schalk (SGP):

Via een zorgovereenkomst.

De heer Van Apeldoorn (SP):

Ja, precies. Dat valt nog steeds buiten het bereik van dit nieuwe wetsvoorstel, dus dat is niet van toepassing. Het gaat om pgb-zorgverleners die nu al in een arbeidsrechtelijke relatie zitten en waarbij de pgb-houder werkgever is. De financiële lasten en deels ook de administratieve lasten van die werkgever worden verzwaard, alhoewel veel van die lasten zullen worden overgenomen door de Sociale Verzekeringsbank of al overgenomen zijn. Het wetsvoorstel wordt immers al uitgevoerd. Het is mogelijk dat er pgb-zorgverleners zijn die mantelzorger zijn en die ook nu al werknemer zijn. De familie is dan de werkgever. Maar volgens mij gaat dat om een hele kleine groep. Misschien heeft de minister zicht op hoe groot die groep is. Ik denk dat de heer Schalk nu iets veralgemeniseert wat eigenlijk alleen maar een hele specifieke en hele kleine groep betreft. Als er in die kleine groep sprake is van een werkgever-werknemerrelatie, dan is dit nieuwe wetsvoorstel daar inderdaad op van toepassing. Maar er zijn ook andere manieren om dat te regelen, bijvoorbeeld op een meer informele manier. Daar had ook mevrouw Huizinga het over. Die mogelijkheid is er nog steeds en die blijft ook bestaan onder dit nieuwe wetsvoorstel.

De voorzitter:

Meneer Schalk, kort nog. Ik wil u vragen om iets te korter te antwoorden en om ook iets kortere vragen te stellen.

De heer Schalk (SGP):

Het kan haast niet korter, voorzitter, maar ik ga het toch proberen. Volgens mij hebben we echt een hele expliciete uitleg nodig van de minister, want ik lees het precies zoals mevrouw Huizinga het heeft gezegd. Zij vraagt: kunt u aangeven dat toch geregeld wordt dat mensen nog steeds informele zorg kunnen verlenen en kunnen worden betaald uit het pgb? De heer Van Apeldoorn heeft het over mensen die al werknemer zijn. Dat is juist de groep die tot nu toe al meer dan vier dagen in dienst is. Zoals ik het gelezen heb, ga ik ervan uit dat elk familielid dat zorg verleent aan een kind, een moeder of wie dan ook en daar geld voor krijgt vanuit het pgb, vanaf nu volgens deze wet officieel werknemer moet zijn. Ik hoor heel graag of de heer Van Apeldoorn het daarmee eens is. Daarna horen we heel graag van de minister wat de uiteindelijke conclusie is.

De voorzitter:

Daar gaat de heer Van Apeldoorn een kort antwoord op geven.

De heer Van Apeldoorn (SP):

Ja, ik zal het heel kort houden. Ik denk dat het verhelderend kan zijn voor de discussie als de minister dit nog een keer helder uitlegt en op een rijtje zet. Dan kunnen we al dan niet aan de interruptiemicrofoon vragen om nog meer verheldering. Ik wil nogmaals stellen — dat heb ik ook al eerder gezegd in een interruptiedebat — dat de zorgverleners die nu minder dan vier dagen werken en waar dit wetsvoorstel betrekking op heeft, al werknemer zijn. Zij krijgen nu meer rechten. Als ze nog geen werknemer zijn, dan zullen ze dat ook nu niet worden. Dat onderscheid moet gemaakt worden, maar dat hoor ik de heer Schalk en mevrouw Huizinga niet maken. Ik moet kort zijn, maar ik denk dat dat een belangrijk punt is. Ik zie de minister knikken, dus ik ben benieuwd naar zijn antwoord.

De heer Kemperman i (FVD):

Via u, voorzitter, aan de heer Van Apeldoorn: ik ga toch nog even door op het punt dat het wel meevalt met die kleine groep die de heer Schalk net noemde. We komen zorgmensen tekort. De zorg lijdt onder een enorm personeelsgebrek. Stel nou dat je hoogbejaard bent en zorg nodig hebt. Je hebt een neef of een nicht die in de buurt woont en die zegt: "Ik wil wel een halve dag minder gaan werken, maar ik heb ook mijn inkomen nodig. Ik heb ook mijn gezin. Als ik daar dus iets voor betaald krijg, wil ik opa of oma wel helpen." Dat is toch een fantastische pool, waar alles, ook dat van de ChristenUnie, zoals de medemenselijkheid en het naar elkaar omzien, in samenkomt? Dat ontsluit een grote pool zorgverleners, maar die krijgen dan dus in één keer te maken met een zakelijke verhouding tussen werkgever en werknemer. Hoe kijkt u naar de werkelijkheid van het naar elkaar omzien, zorg verlenen en de verzakelijking die met dit wetsvoorstel worden nagestreefd?

