E050113
Laatste revisie: 26-09-2006

E050113 - Mededeling: Voorstel voor een gezamenlijke verklaring van de Raad, het Europees Parlement en de Commissie Het ontwikkelingsbeleid van de Europese Unie " de Europese Consensus "

In dit voorstel wordt voor de eerste maal in het bestaan van de EG/EU een gemeenschappelijk raamwerk gepresenteerd waarbinnen de EU (de instellingen én de lidstaten) haar rol uiteenzet ten behoeve van het mondiale ontwikkelingsbeleid. Het betreft indirect nieuw Europees ontwikkelingsbeleid: de EU is de belangrijkste verstrekker van ontwikkelingshulp in de wereld (55%) en daarvan wordt bijna de helft (20%) op Europees niveau uitgegeven. Het raamwerk moet gelden voor de ontwikkelingshulp en samenwerking met alle ontwikkelingslanden. Kern van het nieuwe beleid is een betere coördinatie en gemeenschappelijke basisbeginselen. Belangrijkste doelstelling is de armoedebestrijding.


Stand van zaken

Behandelfase Eerste Kamer: gepubliceerd in Europees publicatieblad.


Behandeling Eerste Kamer

De commissie Europese samenwerkingsorganisaties heeft op 1 november 2005 besloten het onderhavige voorstel onder de aandacht te brengen van de commissie voor Ontwikkelingssamenwerking.

Tijdens de vergadering van 24 januari 2006 heeft de commissie voor Ontwikkelingssamenwerking besloten dat de commissie de regering nu reeds wil laten weten dat zij voornemens is aandacht te besteden aan de ontwikkeling van het nieuwe ontwikkelingsbeleid "de Europese consensus" en de gevolgen daarvan voor Nederland. De inbrengdatum voor schriftelijke vragen is vastgesteld op 21 februari 2006 . Antwoorden zouden de Kamer tijdig voor de begrotingsbehandeling moeten bereiken. Deze brief werd op 26 januari 2006 verzonden aan de minister van Ontwikkelingssamenwerking.

Tijdens de commissievergadering op 7 maart 2006 werd er inbreng geleverd door de CDA-fractie. Na bespreking van deze inbreng werd besloten dat de overige fracties zouden bezien of zij eventueel aanvullende vragen of opmerkingen in wilden brengen. Indien dit het geval was zou de geleverde inbreng van het CDA herzien worden met het oogmerk hier een commissiebrede inbreng van te maken. De commissie stelde ook vast dat dit onderwerp een aparte plenaire behandeling verdient en zal na ontvangst van het antwoord van de minister een datum voorstellen.

In de vergadering van 14 maart 2006 spraken de leden hun waardering uit voor de door de heer Van Gennip geformuleerde vragen. De voorzitter van de commissie en de heer Van Gennip worden gemachtigd om aan de hand van enkele gemaakte opmerkingen, de tekst aan te passen en als commissievragen aan de minister voor Ontwikkelingssamenwerking voor te leggen. Een debat over dit onderwerp zou eventueel het gebruikelijke mondelinge overleg in het najaar van 2006 over het Afrikabeleid kunnen vervangen. Op 17 maart 2006 is een brief verzonden naar de minister van Ontwikkelingssamenwerking.

De commissie heeft op 28 maart 2006 besloten dat aan de hand van de te ontvangen antwoorden eventueel verdere gewenste stappen zullen worden besproken.

De antwoorden plus bijlage van de minister voor Ontwikkelingssamenwerking werden op 1 mei 2006 ontvangen en werden meegenomen in de behandeling van de begroting voor het Ministerie van Buitenlandse Zaken, onderdeel Ontwikkelingssamenwerking, dat plaatsvond op 16 mei 2006.

De commissies voor Europese Samenwerkingsorganisaties en Ontwikkelingssamenwerking hebben op 20 september 2006 een werkbezoek gebracht aan Brussel. Onderdeel van dit werkbezoek was een presentatie van de directeur-generaal van EuropeAid over de Europese consensus. Hierbij werd ook een overzicht van de door de Europese Commissie te nemen maatregelen op dit gebied gepresenteerd.


