Naar hoofdinhoud Naar hoofdnavigatiemenu
E090219
Laatste revisie: 17-08-2011

E090219 - Verslag inzake de implementatie van het kaderbesluit van de Raad van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten



De Europese Commissie heeft een verslag uitgebracht over de toepassing van het kaderbesluit inzake het Europees Arrestatiebevel (zie dossier E090213) en de problemen die daarbij worden geconstateerd.


Stand van zaken

Behandelfase Eerste Kamer: behandeling in Eerste Kamer afgerond.


Kerngegevens

document Europese Commissie

COM(2005)63PDF-document, d.d. 23 februari 2005

commissie Eerste Kamer

beleidsterreinen

verwant dossier


Behandeling Eerste Kamer

De reactie van de minister van Justitie d.d. 3 juni 2009 werd in een gezamenlijke bijeenkomst met de commissie voor Justitie op 16 juni 2009 voor kennisgeving aangenomen.

Op 31 maart 2009 heeft de Eerste Kamer besloten de brief van de minister van Justitie d.d. 16 februari 2009 (wederom) aan te houden. Deze zal in een later stadium in een gezamelijke vergadering met de commissie voor Justitie besproken worden.

Op 3 maart 2009 heeft de Eerste Kamer de bespreking van de brief van de minister van Justitie d.d. 16 februari 2009 aangehouden tot een volgende vergadering.


Behandeling Tweede Kamer


Samenvatting voorstel Europese Commissie

COM(2006)8PDF-document behelst een eerste evaluatie van de toepassing van het kaderbesluit inzake het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten. Het verslag is door de Europese Commissie gewijzigd, omdat na indienen van de oorspronkelijke evaluatiePDF-document nog door Italië wetgeving op dit terrein is aangenomen. In de loop van 2006 wordt een tweede evaluatieverslag verwacht.

Over het algemeen is de Europese Commissie tevreden over de werking van het kaderbesluit. Weliswaar heeft de omzetting in nationaal recht meer tijd in beslag genomen dan vooraf de bedoeling was, maar inmiddels hebben alle lidstaten het kaderbesluit omgezet. Het aanhoudingsbevel is daarmee in de hele EU van kracht geworden. De procedures omtrent een uitlevering zijn behoorlijk versneld: van voorheen gemiddeld negen maanden naar zo'n 43 dagen nu. De aan het aanhoudingsbevel gekoppelde termijnen worden over het algemeen ruimschoots gehaald. Uit de evaluatie blijkt bovendien dat weinig gebruik wordt gemaakt van de weigeringsgronden.

De Commissie constateert op een aantal vlakken problemen, die met name zijn ontstaan bij de omzetting van het kaderbesluit. Zo hebben enkele lidstaten, waaronder Nederland, de materiële werkingssfeer beperkt, bijvoorbeeld door de vereiste strafdrempels aan te passen. Ook zijn niet alle verplichte weigeringsgronden in alle lidstaten in de nationale wetgeving opgenomen. Nederland heeft bijvoorbeeld verzuimt met betrekking tot amnestie op te nemen (artikel 3 lid 1 van het kaderbesluit). Wel blijkt ons land, tezamen met een aantal andere lidstaten, aanvullende weigeringsgronden te hebben opgevoerd die in strijd zijn met het kaderbesluit.

De overlevering van eigen onderdanen is voor de meeste landen geen probleem. De meeste lidstaten hebben ervoor gekozen onderdanen en andere ingezetenen gelijk te behandelen. In een enkel geval zijn de in het kaderbesluit opgenomen uitzonderingsbepalingen overgenomen. Het probleem hier ligt bij de rechterlijke macht, die geregeld weigert een eigen onderdaan over te leveren en vervolgens nalaat de vervolging in eigen land voort te zetten.

De Commissie concludeert dat het algemene beeld positief is, maar dat tevens nog inspanningen moeten worden geleverd door bepaalde lidstaten om zich volledig naar het kaderbesluit te richten. Daarnaast houdt de Commissie zich het recht voor om met wijzigingsvoorstellen te komen.


Behandeling Raad

JBZ-Raad 4 en 5 juni 2009 (agendapunt B13)

Het eindrapport van de vierde ronde wederzijdse evaluaties betreffende het Europees Aanhoudingsbevel (EAB) werd door de Raad aanvaard, met de aantekening dat het evaluatieproces nog wordt voortgezet.