De heer Van Apeldoorn (SP):

Ik zou eigenlijk toch het antwoord van net willen herhalen, want de vraag van de heer Kemperman is eigenlijk dezelfde als die van de heer Schalk. Daarvoor geldt ook hetzelfde antwoord. We moeten een onderscheid maken tussen twee situaties. Als eerste is er de situatie waarin zorgverleners die vanuit het pgb betaald worden, al werknemer zijn. Hun rechten worden nu uitgebreid en daar staat tegenover dat er lasten bij komen als het gaat om de rol van pgb-budgethouders als werkgever. De SP zegt daarvan — daar ga ik zelf in mijn betoog verder op in — dat je dat ook goed, duurzaam en structureel moet compenseren of oplossen, zodat die werkgeverslasten er niet toe leiden dat de zorg minder toegankelijk en betaalbaar wordt. Daarnaast is er ook nog altijd sprake van situaties waarin soms ook betaald kan worden — dan gaat het dus niet om vrijwilligerswerk of vrijwillige mantelzorg — en die nog steeds buiten het bereik van dit nieuwe wetsvoorstel zullen blijven vallen. Daarvoor verandert dus niets.

De heer Kemperman (FVD):

Het is niet helemaal een antwoord op mijn vraag. Mijn opmerking, in de vorm van een vraag, zag namelijk vooral op het ontsluiten van die periferie rondom mensen die zorg nodig hebben, die een pgb hebben en die een bereidwillige neef, nicht of aardige buurvrouw bereid vinden om dat te doen, mits daar een kleine vergoeding tegenover staat. Die hele periferie, dat hele potentieel, zou je door die kille verzakelijking van werkgever- en werknemerschap van — zo zou ik het bijna zeggen — zijn potentieel kunnen ontdoen. Ik denk — ik hoop dat de minister daar cijfers bij heeft — dat we daarmee een heel belangrijk maatschappelijk vangnet, dat er nu is of kan zijn, afschrikken en niet meer kunnen benutten. Dat is mijn zorg en daar wil ik graag uw reactie op. Ik bestrijd dat het marginaal is.

De heer Van Apeldoorn (SP):

Ik hoop dat de minister hier nogmaals duidelijkheid over kan verschaffen, maar op basis van wat ik in de stukken heb gelezen — ik herhaal het nog maar een keer — kan ik zeggen dat het frame dat er sprake gaat zijn van verzakelijking niet klopt; dan gaat het er dus om dat waar eerst geen werkgever-werknemerrelatie was, die relatie er nu wel komt. Wel verandert de werkgever-werknemerrelatie, want de werknemer, die er al was, krijgt de rechten die zij — ik zeg maar even "zij", want in 80% van de gevallen is het een zij — eerst niet had en nu, als gevolg van dit wetsvoorstel, wel zal krijgen. Daar staat inderdaad tegenover dat de budgethouder in haar of zijn rol als werkgever te maken krijgt met zwaardere lasten, waarvan ook ik zeg dat dat een probleem is, maar dat mag niet ten koste gaan van die budgethouder en van degene die de zorg afneemt en moet inkopen. Er moet gegarandeerd blijven dat men voldoende zorg vanuit het pgb kan inkopen, dus als die werkgeverslasten omhooggaan, moet je daar een oplossing voor zien te vinden. Maar dat heb ik nu al een paar keer gezegd.

De voorzitter:

Ja, dit hebben we inderdaad een aantal keer herhaald. De heer Kemperman, tot slot.

De heer Kemperman (FVD):

We praten langs elkaar heen. Ik duid werkelijk op iets heel anders, namelijk op het maatschappelijk potentieel dat ontsloten zou kunnen worden en dat nu door verzakelijking mogelijk afgeschrikt wordt. Ik laat het woord nu graag aan de collega die klaarstaat om …

De voorzitter:

Ja, mevrouw Huizinga.

De heer Van Apeldoorn (SP):

… het stokje over te nemen.