Behandeling Tweede Kamer


Standpunt Nederlandse regering

In fiche twee geeft de Nederlandse regering aan dat zolang de Europese Commissie niet de bevoegdhedenverdeling, zoals neergelegd in de Europese Verdragen, overschrijdt de onderhavige mededeling en daarmee een gezamenlijke verklaring inzake het ontwikkelingsbeleid voldoen aan de beginselen van subsidiariteit en proportionaliteit. Het ontwikkelingsbeleid is een gedeelde bevoegdheid van de EU en de nationale lidstaten. De resultaten uit de onderhandelingen over onderhavige mededeling: een gemeenschappelijk beleidskader kan derhalve alleen tot stand komen indien de lidstaten vrijwillig tot overeenstemming komen met de Europese Commissie.

Inhoudelijk is de Nederlandse regering het op de meeste punten eens met de Europese Commissie. Enkele punten waarvoor aandacht wordt gevraagd zijn dat het Europese beleidskader gericht moet zijn op de toegevoegde waarde die de EU kan hebben op dit beleidsterrein; het een instrument moet zijn voor de besteding van de OS-middelen waarover de EC beschikt (voor Nederland is dit 8% van de ODA); het nastreven van grotere convergentie tussen de aanpak op Europees niveau en de aanpak op nationaal niveau wordt wordt, maar het beleidsraamwerk dat op EU-niveau tot stand zal komen moet gedragen worden door de lidstaten en de lidstaten moeten de mogelijkheid behouden verder te gaan op nationaal niveau; de Millenium Development Goals moeten leidend zijn; de focus op de minst ontwikkelde landen moeten meer naar voren komen.

De thematische punten die in onderhavig voorstel door de Europese Commissie worden aangegeven zijn te breed en te veelzeggend, de Nederlandse regering ziet toegevoegde waarde voor de EU op de terreinen van grootschalige infrastructuur, regionale integratie en samenwerking, handel en ontwikkeling en conflictpreventie; meer nadruk op en uitwerking van de voorstellen voor samenwerking met bilaterale partners en organisaties (conform Verklaring van Parijs) is gewenst; de coherentie met niet OS-beleidsterreinen moet ook uitgewerkt worden in een afzonderlijk Actieprogramma met daarin opgenomen de acties te nemen op het niveau van de lidstaten, de Raad en de Europese Commissie; De Nederlandse regering is wel positief over de relatie die wordt gelegd met o.a. veiligheid (uitwerking binnen EVDB gewenst), milieu en participatie van het maatschappelijk middenveld. Tenslotte wenst de regering dat de uitkomst van de World Summit 2005 meegenomen wordt in de nieuwe beleidsverklaring.

  • bnc-fiche
    Ministerie van Buitenlandse Zaken - 22.112, 395[2]
    13 oktober 2005

Samenvatting voorstel Europese Commissie

In 2000 werd voor het eerst een Beleidsverklaring over het ontwikkelingsbeleid van de Europese Gemeenschap opgesteld door de Commissie en de Raad. De verklaring voorzag in de behoefte aan een uitgewerkt beleidskader voor het ontwikkelingsbeleid van de Europese Gemeenschap, dat krachtens het EG Verdrag complementair dient te zijn aan het ontwikkelingsbeleid van de lidstaten. Armoedebestrijding werd als hoofddoelstelling geformuleerd van het EG-beleid; tevens werd bepaald dat bij de allocatie van middelen Least Developed Countries (LDC's) en Low Income Countries (LIC's) prioriteit dienen te krijgen. Op basis van het comparatieve voordeel van de EG-hulp werden zes prioritaire gebieden geïdentificeerd (handel en ontwikkeling; regionale integratie en samenwerking; macro-economisch beleid; transport; voedselzekerheid en rurale ontwikkeling; en institutionele capaciteitsopbouw). Daarnaast werd in de Beleidsverklaring ingegaan op verbetering van de effectiviteit van de hulp en hervorming van de wijze waarop de hulp door de Commissie werd beheerd (o.a. deconcentratie en decentralisatie).