Staatssecretaris Albayrak plaatste in de Raad kanttekeningen bij de kwaliteit van het rapport. Zo gaf zij aan dat materiaal uit de individuele verslagen ongebruikt is gelaten. Aangezien het voorliggende evaluatierapport niet een definitieve rapportage betreft, kon Nederland toch ermee instemmen. Staatssecretaris Albayrak drong met andere lidstaten erop aan dat verder overleg moet worden gevoerd over de proportionaliteit van de uitvaardiging van een EAB. Verschillende lidstaten vroegen voorts aandacht voor de procedurele rechten van verdachten. De planning van een vervolgoverleg dient zodanig te zijn dat praktijkmensen, zoals officieren van Justitie, daarbij kunnen worden betrokken.

Staatssecretaris Albayrak benadrukte vervolgens, zoals in de aangevulde geannoteerde agenda voor deze bijeenkomst van de Raad en in het antwoord op de Kamervragen van het lid De Wit toegezegd, het belang van aanbeveling 14 van het rapport: de verplichting tot het intrekken van een SIS-signalering door de signalerende autoriteiten, indien een rechter uit een andere lidstaat hiertoe heeft bevolen. De bepaling uit de Uitvoeringsovereenkomst van Schengen (artikel 111 SUO) biedt rechtsbescherming aan de burgers. Het niet naleven daarvan ondermijnt de samenwerking tussen de justitiële autoriteiten van de lidstaten. Staatssecretaris Albayrak sprak tenslotte de hoop uit dat de EAB-evaluaties gebruikt kunnen worden in een nieuw aanvullend systeem van evaluatie en analyse, dat gericht is op de voor de Europese samenwerking relevante aspecten van de nationale juridische systemen. Dit betreft het mechanisme van de monitoring van de rechtsstaat dat door Minister Hirsch Ballin is geïnitieerd en waarover op 3 juni jl. in Maastricht een conferentie heeft plaatsgevonden.

De Minister van Justitie van Zweden gaf aan dat de discussie over het evaluatierapport van de toepassing van het EAB tijdens het komende Zweedse voorzitterschap zal worden voortgezet. Het dossier procedurele rechten van verdachten is tevens een prioriteit op de agenda van het Zweedse voorzitterschap.

Uit de aanvullend geannoteerde agenda blijkt dat de evaluatie van de toepassing van het Europees Aanhoudingsbevel (EAB) in alle lidstaten in het voorjaar van 2009 is afgerond. Er zijn inmiddels 27 evaluatieverslagen beschikbaar op de website van de Europese Unie. In aansluiting daarop is in opdracht van het voorzitterschap een zogeheten eindverslag opgesteld. Die term is enigszins misleidend, omdat uit het rapport zelf, laatste bladzijde, blijkt dat de praktische toepassing van het EAB ook in de toekomst zal worden gevolgd. Het eindverslag bevat ook geen getrouwe samenvatting van de verslagen over individuele lidstaten. De aanbevelingen die erin zijn vermeld, zijn uiteenlopend van aard en gewicht. Naar het oordeel van de regering zijn er twee aanbevelingen van bijzonder belang, te weten de aanbeveling over proportionaliteit en de aanbeveling over correctie van SIS-signaleringen. De eerstgenoemde aanbeveling strekt ertoe om in EU-kader een proportionaliteitscriterium voor de uitvaardiging van een EAB te ontwikkelen. Daarbij, zo blijkt uit het eindverslag, wordt de Nederlandse wens om ook alternatieven voor een EAB te ontwikkelen, te weten het vereenvoudigen van het horen van verdachten, betrokken.

De Staatssecretaris zal in de Raad aandringen op een prioritaire behandeling van deze aanbeveling. De aanbeveling over de correctie van SIS-signaleringen ten gevolge van rechterlijke uitspraken heeft Nederland krachtig ondersteund.

JBZ-Raad van 6/7 december 2007 (agendapunt B9)

Tijdens deze Raad leek het voorzitterschap voornemens om een tussenrapport over de lopende evaluatieronder inzake de toepassing van het kaderbesluit over het Europees aanhoudingsbevel te agenderen. Het ontwerp-rapport heeft echter reacties opgeroepen van de betrokken lidstaten en het agendapunt is uiteindelijk komen te vervallen.

JBZ-Raad van 2/3 juni 2005 (agendapunt B7)

Er werd kort van gedachten gewisseld over de implementatie van het kaderbesluit in de lidstaten naar aanleiding van een eerste evaluatierapport van de Commissie. De voorzitter concludeerde dat het volgende evaluatierapport vooral op de praktische toepassing van het Europees Aanhoudingsbevel dient te zijn gericht.

