Naar hoofdinhoud Naar hoofdnavigatiemenu
E090175
Laatste revisie: 29-07-2010

E090175 - Verordening tot oprichting van het Agentschap voor het beheer van de buitengrenzen



In COM(2003)687PDF-document dient de Commissie een voorstel in voor een Verordening inzake de oprichting van een Europees agentschap voor het beheer van de operationele samenwerking aan de buitengrenzen. Momenteel worden gemeenschappelijke regels voor de controle en bewaking van de buitengrenzen van de Europese Unie door nationale bevoegde instanties uitgevoerd. Echter, teneinde 'een hoog, uniform niveau van controle en bewaking' te bewerkstelligen stelt de Commissie dat meer samenwerking tussen de nationale autoriteiten dient plaats te vinden.


Stand van zaken

Behandelfase Eerste Kamer: gepubliceerd in Europees publicatieblad.

Europees

Verordening (EG) nr. 2007/2004PDF-document is gepubliceerd in Pb EU L 114 van 4 mei 2005.


Kerngegevens

document Europese Commissie

COM(2003)687PDF-document, d.d. 11 november 2003

commissie Eerste Kamer

beleidsterreinen

verwante dossiers


Implementatie

Verordening (EG) nr. 2007/2004PDF-document is aangenomen op 26 oktober 2004. Op 1 mei 2005 zal het Agentschap operationeel zijn.

Tijdens de JBZ-Raad van 14 april 2005 is na een uitvoerige discussie besloten dat de zetel van het Agentschap voor het beheer en de operationele samenwerking aan de buitengrenzen aan Polen wordt toegekend.


Behandeling Eerste Kamer

Op 12 oktober 2004 werd ingestemd met de ontwerpverordening.

Op 6 juli 2004 werd ingestemd met de ontwerpverordening.

Op 27 april 2004 werd ingestemd met de ontwerpverordening.

Op 26 maart 2004 werd ingestemd met de ontwerpverordening. Wel wordt de minister de vraag voorgelegd of het geen aanbeveling verdient het advies van het Europees Parlement over te nemen om een bepaling aan de verordening toe te voegen waarin de EG-verordening 45/2001 inzake gegegevensbescherming van toepassing wordt verklaard op het agentschap.

Op 20 januari 2004 merkt de bijzondere commissie voor de JBZ-Raad op dat instemming wordt gevraagd voor ontwerpconclusies, die niet koninkrijk bindend zijn. De commissie heeft geen opmerkingen naar aanleiding van de conclusies, doch kan niet instemmen met de ontwerpverordening waarop de conclusies betrekking hebben en wenst de definitieve tekst van de ontwerpverordening af te wachten.

Op 25 november 2003 werd instemming onthouden.


Standpunt Nederlandse regering


Samenvatting voorstel Europese Commissie

In COM(2003)687PDF-document dient de Commissie een voorstel in voor een Verordening inzake de oprichting van een Europees agentschap voor het beheer van de operationele samenwerking aan de buitengrenzen. Momenteel worden gemeenschappelijke regels voor de controle en bewaking van de buitengrenzen van de Europese Unie door nationale bevoegde instanties uitgevoerd. Echter, teneinde 'een hoog, uniform niveau van controle en bewaking' te bewerkstelligen stelt de Commissie dat meer samenwerking tussen de nationale autoriteiten dient plaats te vinden. De nationale bevoegde autoriteiten dienen op een meer geharmoniseerde wijze de gemeenschappelijke regels toe te passen en derhalve doet de Commissie een voorstel om een Europees agentschap op te richten die de operationele samenwerking tussen de lidstaten beter kan coördineren.

Onderhavig voorstel voorziet in een onafhankelijke, gespecialiseerde communautaire operationele structuur teneinde de samenwerking te verbeteren. Het agentschap zal zich concreet bezig houden met:

  • de coördinatie van de operationele samenwerking tussen de verschillende lidstaten met betrekking tot de controle en bewaking van de buitengrenzen
  • het verlenen van bijstand aan de lidstaten bij het opleiden van hun nationale grenswachten door bijvoorbeeld Europese opleidingen aan te bieden
  • het uitvoeren van risicoanalyses
  • de follow-up van de ontwikkelingen op het gebied van onderzoek op dit terrein
  • het verlenen van bijstand aan de lidstaten in geval van extra operationele en technische uitdagingen
  • de coördinatie van de operationele samenwerking tussen de verschillende lidstaten met betrekking tot de verwijdering van onderdanen van derde landen die illegaal in de lidstaten verblijven

De Commissie voorziet in een rechtstreekse samenwerking van het agentschap met de lidstaten en stelt dat alle gezamenlijke operaties en proefprojecten door het agentschap zullen worden gecoördineerd. Het agentschap zal bovendien eigen gespecialiseerde bijkantoren oprichten teneinde de specifieke aspecten van controle en bewaking van land-, lucht- en zeegrenzen onder te brengen in één communautaire structuur. Deze bijkantoren zullen rapporteren aan het agentschap. Tevens is de samenwerking met andere diensten die betrokken zijn bij controles van de buitengrenzen van essentieel belang, met name de samenwerking tussen het agentschap en de douane.