Mevrouw Huizinga-Heringa i (ChristenUnie):

Ik wil eigenlijk even terugkomen op wat de heer Van Apeldoorn zegt over het werkgever- en werknemerschap. Dat is natuurlijk zo. Als ik zeg dat de pgb-houder werkgever wordt, dan zegt de heer Van Apeldoorn: ja, maar dat is hij al; hij is al werkgever, dus er is geen verandering. Maar ik neem toch aan dat duidelijk is wat ik bedoel, namelijk dat er een werkgever komt die niet dat verlichte regime heeft, maar die allerhande plichten heeft die bijna onmogelijk goed uit te voeren zijn voor iemand die daar niet al te veel verstand van heeft. Wat zou de heer Van Apeldoorn er nou van vinden als de minister met een prachtig plan zou komen en zou zeggen: ik zie een mogelijkheid om een zodanige regeling op te zetten dat zo'n pgb-houder en de zorgverlener niet al die arbeidsrechtelijke verplichtingen hebben, maar dat zij dat net iets lichter mogen doen, waarbij je wat meer recht kunt doen aan het karakter van het contact? Wat zou de heer Van Apeldoorn daarvan vinden?

De heer Van Apeldoorn (SP):

Daar zouden de heer Van Apeldoorn en de SP best een groot voorstander van kunnen zijn. Het hangt er wel van af hoe je dat regelt en hoe je dat invult. Maar de SP is er ook voor, waar collega Ramsodit al eerder voor heeft gepleit, dat er uiteindelijk een structurele oplossing komt, waarbij het misschien inderdaad niet meer nodig is om dit te regelen in de sfeer van een werkgever-werknemerrelatie, althans, dat de pgb-houder geen werkgever meer hoeft te zijn omdat je dat bijvoorbeeld regelt via bepaalde professionele organisaties. Een duurzame oplossing zou kunnen zijn dat mensen gewoon in dienst komen en dat die diensten worden ingekocht. We zijn dus ook benieuwd naar voorstellen daarvoor. Daar zitten voor- en nadelen aan, maar daarvan zeggen wij helemaal niet dat het de verkeerde richting is. Maar zolang dat er niet is, en dat is er nu nog niet, moet je gevolg geven aan de juridisch bindende uitspraak van de Centrale Raad van Beroep. Dan kun je discussiëren over hoever dat moet gaan. Daarover kunnen we van mening verschillen. Maar zolang dat niet zo is, moet je ervoor zorgen dat ook aan de werknemerskant die rechten goed geborgd worden en dat het niet leidt tot minder goede, betaalbare en toegankelijke zorg. Volgens mij kunnen we voor die twee dingen zorgen. Maar ik ben het dus niet met mevrouw Huizinga oneens dat dat een mogelijke denkrichting is.

Mevrouw Huizinga-Heringa (ChristenUnie):

Dan is het toch heel mooi dat de SP en de ChristenUnie elkaar behoorlijk vinden doordat we zegen: wij willen zoeken naar een manier waarop het pgb vormgegeven kan worden waarmee het informele karakter en de aard van het contract recht gedaan worden, en werkgever en werknemer tegelijkertijd wel goed behandeld worden. Dan vragen wij aan de minister om dit ei van Columbus voor ons neer te leggen.

De heer Van Apeldoorn (SP):

Dan vinden we elkaar toch nog. Dat is wel vaker zo bij de ChristenUnie en de SP. Dat is toch mooi, ondanks de verschillen die er ook zijn. Ik wil echter wel het volgende even kort gezegd hebben. Die werkgeverslasten worden verzwaard, maar daar is ook wel al naar gekeken. De financiële lasten gaan dus omhoog. Die worden gecompenseerd voor twee jaar. Dat is wat ons betreft onvoldoende; dat ga ik straks nog een keer zeggen, want dat staat nog in mijn betoog. Maar de administratieve lasten zijn in zoverre beperkt dat heel veel wordt overgenomen of gedaan door de Sociale Verzekeringsbank. We moeten dus niet doen alsof de pgb-houder nu ineens … Dan zegt ze: die heeft geen eigen hr-afdeling of andere afdelingen als personeelsadministratie en salarisadministratie. Dat hoeft ook niet, want dat wordt belegd bij de Sociale Verzekeringsbank. Die nuance wil ik dus wel graag aanbrengen in de beantwoording van mevrouw Huizinga.

De voorzitter:

Dank u wel. Ik zie mevrouw Ramsodit nog voor een nieuwe vraag.

Mevrouw Ramsodit i (GroenLinks-PvdA):

Allereerst onderschrijf ik de zorgplicht die u ziet als het gaat om de werknemersrechten en -plichten die nodig zijn in dezen. U was net op zoek naar een alternatief, samen met de ChristenUnie. Toen werd er een lichtere vorm van het werkgeverschap genoemd. Eigenlijk wil ik iets bij u toetsen. De lichtere vorm van werkgeverschap kan ook inhouden dat je niet zelf de verantwoordelijkheid van het werkgeverschap draagt, maar dat die wel blijft bestaan. Is dat een gedachte die u voor u ziet?

De heer Van Apeldoorn (SP):

Ja, dat zie ik zeker voor mij.

