Naar hoofdinhoud Naar hoofdnavigatiemenu
E090218
Laatste revisie: 08-08-2012

E090218 - Kaderbesluit inzake het Europees tenuitvoerleggingsbevel en de overbrenging van gevonniste personen tussen de lidstaten van de EU (initiatief van Oostenrijk, Finland en Zweden)



Lidstaatinitiatief JAI(2005)2PDF-document van Oostenrijk, Zweden en Finland voorziet in de introductie van een Europees Tenuitvoerleggingsbevel (ETB) ter ondersteuning van de overbrenging van gevonniste personen tussen de lidstaten van de Europese Unie. In 2004 heeft de Europese Commissie op dit terrein al een Groenboek aan de Raad voorgelegd. De conclusies hiervan lieten onder meer zien dat de instrumenten voor de erkenning en tenuitvoerlegging van vrijheidsstraffen voor verbetering vatbaar zijn.


Stand van zaken

Behandelfase Eerste Kamer: implementatietraject gestart.

Nationaal

Het besluit diende voor 5 december 2011 geïmplementeerd te zijn. Implementatie zal geschieden via de Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging strafvonnissen.

Europees

Besluit 2008/909/JBZPDF-document werd op 27 november 2008 ondertekend door de Raad en gepubliceerd in PB EU L327 d.d. 5 december 2008.


Kerngegevens

commissie Eerste Kamer

beleidsterreinen

verwant dossier


Implementatie

Besluit 2008/909/JBZPDF-document diende voor 5 december 2011 geïmplementeerd te zijn. Op 12 september 2011 werd de Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging strafvonnissen (implementatie van kaderbesluiten 2008/909/JBZ en 2008/947/JBZ) aan de Tweede Kamer aangeboden (zie kamerstukken in de serie 32.885). Op 10 juli 2012 is het voorstel door de Eerste Kamer als hamerstuk afgedaan. 


Behandeling Eerste Kamer

De brief van de minister van Justitie d.d. 10 oktober 2008 inzake onderhavig kaderbesluit werd op 21 oktober 2008 besproken door de JBZ-commissie en alhoewel zij de beantwoording niet volledig bevredigend vond, adviseerde de commissie de Kamer haar instemming te verlenen.

De minister van Justititie heeft de vragen d.d. 30 september 2008 per brief beantwoord op 10 oktober 2008.

De commissie heeft na bespreking van zijn brief d.d. 12 augustus 2008 de minister per brief op één punt meer duidelijkheid gevraagd. Vooralsnog wordt instemming onthouden.

De minister van Justitie heeft de brief d.d. 24 juni 2008 van de commissie bij brief van 12 augustus 2008 beantwoord.

Op 11 juni 2008 heeft de minister van Justitie de Eerste Kamer per brief (met bijlagePDF-document) verzocht instemming te verlenen aan onderhavig ontwerpbesluit. Op 17 juni 2008 heeft de fractie van GroenLinks aangegeven vragen op te stellen, welke uiteindelijk op 24 juni 2008 als commissievragen zijn verstuurd. Instemming wordt vooralsnog onthouden.

Op 6 februari 2007 heeft de Eerste Kamer instemming onthouden op formele gronden.

Op 28 november 2006 heeft de Eerste Kamer instemming onthouden op formele gronden.

Op 3 oktober 2006 merkt de Eerste Kamer op dat, in tegenstelling tot twee voorgaande JBZ-Raden, ditmaal geen instemming wordt gevraagd bij dit ontwerpkaderbesluit. Voor de volledigheid dient ook in dit stadium van de onderhandelingen instemming onthouden te worden bij de aangeboden ontwerptekst.

Op 30 mei 2006 heeft de Eerste Kamer instemming onthouden op formele gronden.

Op 25 april 2006 heeft de Eerste Kamer instemming onthouden.


Behandeling Tweede Kamer


Standpunt Nederlandse regering

De Nederlandse regering neemt in fiche twee een positieve grondhouding aan ten opzichte van het voorstel. Zij stelt onder meer, dat de overdracht van de tenuitvoerlegging van strafvonnissen enkel kan worden gerealiseerd door middel van samenwerking tussen de lidstaten. Een kaderbesluit is hiervoor ook het geëigende instrument.