De Commissie ziet als een van de belangrijkste voordelen van de oprichting van het agentschap dat op Europees niveau steun kan worden verleend aan lidstaten die te maken krijgen met eventuele kritieke situaties aan de buitengrenzen, zoals wanneer grote aantallen illegale immigranten dezelfde EU buitengrens proberen over te steken. De Commissie beoogt naast een verbeterde coördinatie tussen de lidstaten ook het beheer van de buitengrenzen meer zichtbaar te maken voor het publiek. Zij hoopt dat de oprichting van het agentschap zal leiden tot kostenbesparingen in het kader van deze operationele samenwerking.

Het agentschap zal rechtstreeks met de lidstaten samenwerken en zal alle gezamenlijke operaties en proefprojecten coördineren. Voorstellen voor zulke gezamenlijke operaties en proefprojecten kunnen bij het agentschap neergelegd worden ter evaluatie en goedkeuring. Bovendien kan het agentschap tevens zelf met initiatieven komen voor gezamenlijke operaties en proefprojecten.

  • PDF-document commissievoorstel
    Europese Commissie - COM(2003)687
    11 november 2003

Behandeling Raad

Op 1 mei 2005 zal het Agentschap operationeel zijn. Tijdens de JBZ-Raad van 14 april 2005 is na een uitvoerige discussie besloten dat de zetel van het Agentschap voor het beheer en de operationele samenwerking aan de buitengrenzen aan Polen wordt toegekend.

De ontwerpverordening is aangenomen tijdens de JBZ-Raad van 25/26 oktober 2004.

JBZ-Raad van 19 juli 2004 (agendapunt 2f)

Blijkens het verslag stond dit onderwerp uiteindelijk niet op de lijst met A-punten.

Tijdens de bijeenkomst van het Gemengd Comité, dat bijeenkwam en marge van de Raad van 30 maart 2004, is reeds consensus bereikt over tekst van deze ontwerp-verordening. Op dit moment wordt nog alleen onderhandeld over de territoriale toepassing met betrekking tot Gibraltar; het Verenigd Koninkrijk en Spanje hebben een geschil over het al dan niet laten participeren van Gibraltar. Alle andere lidstaten, inclusief Nederland, zijn mening dat op een zo kort mogelijke termijn een oplossing moet worden gevonden voor de kwestie rondom Gibraltar, aangezien dit dus het enige opstakel is tot aanname van de ontwerp-verordening.


JBZ-Raad 29 april 2004 (agendapunt GC2)

Blijkens het verslag van deze Raad is het onderwerp komen te vervallen.

Conform de uitkomsten van de bespreking in de JBZ-Raad van 30 maart 2004 is deze verordening inmiddels aangepast. Op dit moment wordt alleen nog onderhandeld over de territoriale toepassing m.b.t. Gibraltar. Over de vestigingsplaats van de zetel van het agentschap zal naar verwachting in de Europese Raad van juni a.s. worden beslist.

JBZ-Raad 30 maart 2004 (agendapunt GC2)

Volgens het verslag is in de Raad consensus bereikt over de tekst van de verordening. Nederland stelde voor om in de preambule een verwijzing op te nemen naar de richtlijn inzake gegevensbescherming (95/46 EG). Die zal worden toegevoegd.

De onderhandeling met Noorwegen en IJsland over de overeenkomst zullen binnen drie weken van start gaan.

De bereikte consensus is met inachtneming van de kwestie Gibraltar die naar verwachting in april zal worden opgelost. De keuze voor een vestigingplaats van het agentschap is doorgeschoven. Met eenparigheid van stemmen zal de Raad t.z.t. besluiten over de vestigingsplaats.

De bespreking in deze Raad zal volgens de geannoteerde agenda zijn gericht op het bereiken van een politiek akkoord op de ontwerpverordening. De onderhandelingen hierover zijn op dit moment nog niet afgerond.