De Raad heeft jl. november, tijdens het Nederlands voorzitterschap, besloten dat de Beleidsverklaring uit 2000 aan herziening en actualisering toe was. Zo zijn de Millennium Development Goals (MDG's) niet in de verklaring uit 2000 opgenomen, noch de WTO-Doha ontwikkelingsronde en de vooruitgang die de afgelopen jaren geboekt is op het gebied van harmonisatie en coördinatie. Ook actuele beleidsdiscussies over bijv. vrede en veiligheid worden niet in de verklaring gereflecteerd. Daarnaast zou op basis van een evaluatie van de zes bovenstaande prioritaire gebieden bekeken moeten worden of deze bijgesteld moeten worden. De bestaande Beleidsverklaring bevat echter ook veel positieve elementen, waaronder armoedebestrijding als centraal uitgangspunt en een grote nadruk op ownership van de ontvangende landen. De Raad gaf in november aan dat deze elementen gehandhaafd moeten blijven.

In januari distribueerde de Commissie een informeel Issues paper , dat als aanzet diende tot de discussie over de herziening van de Beleidsverklaring. De lidstaten werd gevraagd hierop schriftelijk commentaar te leveren. Een aantal lidstaten, waaronder Nederland, gaf hieraan gehoor. Daarnaast werd het Issues paper besproken in EU-DGISsen verband en tijdens de Informele Ministeriële OS-Bijeenkomst op 14 en 15 feb. jl. Bij die gelegenheden bleek ondermeer dat de Commissie er voorstander van was dat de Beleidsverklaring ook richting zou geven aan het beleid van de lidstaten (hetgeen tevens uit het Issues paper naar voren kwam). De meeste lidstaten benadrukten daarentegen de complementaire rol die de EG (en dus de Commissie) dient te vervullen en gaven aan geen vermenging van bevoegdheden te wensen. Tijdens de RAZEB van jl. mei kwam de herziening van de Beleidsverklaring opnieuw aan de orde. Nederland en gelijkgezinde lidstaten (Denemarken, Duitsland, Ierland, Finland, Oostenrijk, Verenigd Koninkrijk, Zweden) onderstreepten bij deze gelegenheid onder andere dat de verklaring richting dient te blijven geven aan het EG-ontwikkelingsbeleid op basis van toegevoegde waarde en comparatief voordeel van de EG; dat armoedebestrijding en de MDG's hoofddoelstellingen dienen te blijven; en dat de focus op LDC's/LIC's gehandhaafd moet blijven.

Na een consultatieproces van een half jaar presenteerde de Commissie op 20 juli jl. de onderhavige mededeling over de herziening van de Beleidsverklaring. De mededeling bestaat uit twee delen. Deel een, de eigenlijke mededeling, is getiteld A European Union Strategy for Development. Deel twee heeft de vorm gekregen van een Annex, getiteld Guidelines for implementation of development policy by the Community.

De mededeling is opgebouwd uit twee delen. In het eerste deel wordt de nieuwe ontwikkelingsstrategie (uitgangspunten; doelstellingen; zwaartepunten; praktische uitvoering) van de EU uiteengezet en in het tweede deel zijn richtsnoeren voor de uitvoering opgenomen.

Deel I: de Ontwikkelingsstrategie van de Europese Unie:

  • Een gemeenschappelijke visie op ontwikkeling:
    • De reikwijdte van het ontwikkelingsbeleid betreft alle ontwikkelingslanden die conform de OESO-lijst officiële hulp ontvangen;
    • De waarden van de EU en van de internationale gemeenschap zijn een verbindend element in het ontwikkelingsbeleid (de voorkeur gaat uit naar een multilaterale aanpak);
    • De strategie voor het terugdringen van de armoede moet aansluiten op de internationale verplichtingen op sociaal, milieu en economisch gebied en op het terrein van de mensenrechten (de Millenium Development Goals zijn een concrete invulling van de politieke verplichtingen van alle VN-leden);
    • Naast het hoofddoel van armoedebestrijding moet ook meer aandacht besteed worden aan aanvullende doelstellingen, in het bijzonder goed bestuur (gezag dat de rechten en vrijheden van burgers eerbiedigt; voorkoming van conflicten en voorkomen van failing states) en eerbiediging van de mensenrechten (bevorderen van nakoming van internationale verplichtingen; bevorderen van maatschappelijke samenhang en sociale zekerheid; eerbiedigen van grondrechten van migranten, vluchtelingen en andere ontheemden). Het integreren van een sociale component in het ontwikkelingsbeleid betekent een onderscheidend element in het Europees beleid ten opzichte van andere organisaties/landen;
    • In de strategie voor een rechtvaardiger globaliseringproces moet de relatie van het ontwikkelingsbeleid met veiligheid, migratie, handel, milieu en de sociale component erkent en ingevuld worden;
  • De gemeenschappelijke uitgangspunten:
    • Steun voor prestaties : de ontwikkelingslanden en de EU hebben een gezamenlijke verantwoordelijkheid voor de te leveren inspanningen en de te bereiken resultaten en moeten ook samen daarvoor de verantwoording afleggen;
    • Participatie van het maatschappelijk middenveld en andere niet-statelijke actoren moet bevorderd worden in het ontwikkelingsproces;
    • Intensiever politiek overleg: meer resultaat gerichte aanpak met behulp van voortgangsindicatoren;
    • Engagement voor de failing states : Dertig procent van de armsten der armen leven in staten die minder goed presteren, problematische partners zijn ofwel een zwak staatsgezag hebben. De EU zal zich hier meer mee gaan bezighouden. Daarvoor is een goede afstemming tussen het buitenlands beleid en het ontwikkelingsbeleid nodig alsmede meer synergie tussen de gebruikte instrumenten;
  • Concentratie op de Thematische Zwaartepunten, te weten:
    • Bevorderen van de rechten en capaciteiten van mensen en toegang tot de belangrijkste voorzieningen;
    • Goed bestuur ter bevordering van ontwikkeling en veiligheid;
    • Milieu en duurzaam beheer van natuurlijke hulpbronnen;
    • Economische groei en handel als voorwaarden voor duurzame ontwikkeling;
    • Voedselzekerheid plus ruimtelijke ordening;
    • Bestrijding van ongelijkheid en bevordering van maatschappelijke samenhang met inbegrip van menswaardig werk voor iedereen;
  • De gemeenschappelijke strategie in de praktijk:
    • Meer financiële middelen zijn nodig. De EU zegt toe in 2015 een niveau van 0,7% van het BNI voor het ontwikkelingsbeleid te hebben bereikt. Voor 2010 betekent dit 0,56%. De EU zal de opties voor nieuwe financieringsbronnen bestuderen.
    • Doeltreffender hulpverlening : door A) Gezamenlijke inspanningen voor meer coördinatie, harmonisatie en afstemming met en op de partnerlanden door het realiseren van concrete, meetbare maatregelen met een specifiek tijdpad in een werkprogramma. Dit werkprogramma dient te bevatten: betere verdeling van activiteiten over landen en regio's in het kader van meer complementariteit; uitwerken van een EU-roadmap voor elk afzonderlijk land; uitwerken van een model voor een gemeenschappelijke financieringsovereenkomst; garanderen van minimale aanwezigheid (EU of een lidstaat) in landen die geen hulp ontvangen of in een crisis verkeren; tussen de EU en de EU-lidstaten meer gemeenschappelijke activiteiten en medefinanciering; Doeltreffender hulpverlening door B) Verbeteren van de kwaliteit van de hulpverlening (o.a. nieuwe financieringsmechanismen; duurzame oplossing voor multilaterale schulden; afschaffen van gebonden hulp is cruciaal);
    • Coherentie in al het beleid dat relevant is voor ontwikkeling: hiervoor zijn op drie niveaus meer inspanningen nodig: 1) voor de lidstaten moeten meer procedures en instrumenten komen die een link leggen tussen de verschillende beleidsterreinen hiervoor kunnen best practices van landen als voorbeeld gesteld worden; 2) in de sectorale werkgroepen van de Raad moet vaker aandacht besteed worden aan de ontwikkelingsvraagstukken en 3) de Europese Commissie zal sterker rekening moeten houden met de ontwikkelingsproblematiek.

Deel II: Richtsnoeren voor de uitvoering van het ontwikkelingsbeleid van de EU

  • De specifieke rol van de Europese Commissie

    De Europese Commissie zal specifieke aandacht besteden - binnen haar brede takenpakket aan het verbeteren van het wederzijdse begrip en het verbeteren van de solidariteit tussen Noord en Zuid. Hiervoor wordt het nodig geacht meer bewustmakings- en vormingsactiviteiten te ontplooien.