De regering maakt zich wel enige zorgen over de mogelijke gevolgen die onderhavig voorstel kan hebben voor het Nederlandse penitentiaire systeem. De huidige statistieken doen vermoeden dat Nederland meer vonnissen zal moeten overnemen van andere lidstaten dan dat er kunnen worden overgedragen. Dit zou een aanzienlijke belasting betekenen voor de toch al beperkte detentiecapaciteit en daarmee ook voor grote financiële gevolgen zorgen. Een definitief oordeel over het voorstel wil de regering dan ook pas geven wanneer er volledige duidelijkheid is ten aanzien van de financiële gevolgen. In de onderhandelingen wordt tevens ingezet op het behoud van de mogelijkheid een straf om te zetten naar nationale maatstaven.


Samenvatting voorstel Europese Commissie

Lidstaatinitiatief JAI(2005)2PDF-document van Oostenrijk, Zweden en Finland voorziet in de introductie van een Europees Tenuitvoerleggingsbevel (ETB) ter ondersteuning van de overbrenging van gevonniste personen tussen de lidstaten van de Europese Unie. In 2004 heeft de Europese Commissie op dit terrein al een Groenboek aan de Raad voorgelegd. De conclusies hiervan lieten onder meer zien dat de instrumenten voor de erkenning en tenuitvoerlegging van vrijheidsstraffen voor verbetering vatbaar zijn.

Het belangrijkste instrument voor grensoverschrijdende tenuitvoerlegging van vrijheidsstraffen is momenteel het Verdrag van de Raad van Europa van 21 maart 1983, inzake de overbrenging van gevonniste personen. Dit verdrag bepaalt onder meer dat een veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van zijn straf enkel kan worden overgebracht naar het land waarvan hij onderdaan is en dan nog alleen wanneer hij hiermee instemt.

Onderhavig voorstel voor een kaderbesluit beoogt de Europese regelgeving voor de overdracht van de tenuitvoerlegging van vonnissen te harmoniseren. Dit gebeurt in het kader van het in 2001 aangenomen 'Programma van maatregelen om uitvoering te geven aan het beginsel van wederzijdse erkenning van strafrechtelijke beslissingenPDF-document' . Het voorstel beoogt onder meer, zo blijkt uit de preambule, om de resocialisatie van veroordeelden te bevorderen, door hen hun straf te laten uitzitten in het land waarvan zij onderdaan zijn, hun vaste verblijfplaats hebben of op een andere manier nauw mee verbonden zijn.

Blijkens het voorstel moet een lidstaat een tenuitvoerleggingsbevel uitgevaardigd door de beslissingsstaat in beginsel onverkort uitvoeren, ongeacht of reeds een begin is gemaakt met de tenuitvoerlegging of niet. Onderdanen, permanente verblijfhouders en derden die een nauwe band met de tenuitvoerleggingsstaat hebben moet de mogelijkheid worden geboden aldaar hun straf uit te zitten. Hiervoor is in beginsel, in tegenstelling tot wat is opgenomen in het verdrag van 21 maart 1983, dubbele strafbaarheid niet vereist, wanneer het begane strafbare feit voorkomt op de lijst van artikel 7. Deze lijst komt overeen met de voor dubbele strafbaarheid uitgezonderde feiten die is opgenomen in het Kaderbesluit inzake het Europees Aanhoudingsbevel. In het voorstel is een aantal weigeringsgronden opgenomen, waaronder strijdigheid met het beginsel ne bis in idem, het ontbreken van dubbele strafbaarheid voor feiten anders dan die genoemd in artikel 7, wanneer er nog minder dan 4 maanden van de ten uitvoer te leggen straf resteert of wanneer het feit in de tenuitvoerleggingsstaat reeds verjaard zou zijn.

De gevonniste persoon hoeft niet in te stemmen met de uitvaardiging van een ETB wanneer hij wordt overgebracht naar het land waarvan hij onderdaan is of waar hij zijn vaste verblijfplaats heeft. Zijn instemming is wel vereist wanneer hij 'slechts' nauwe banden heeft met de tenuitvoerleggingsstaat. Indien de veroordeelde zich nog in de beslissingsstaat bevindt, zal hij wel in de gelegenheid moeten worden gesteld zijn zienswijze op enige wijze kenbaar te maken.

De opgelegde straf wordt door de tenuitvoerleggingsstaat normaal gezien zonder omzettingsprocedure uitgevoerd. Hierop kan een uitzondering worden gemaakt wanneer de duur van de opgelegde straf onverenigbaar is met de fundamentele rechtsbeginselen van de tenuitvoerleggingsstaat of wanneer de aard van de opgelegde sanctie niet verenigbaar is met diens recht. In dat geval mag de straf worden omgezet naar een straf die zoveel mogelijk overeenkomt met de in de beslissingsstaat opgelegde sanctie of maatregel.