Nederland is van mening dat met de oprichting van een Agentschap een duidelijke Europese meerwaarde wordt gecreëerd voor de operationele samenwerking op het terrein van de buitengrensbewaking. Deze toegevoegde waarde moet resulteren in de verhoging van de kwaliteit van de buitengrensbewaking en een efficiëntere inzet van middelen. In dit licht hecht Nederland er belang aan dat het beoogde Agentschap voortborduurt op de ervaringen van de bestaande Gemeenschappelijk eenheid van buitengrensdeskundigen. Daarbij moet de samenhang tussen het Agentschap en - de nadere ontwikkeling van de structuur van - de operationele samenwerking door de opzet van centra voor de land-, lucht- en zeegrenzen zorgvuldig in relatie met elkaar worden bezien, waarbij efficiency van groot belang is. Met betrekking tot de financiering van het agentschap is Nederland van mening dat hiervoor binnen de huidige financiële perspectieven ruimte moet worden gevonden. Voorzover de bedragen die in de ontwerpverordening worden genoemd een periode betreffen waarvoor de financiële perspectieven nog niet zijn vastgesteld, dan kunnen deze bedragen slechts als indicatief worden gezien. Ten aanzien van de institutionele inbedding is Nederland van mening dat participatie van Ierland en het Verenigd Koninkrijk op operationeel niveau van belang is voor de Europese meerwaarde op het terrein van de buitengrensbewaking.

JBZ-Raad 27/28 november 2003 (agendapunt GC1)

Volgens het verslag spitste de discussie in de Raad zich toe op conclusie 6 van document 15362/03Word-document, met betrekking tot de vraag van deelname van het Verenigd Koninkrijk en Ierland aan het Agentschap.

Beide lidstaten verklaarden dat hun deelname aan het Agentschap in aller belang is. Hiermee zou de huidige operationele samenwerking worden voortgezet. Tegenover de terbeschikkingstelling van personeel, apparatuur en informatie, moest inspraak staan over het gebruik daarvan in het belang van de Unie. Beide delegaties dienden daartoe een alternatief in voor het betreffende onderdeel van conclusie 6: "the position of Ireland and the United Kingdom will require to be determined in the context of the negotiation of the Regulation, and in accordance with the relevant provisions of the Treaties". Zij drongen aan op vindingrijkheid bij het zoeken naar een oplossing.

Het gedane voorstel verkreeg algemene instemming, zij het dat de Spaanse delegatie een eenzijdige verklaring liet noteren waarin gesteld werd dat in verband met het Spaans-Britse geschil over Gibraltar dat gebied van het werkterrein van het Agentschap werd uitgesloten. Andere lidstaten zagen in de interesse van het Verenigd Koninkrijk en Ierland een opzet naar mogelijke deelname aan het Schengen-acquis van beide lidstaten.

De Commissie verheugde zich ook over de door beide landen getoonde interesse en uitte waardering voor de inspanningen van Finland en Oostenrijk bij het oprichten van de centra voor 'risico-analyse' en 'opleiding' en verzekerde een voortgezette samenwerking.

De voorliggende conclusies werden, aldus gewijzigd, goedgekeurd, met notering van de Spaanse verklaring.

De Europese Commissie heeft een voorstel gepresenteerd voor een verordening voor de oprichting van een Europees Agentschap ter ondersteuning van de operationele samenwerking bij het beheer van de buitengrenzen. Dit voorstel is in lijn met de conclusies van de Europese Raad van Brussel van 16/17 oktober 2003 waarin de Raad heeft aangegeven dat zij voor het eind van het jaar een politiek akkoord op de hoofdelementen wil bereiken over het voorliggend voorstel. Hierbij zullen de ervaringen die zijn opgedaan met de Gemeenschappelijke eenheid voor buitengrensdeskundigen moeten dienen als uitgangspunt voor dit voorstel.

Nederland verwelkomt het voorstel van de Commissie voor de oprichting van een Europees Agentschap voor het beheer van de operationele samenwerking aan de buitengrenzen. Nederland meent dat Lidstaten primair zelf verantwoordelijk zijn voor de financiering van het beheer van hun grenzen. Nederland is van mening dat met de oprichting van een agentschap een duidelijke Europese meerwaarde moet worden gecreëerd voor de operationele samenwerking op het terrein van de buitengrensbewaking. Deze toegevoegde waarde moet resulteren in de verhoging van de kwaliteit van de buitengrensbewaking en een efficiëntere inzet van middelen. In dit licht hecht Nederland er belang aan dat het beoogde agentschap voortborduurt op de ervaringen van de bestaande Gemeenschappelijk eenheid van buitengrensdeskundigen. Daarbij moet de samenhang tussen het agentschap en (de nadere ontwikkeling van de structuur van) de operationele samenwerking door de opzet van centra voor de land-, lucht- en zeegrenzen zorgvuldig in relatie met elkaar worden bezien, waarbij efficiency van groot belang is. Ten slotte dient het Commissievoorstel te voorzien in een deugdelijke financiële onderbouwing. Gezien de korte termijn waarop dit voorstel is verschenen zal in de aanvullende geannoteerde agenda een meer inhoudelijke standpuntbepaling van de Nederlandse regering volgen.

