E090226
Laatste revisie: 27-08-2015

E090226 - Richtlijn inzake bewaring van gegevens die zijn verwerkt in verband met het aanbieden van openbare elektronische-communicatiediensten en tot wijziging van Richtlijn 2002/58/EG



In COM(2005)438PDF-document presenteert de Europese Commissie een voorstel voor een Richtlijn inzake de bewaring van verkeersgegevens (dataretentie) en tot wijziging van Richtlijn 2002/58/EC. De Commissie stelt dat het bewaren van verkeersgegevens essentieel is in het kader van wetshandhaving in het algemeen en terrorismebestrijding in het bijzonder. Daar sommige lidstaten zelf zijn begonnen met het aannemen van verschillende nationale maatregelen betreffende dataretentie, acht de Commissie het van belang dat deze maatregelen snel geharmoniseerd worden op Communautair niveau.


Stand van zaken

Behandelfase Eerste Kamer: implementatietraject gestart.

Nationaal

De commissies I&A/JBZ en V&J besloten op 10 februari 2015 de minister van Veiligheid en Justitie uit te nodigen voor een mondeling overleg over de ongeldigheid van onderhavige richtlijn. Het mondeling overleg vond plaats op 17 maart 2015.

Europees

Op 8 april 2014 oordeeldePDF-document het Europees Hof van Justitie dat de richtlijn in strijd is met het Europees recht en verklaarde de richtlijn per direct ongeldig. Tijdens de JBZ-Raad van 4-5 december 2014 verzochten enkele lidstaten de Europese Commissie om op korte termijn met een voorstel voor dataretentie te komen.


Kerngegevens

document Europese Commissie

COM(2005)438PDF-document, d.d. 21 september 2005

rechtsgrondslag

Verdrag betreffende de EU artikel 95

commissie Eerste Kamer

beleidsterreinen

verwante dossiers


Implementatie

Richtlijn 2006/24/EGPDF-document diende voor 15 september 2007 geïmplementeerd te zijn. De implementatiedatum is inmiddels verstreken en er loopt inmiddels een ingebrekestellingsprocedure tegen Nederland.

Op 14 september 2007 is er een voorstel tot wijziging van de Telecommunicatiewet en de Wet op de economische delicten ingediend (Wet bewaarplicht telecommunicatiegegevens, zie kamerstukken in de serie 31.145) dat op 22 mei 2008 is aangenomen door de Tweede Kamer. Het voorstel werd op 7 juli 2009 aangenomen door de Eerste Kamer (zie ook de achtergrondnotitie).

Het College Bescherming Persoonsgegevens heeft op verzoek van de minister van Economische Zaken een reactiePDF-document gestuurd op een conceptwetsvoorstel.


Behandeling Eerste Kamer

Op 10 februari 2015 bespraken de commissies I&A/JBZ en V&J de reactie van de minister van V&J van 6 februari 2015. De commissies besloten naar aanleiding van deze reactie de minister van Veiligheid en Justitie uit te nodigen voor een mondeling overleg over de ongeldigheid van onderhavige richtlijn. Het mondeling overleg vond plaats op 17 maart 2015.

De minister van Veiligheid en Justitie reageerde op 6 februari 2015 op de vragen van de commissies I&A/JBZ en V&J van 10 december 2014.

De commissies I&A/JBZ en V&J bespraken op 9 december 2014 de conceptbrief aan de regering. De brief werd op 10 december 2014 verstuurd.

Op 25 november 2014 besloten de commissies I&A/JBZ en V&J naar aanleiding van de reactie van de regering van 17 november 2014 nadere vragen te stellen aan de regering. Een conceptbrief zal op 9 december 2014 worden besproken.

De commissies voor I&A/JBZ en V&J ontvingen op 17 november 2014 de reactie van het kabinet naar aanleiding van de ongeldigverklaring van de richtlijn. De commissies I&A/JBZ en V&J zullen de reactie op 25 november 2014 bespreken.

Op 8 juli 2014 heeft de commissie I&A/JBZ de reactie van de minister van V&J besproken en besloten het advies van de Raad van State, waarnaar de regering verwijst, en de kabinetsreactie voorlopig af te wachten tot na het zomerreces.   