JBZ-Raad van 24 februari 2005 (agendapunt B5b)

De Raad heeft een oriënterend debat gehouden over de omzetting door de lidstaten van kaderbesluiten die zijn aangenomen op basis van Titel VI van het VEU (bepalingen inzake politiële en justitiële samenwerking in strafzaken) in het kader van het Haags Programma, zo staat in het verslag.

Het voorzitterschap heeft enkele voorstellen geopperd, gericht op de verbetering van de omzetting van de kaderbesluiten en voor een flexibel evaluatiemechanisme. Vroegtijdig overleg tussen de lidstaten en de Commissie en een procedure waarbij contactpunten in de lidstaten een rol spelen, zullen hiervan deel uitmaken.

Nederland heeft aandacht gevraagd voor het feit dat in een evaluatierapport niet alle afwijkingen in de implementatie van een kaderbesluit gelijkmatig beoordeeld moeten worden, maar dienen te worden gewogen. Nederland is tevens een voorstander van de instelling van de eerder genoemde contactpunten en vindt dat de evaluatie zorgvuldig voorbereid moet worden. Een evaluatie dient praktisch van aard te zijn en hoeft zich niet per se te richten op al dan niet juiste wetsteksten.

Het voorzitterschap heeft geconcludeerd dat de Raad kan instemmen met een evaluatie, gepaard gaande met een zogenoemde contradictoire procedure waarbij de contactpunten in de lidstaten een rol spelen om de dialoog tussen de Commissie en de lidstaten te vergemakkelijken. De evaluaties moeten zich vooral richten op de praktische uitwerking van besluiten. Daarnaast zal de Raad, op basis van met name de besprekingen in het Comité van Artikel 36, een beleidsdebat houden en zich uitspreken over bepaalde evaluatieverslagen van de Commissie.

De geannoteerde agenda licht toe dat het voorzitterschap voornemens is om van gedachten te wisselen over de rol van de Raad bij evaluaties. De regering stelt zich op het standpunt dat evaluaties in de eerste plaats strekken tot de verbetering van de implementatie en dus ook tot het opsporen van problemen daarbij. De Raad behoort daarbij een rol te spelen, bijvoorbeeld bij het zoeken naar of beoordelen van oplossingen voor gerezen problemen.

In de databank EUR-Lex wordt de laatste stand van zaken in de Europese behandeling van het voorstel weergegeven.


Behandeling Europees Parlement

Op 8 oktober 2009 heeft het Europees Parlement een resolutie aangenomen waarin het zijn goedkeuring hecht aan het initiatief van de Tsjechische Republiek, de Republiek Polen, de Republiek Slovenië, de Slowaakse Republiek en het Koninkrijk Zweden met betrekkking tot de aanneming van het kaderbesluit over het voorkomen en beslechten van geschillen over de uitoefening van rechtsmacht bij strafprocedures.

Tijdens de plenaire EP-vergadering van 15 maart 2006 is de aanbeveling betreffende de evaluatie van het Europees aanhoudingsbevel aangenomen.

Op 27 februari 2006 neemt de commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken een verslag met een ontwerpaanbeveling aan. Zij is van mening dat de lidstaten met het Europese aanhoudingsbevel vooruitgang boeken ten opzichte van het klassieke uitleveringsbevel. Maar de parlementsleden menen dat er nog problemen zijn met de omzetting en praktische uitvoering van het betrokken kaderbesluit.

De commissie beveelt de Raad aan om erop toe te zien dat geen enkele overheid zich kan mengen in de procedure van het Europese aanhoudingsbevel. Om hetzelfde beschermingsniveau voor alle EU-burgers te garanderen, vragen de parlementsleden aan de Raad om zo snel mogelijk het voorstel voor een kaderbesluit over bepaalde procedurele rechten in strafprocedures binnen de EU goed te keuren.

De parlementaire commissie stelt bovendien voor om het Europese aanhoudingsbevel zo spoedig mogelijk in de communautaire pijler van de EU te integreren, zodat de maatregelen op het gebied van de Europese ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid voor honderd procent een democratisch karakter krijgen en de doeltreffendheid ervan wordt vergroot. Het Europees Parlement zou dan medebeslissingsmacht krijgen.

In de databank OEIL van het Europees Parlement wordt de laatste stand van zaken in de behandeling van het voorstel weergegeven.


Standpunten andere lidstaten (IPEX)

In de databank IPEX wordt de behandeling van het voorstel in de diverse (kandidaat) lidstaatparlementen weergegeven.


Reacties Derden


Alle bronnen

Sociale media menu


Volg via