In de aanvullende geannoteerde agenda meldt de minister dat het voorzitterschap ontwerpraadsconclusies heeft opgesteld. Met deze ontwerp-raadsconclusies wil het voorzitterschap tot een politiek akkoord komen op de hoofdelementen van het voorstel van de Commissie. Dit voorstel is in lijn met de conclusies van de Europese Raad van Brussel van 16/17 oktober 2003 waarin de Raad heeft aangegeven dat zij voor het eind van het jaar een politiek akkoord op de hoofdelementen van het voorstel wil bereiken. Een eerste bespreking van de ontwerp-raadsconclusies vindt in aanloop naar de Raad nog plaats in het Strategisch Comité (SCIFA) en het Comité van Permanente Vertegenwoordigers. Het Agentschap staat tevens geagendeerd voor de Europese Raad van 12/13 december 2003.

De ontwerp-conclusies zien op het Agentschap en haar hoofdtaken alsmede de institutionele inbedding van het Agentschap. Het Agentschap voor het beheer van de buitengrenzen moet de operationele samenwerking bij het beheer van de buitengrenzen ondersteunen. De ervaringen die zijn opgedaan met de Gemeenschappelijke eenheid voor buitengrensdeskundigen (Common Unit) vormen het uitgangspunt van dit voorstel. De hoofdtaken van het Agentschap zullen bestaan uit het:

-coördineren van de samenwerking tussen lidstaten op het gebied van controle en surveillance aan de grenzen;

-assisteren van de lidstaten in de training van de nationale grenswachten;

-uitvoeren van risico-analyses;

-inspelen op technologische ontwikkelingen op het gebied van grensbewaking;

-technisch en operationeel bijstaan van de lidstaten;

-coördineren van samenwerking tussen de lidstaten op het gebied van terugkeer.

Verder zal het Agentschap zijn eigen sub-centra opzetten, die verantwoordelijk zullen zijn voor de specifieke aspecten van de controle van land-, lucht- en zeegrenzen. De bestaande ad hoc-structuur van centra voor grensbeheer zal in deze Gemeenschapsstructuur worden opgenomen. Het Agentschap zal zich richten op operationele taken en taken van dagelijks beheer en coördinatie. Een meer formele analyse van de efficiency en effectiviteit (incl. de financiële middelen) is voorzien parallel aan het wetgevingsproces.

Ten aanzien van de institutionele inbedding van het Agentschap (voortbouwend op het Schengen-acquis) wordt in de ontwerp-conclusies voorgesteld om gezien de bijzondere positie van Ierland en het Verenigd Koninkrijk te zoeken naar mogelijkheden om de bestaande samenwerking met deze twee landen op operationeel niveau te continueren. Tevens wordt in tegenstelling tot het voorstel van de Commissie in de ontwerp-conclusies aangegeven dat elke lidstaat vertegenwoordigd moet worden in de management board van het Agentschap.

Nederland verwelkomt de ontwerp-conclusies van het voorzitterschap. Nederland is van mening dat met de oprichting van een Agentschap een duidelijke Europese meerwaarde kan worden gecreëerd voor de operationele samenwerking op het terrein van de buitengrensbewaking. Deze toegevoegde waarde moet resulteren in de verhoging van de kwaliteit van de buitengrensbewaking en een efficiëntere inzet van middelen. In dit licht hecht Nederland er belang aan dat het beoogde Agentschap voortborduurt op de ervaringen van de bestaande Gemeenschappelijk eenheid van buitengrensdeskundigen. Daarbij moet de samenhang tussen het Agentschap en (de nadere ontwikkeling van de structuur van) de operationele samenwerking door de opzet van centra voor de land-, lucht- en zeegrenzen zorgvuldig in relatie met elkaar worden bezien, waarbij efficiency van groot belang is. Een positieve beoordeling ten aanzien van efficiency en effectiviteit (incl. de financiële middelen) is voor Nederland een voorwaarde.

Ten aanzien van de institutionele inbedding is Nederland van mening dat elke lidstaat vertegenwoordigd moet zijn in het Agentschap en acht participatie van Ierland en het Verenigd Koninkrijk op operationeel niveau van belang voor de Europese meerwaarde op het terrein van de buitengrensbewaking.

De Nederlandse regering kan in beginsel op hoofdlijnen instemmen met voorliggende ontwerpconclusies.

In de databank EUR-Lex wordt de laatste stand van zaken in de Europese behandeling van het voorstel weergegeven.


Behandeling Europees Parlement

In de databank OEIL van het Europees Parlement wordt de laatste stand van zaken in de behandeling van het voorstel weergegeven.

  • PDF-document standpunt EP
    Europees Parlement - P5_TA(2004)0151
    9 maart 2004
  • PDF-document definitief verslag EP-commissie
    Europees Parlement - A5-0093/2004
    24 februari 2004

Reacties Derden


Alle bronnen

Sociale media menu


Volg via