Wanneer een ETB wordt uitgevaardigd wordt de tenuitvoerleggingsstaat geacht binnen drie weken te besluiten of zij inderdaad bereid is het vonnis ten uitvoer te leggen, uitzonderlijke gevallen daargelaten. Niet later dan twee weken nadat de beslissing is gevallen wordt de gevonniste persoon, op kosten van de tenuitvoerleggingsstaat, daar naartoe overgebracht. De kosten voor het uitvoeren van de straf komen eveneens voor rekening van laatstgenoemde lidstaat. Deze lidstaat kan tevens beslissen over een eventuele vervroegde invrijheidsstelling, mits minimaal de helft van de straf daadwerkelijk ten uitvoer is gelegd. Zowel de beslissingsstaat als de tenuitvoerleggingsstaat kunnen besluiten over een gratie- of amnestieverzoek.

In de databank Prelex wordt de Europese behandeling van JAI(2005)2 weergegeven.


Behandeling Raad

JBZ-Raad van 15 februari 2007 (agendapunt B4)

De Raad bereikte politieke overeenstemming over het ontwerp-kaderbesluit inzake het Europees tenuitvoerleggingsbevel en de overbrenging van gevonniste personen tussen de lidstaten van de Unie. Als compromis werd aan Polen een uitzondering toegestaan die inhoudt dat Polen het vereiste van toestemming van de veroordeelde met zijn overbrenging mag blijven toepassen gedurende een periode van 5 jaar na de uiterste implementatiedatum van het kaderbesluit. Door Minister Hirsch Ballin werd gewezen op het bezwaar van een dergelijk precedent en hij pleitte ervoor tussentijds te bezien of de gehele overgangsperiode voor Polen noodzakelijk is.

Uit de geannoteerde agenda:

Het voorzitterschap probeert nu een oplossing te zoeken voor het probleem van Polen. De inhoud van het pakket waar overeenstemming over is bereikt, staat niet meer ter discussie.

JBZ-Raad van 4-5 december 2006 (agendapunt B6)

De Raad slaagde er blijkens het verslag nog niet in om een akkoord te bereiken over het voorliggende voorstel. Er bestond algehele overeenstemming - met uitzondering van één lidstaat, Polen - over het voorliggende compromispakket, waarin op voorstel van Nederland een termijn voor implementatie van het kaderbesluit in nationale wet- en regelgeving van drie jaar (in plaats van de gebruikelijke twee jaar) is opgenomen. Tijdens het komende Duitse voorzitterschap zal naar een oplossing worden gezocht voor het probleem van Polen. De inhoud van het pakket waar overeenstemming over is bereikt, staat niet meer ter discussie.

Uit de geannoteerde agenda blijkt dat het Finse voorzitterschap streeft naar het bereiken van een politiek akkoord. Het is echter niet duidelijk welke knelpunten tijdens de Raad aan bod zullen komen. De Nederlandse regering zal zich in elk geval constructief opstellen.

JBZ-Raad van 5-6 oktober 2006 (agendapunt B11)

In de Raad kon geen enkele voortgang op dit dossier worden geboekt. De standpunten van de lidstaten waren zeer verdeeld over de voorliggende punten, zoals de verplichting tot overname van onderdanen van derde landen en het opnemen van een weigeringgrond voor de situatie dat de reclassering, naar het inzicht van de ten uitvoer leggende staat, niet gediend is met overdracht van de gevonniste persoon. Het dossier werd terugverwezen voor behandeling in de betreffende Raadswerkgroep.

JBZ-Raad van 1-2 juni 2006 (agendapunt B4)

De Raad slaagde er blijkens het verslag niet in om overeenstemming te bereiken over de twee vragen die voorlagen met betrekking tot het ontwerp-kaderbesluit wederzijdse erkenning tenuitvoerlegging van strafvonnissen (Europees Tenuitvoerleggingsbevel). Deze vragen richtten zich met name op de gevallen waarbij de instemming van de tenuitvoerleggingsstaat en de gevallen waarbij instemming van de veroordeelde, niet nodig is.