De voorzitter:

Meneer Van Apeldoorn, kort.

De heer Van Apeldoorn (SP):

Excuus, voorzitter, ik was te snel. Dat zie ik zeker voor mij. Ik bedoelde net ook richting collega Huizinga dat dat een denkrichting zou zijn. Volgens mij heeft u daar in uw eerste termijn ook aandacht voor gevraagd als mogelijkheid, of daarvoor gepleit. Als het gaat om een verlicht regime … Wij zijn er niet voor dat de werkgeversplichten weer lichter worden, want werkgeversplichten zijn er niet voor niets. Die staan ook tegenover rechten van werknemers; die willen wij juist versterken. Maar als je het werkgeverschap bij de pgb-houder weg kunt halen, dan zou dat een structurele oplossing kunnen bieden, omdat je dan kunt zorgen voor én goed werkgeverschap zonder dat je de pgb-houders daarmee belast én een goede positie voor de werknemers die pgb-zorgverlener zijn.

Mevrouw Ramsodit (GroenLinks-PvdA):

Tot slot wil ik nog benadrukken dat u in uw bijdrage — ik heb het net echter ook een aantal keer gehoord — stelt dat de SVB heel veel doet. Dat is nu zo, maar die zegt tegelijkertijd in de Stand van de Uitvoering: dit werkt niet meer voor ons; dit is niet houdbaar meer. Dat is dus de nuance die ik wil benadrukken zodra we de SVB als oplossing zien.

De voorzitter:

Ik neem aan dat ook de minister in zijn antwoord op deze kwestie in zal gaan, omdat we daar nog wel over door kunnen praten.

De heer Van Apeldoorn (SP):

De vraag is aan mij gesteld, dus ik zal heel kort zijn. Ik ben het ermee eens dat we die problemen onder ogen moeten zien. Ik wil alleen benadrukken: het is niet zo dat als deze wet wordt aangenomen, meteen al die lasten bij de pgb-houder komen te liggen. Daar is de Sociale Verzekeringsbank voor. We kunnen er inderdaad grote vraagtekens bij zetten of dat een duurzame oplossing is.

Met uw welnemen, voorzitter, vervolg ik mijn betoog. Ik kijk even. Ja, het mag. Ik had het over de compensatie. Die is tijdelijk. De regering heeft schriftelijk geantwoord dat zij na twee jaar, als dat nodig blijkt, met de pgb-keten zal bekijken welke aanvullende maatregelen nodig zijn. Dat is dus geen structurele oplossing en biedt budgethouders dus geen zekerheid; ik heb het net al een paar keer gezegd, maar ik herhaal het nu nog een keer. Maar gelukkig is in de Tweede Kamer de motie-Patijn/Dobbe aangenomen, die de regering vraagt om met een structurele oplossing te komen en de Tweede Kamer daarover bij de Miljoenennota 2027 te informeren. Wij wachten dus met spanning Prinsjesdag af. Misschien kan de minister alvast een tipje van de sluier oplichten, maar hij kan in ieder geval bevestigen dat deze motie volledig uitgevoerd zal worden en dat er dus een structurele oplossing komt, zodat pgb-houders niet in de kou komen te staan. Wat betreft het overige sluit ik aan bij de vragen van collega Ramsodit hierover en de toezegging die zij op dit punt gevraagd heeft.

Dan heb ik nog een laatste vraag. De minister schreef in juni dat een aantal gemeenten na overleg alsnog ging compenseren en dat andere gemeenten dat nog niet deden, terwijl zij hiervoor wel middelen van het Rijk hebben ontvangen. Bij hoeveel gemeenten speelt dat nu precies en hoeveel budgethouders worden hierdoor geraakt? Hoe waarborgt de regering dat het niet ten koste zal gaan van de hoeveelheid zorg die deze budgethouders kunnen inkopen?

Voorzitter. Ik kom tot een afronding. De SP ziet dit wetsvoorstel in de kern als juridisch noodzakelijk en maatschappelijk wenselijk. We betreuren daarom sommige van de in de Tweede Kamer aangenomen amendementen, die het voorstel hebben afgezwakt. Wat overblijft, is wat ons betreft in beginsel nog steeds een stap vooruit. Tegelijkertijd moeten we de continuïteit en toegankelijkheid van de zorg voor kwetsbare pgb-houders goed blijven waarborgen. Wij rekenen daarom op de volledige uitvoering van de motie-Patijn/Dobbe. Voor mijn fractie is dat een cruciaal punt, ook als het gaat om de steun voor dit wetsvoorstel. Wij kijken intussen uit naar de beantwoording van de minister.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan geef ik nu graag het woord aan de heer Kemperman van Forum voor Democratie.