  • Een gedifferentieerde aanpak naar gelang de omstandigheden en behoeften
    • Differentiatie bij de tenuitvoerlegging van de ontwikkelingssamenwerking: specifiek op maat van het partnerland of de regio zowel in de programma's als de instrumenten. Er moet onderscheid gemaakt worden tussen landen met een gemiddeld en een laag inkomen;
    • Transparante criteria voor de toewijzing van middelen: geografische of thematische criteria.
  • Prioriteiten die zijn voorgesteld in samenspraak met de partnerlanden:
    • Het concentratiebeginsel (beperkt aantal actiegebieden i.p.v. teveel sectoren) toepassen met behoud van flexibiliteit op basis van een transparante en diepgaande dialoog tussen alle betrokken actoren;
    • De bijdrage van de EU aan de tenuitvoerlegging van het gemeenschappelijk thematisch kader: de Europese Commissie zal haar capaciteiten versterken op de volgende gebieden: Goed bestuur en steun voor de economische en institutionele hervormingen; Handel en regionale integratie; Infrastructuur en transport; Water en energie; Sociale samenhang en werkgelegenheid; Menselijke en sociale ontwikkeling; Ontwikkeling van het platteland, ruimtelijke ordening, landbouw en voedselzekerheid; Milieu en duurzaam beheer van natuurlijke hulpbronnen; Voorkomen van conflicten en de kwetsbaarheid van staten;
  • Versterking van de mainstreaming- benadering

    Voor sommige beleidsterreinen is een algemene aanpak nodig i.p.v. specifieke programma's. Hierbij wordt gedacht aan het bevorderen van de seksegelijkheid, mensenrechten (in het bijzonder van kinderen en inheemse volken), milieu en capaciteitsversterking (informatie- en communicatietechnologieën)

  • Ondersteuning van mondiale initiatieven en fondsen

    De toegevoegde waarde van deze instrumenten moet per geval beoordeeld worden. De Europese Commissie is voornemens criteria op te stellen aan de hand waarvan besloten kan worden of deelgenomen wordt aan mondiale initiatieven en fondsen. Maatregelen die worden voorgesteld op het niveau van de ontwikkelingslanden zullen worden beoordeeld naar de mate waarin deze geïntegreerd kunnen worden in de Europese/reeds bestaande programma's.

  • Uiteenlopende bepalingen naar behoefte en prestatie

    In de tenuitvoerlegging van het Europese ontwikkelingsbeleid zullen de verschillende mogelijkheden die de EU bezit ingezet worden naargelang daarmee een toegevoegde waarde gerealiseerd wordt. Daarbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan begrotingssteun, projectmatige steun, schuldvermindering. Binnen dit kader is een belangrijke rol weggelegd voor de Europese Investeringsbank.

  •  pdf icoon commissievoorstel
    Europese Commissie - COM(2005)311
    13 juli 2005
  • [en]  pdf icoon werkdocument
    Europese Commissie - SEC(2005)929
    13 juli 2005

Behandeling Raad

Tijdens de Raad van 22 november 2005 is er overeenstemming bereikt over een beleidsverklaring  pdf icoon over de ontwikkelingssamenwerking van de EU als geheel.

In de databank EUR-Lex wordt de laatste stand van zaken in de Europese behandeling van het voorstel weergegeven.

  •  pdf icoon verklaring
    Raad Algemene Zaken en Externe Betrekkingen - 14820/05
    22 november 2005

Behandeling Europees Parlement

Het Europees Parlement heeft tijdens haar zitting op 17 november 2005 een resolutie aangenomen over de onderhavige mededeling.


Standpunten andere lidstaten (IPEX)

In de databank IPEX wordt de behandeling van het voorstel in de diverse (kandidaat) lidstaatparlementen weergegeven.


Reacties Derden

Het Europees Economisch en Sociaal Comité heeft op 29 september 2005 een advies gepubliceerd waarin zij onder andere benadrukt dat in de context van de globalisering, de promotie van het Europees Sociaal Model een kernpunt van het Europees Ontwikkelingsbeleid zou moeten vormen.