De lidstaten beantwoorden deze vragen vanuit hun visie op het doel van het ontwerp-kaderbesluit en hoe dit doel het beste kan worden verwezenlijkt. Sommige lidstaten betoogden dat het doel van het kaderbesluit (namelijk de resocialisatie van de veroordeelde bevorderen) alleen kan worden bereikt als veroordeelden instemmen met de overdracht van de tenuitvoerlegging van hun straf. Met een veroordeelde die tegen zijn zin in zijn eigen land zit valt immers vanuit resocialisatieperspectief weinig aan te vangen. Andere lidstaten (waaronder Nederland) benadrukten juist dat de instemming van de tenuitvoerleggingsstaat gehandhaafd diende te blijven en voerden hiervoor praktische en principiële argumenten aan.

Het voorzitterschap concludeerde dat er nog geen overeenstemming kon worden bereikt over de voorliggende vragen en dat nadere precisering van de gebruikte termen noodzakelijk is. Het voorstel werd voor nadere bespreking terugverwezen naar de betreffende Raadswerkgroep.

Uit de aanvullende geannoteerde agenda blijkt dat de Nederlandse regering in een brief aan de Kamer dit ontwerpbesluit verder zal toelichten. Met betrekking tot de komende onderhandelingsronde wordt aangegeven dat de regering op een tweetal vragen -met betrekking tot de instemming van de lidstaat van tenuitvoerlegging en met betrekking tot de instemming van de betrokken persoon- van het voorzitterschap positief kan antwoorden.

JBZ-Raad van 27-28 april 2006 (agendapunt B12)

In de Raad kon geen overeenstemming worden bereikt over het voorliggende punt van het vereiste van dubbele strafbaarheid. De kwestie werd terugverwezen voor bespreking naar de betreffende Raadswerkgroep.

Uit de geannoteerde agenda:

Uit het laatst beschikbare onderhandelingsdocument blijkt dat het Oostenrijkse voorzitterschap wil proberen een politiek akkoord te sluiten over het Europees Tenuitvoerleggingsbevel. De Nederlandse regering is echter, blijkens de geannoteerde agenda, nogal sceptisch over dit streven. Op veel punten zouden de meningen nog uiteen lopen en dan met name wanneer het gaat om het vereiste van de dubbele strafbaarheid. Nederland is een voorstander van het behoud van dubbele strafbaarheid voor alle strafbare feiten waarvoor een ETB kan worden uitgevaardigd. Indien echter een meerderheid van de lidstaten deze eis wil beperken tot een lijst zoals genoemd in het oorspronkelijke artikel 7 kan de regering daarmee instemmen.

JBZ-Raad van 19 juli 2004 (agendapunt B9c)

Uit het verslag van deze Raad blijkt dat dit onderwerp uiteindelijk niet is besproken.

De Oostenrijkse delegatie wil graag dat de lidstaten tijdens deze Raad een uitspraak doen over het genoemde voorstel. De delegatie stuurt aan op met prioriteit behandelen en opnemen hiervan in het Meerjarenprogramma. Het alternatief zou zijn om te wachten op een voorstel van de Commissie. Een eerste reactie van de lidstaten is gevraagd, het liefst ondersteunend aan het Oostenrijkse idee om dit onderwerp mee te nemen in het genoemde Meerjarenprogramma. Oostenrijk overweegt anders zelf met een initiatief voor een Kaderbesluit te komen. Het is overigens nu nog niet duidelijk of de Oostenrijkse delegatie dit onderwerp apart wil bespreken op de Raad, of dit in wil brengen tijdens de discussie over het Meerjarenprogramma.


Behandeling Europees Parlement

Op 25 oktober 2007 heeft het Europees Parlement een resolutie (hernieuwde raadpleging) met betrekking tot het ontwerpkaderbesluit aangenomen.

Op 14 juni 2006 heeft het Europees Parlement een resolutie met betrekking tot het ontwerpkaderbesluit aangenomen.


Reacties Derden

Op 7 november 2005 heeft de Commissie Meijers een advies uitgebracht over het Europees Tenuitvoerleggingsbevel. Op 12 februari 2007 hebben zij aanvullende opmerkingenPDF-document gestuurd op hun advies van 2005.

  • [en]PDF-document
    House of Commons (European Scrutinity Committee) - HC 41-xix
    24 april 2007
  • PDF-document advies
    Permanente commissie van deskundigen in internationaal vreemdelingen-, vluchtenlingen- en strafrecht - CM07-02
    12 februari 2007
  • [en]PDF-document
    Permanente commissie van deskundigen in internationaal vreemdelingen-, vluchtenlingen- en strafrecht - CM-0504
    7 november 2005

Alle bronnen

Sociale media menu