De minister van Veiligheid en Justitie reageerde op 24 juni 2014 op de brief van de commissie voor Immigratie & Asiel / JBZ Raad (I&A/JBZ) met nadere vragen aan de regering over de uitspraak van het Hof van Justitie van 8 april 2014 waarin onderhavige richtlijn ongeldig wordt verklaard. De commissie I&A/JBZ heeft de bespreking van de reactie op 1 juli 2014 een week aangehouden.

De commissie voor Immigratie & Asiel / JBZ Raad (I&A/JBZ) besloot op 6 mei 2014 naar aanleiding van de kabinetsappreciatie van 17 april 2014 over de mededelingen inzake het post-Stockholprogramma in nader schriftelijk overleg te treden met de regering over de Hofuitspraak. In de kabinetsappreciatie staat namelijk een zin die doet vermoeden dat er al wel een kabinetsstandpunt is ten aanzien van de Hofuitspraak, in tegenstelling tot wat de minister aangaf in zijn brief van 2 mei. De brief aan de minister van Veiligheid en Justitie werd op 15 mei 2014 verstuurd.

De minister van Veiligheid en Justitie reageerde op 2 mei 2014 op de brief van de commissie I&A/JBZ van 23 april 2014. In de brief geeft de staatssecretaris onder meer aan niet binnen een week op de gevolgen van de Hofuitspraak te kunnen reageren. De minister geeft aan doordrongen te zijn van het belang van deze zaak en zal zich voor inspannen om de Kamer hierover zo spoedig mogelijk nader te informeren.

Naar aanleiding van de uitspraak van het Hof van Justitie van de EU over de vernietiging van onderhavige richtlijn, besloot de commissie op 15 april 2014 een brief te sturen aan de staatssecretaris van V&J wat de gevolgen zijn van de uitspraak voor de wet bewaarplicht telecommunicatiegevens (31145). De brief werd op 23 april 2014 verstuurd.

Op 14 februari 2006 heeft de bijzondere commissie voor de JBZ-Raad gesproken over het door de Raad en het Europees Parlement bereikte akkoord over deze ontwerprichtlijn. De commissie zal in dit stadium geen verdere actie ondernemen, maar wacht de nationale implementatie af.

Op 29 november 2005 heeft de bijzondere commissie voor de JBZ-Raad de (aanvullende) geannoteerde agenda voor de JBZ-Raad van 1 en 2 december besproken. Naar aanleiding van de discussie heeft de commissie de minister van Justitie een brief gestuurd met vragen en opmerkingen over een viertal onderwerpen op de agenda, waaronder dataretentie. Met name wordt ingegaan op het aspect van de bewaartermijn. De minister heeft op 30 januari 2006 per brief geantwoord. Deze is (op 21 februari) voor kennisgeving aangenomen. De commissie wacht concrete voorstellen, al dan niet op Europees niveau, af omtrent de toegang tot de bewaarde gegevens.

Op 28 november 2005 heeft de minister van Justitie per brief gereageerd op de punten die de bijzondere commissie voor de JBZ-Raad hem hadden voorgelegd.

Op 1 november 2005 is er een inbrengvergadering over bewaring gegevens geweest. De inbreng voor het nadere schriftelijke overleg met betrekking tot het ontwerpkaderbesluit (dossier E090223) en de ontwerprichtlijn wordt geleverd door het lid Franken (CDA). Vastgesteld wordt dat deze vragen namens de gehele commissie zullen worden gesteld. De commissie zal de brief in afschrift sturen aan het Europees Parlement en de Tweede Kamer.

Op 11 oktober 2005 is dit voorstel, dat overigens niet ter instemming voorlag, besproken door de bijzondere commissie voor de JBZ-Raad. De commissie zal, naar aanleiding van de antwoorden op vragen van het lid Franken (zie brief van minister van Justitie d.d. 5 oktober 2005 in dossier E090223), nadere schriftelijke vragen stellen met betrekking tot het ontwerpkaderbesluit en de ontwerprichtlijn. Gelet op de inbreng met betrekking tot het ontwerpkaderbesluit van enkele fracties in de brief d.d. 22 februari 2005 is het consistent de voorkeur voor behandeling van het commissievoorstel te steunen. De commissie overweegt evenwel haar correspondentie met de regering van de afgelopen maanden onder de aandacht van het Europees Parlement te brengen.


Behandeling Tweede Kamer

Op 16 februari 2006 hield de Tweede Kamer ter voorbereiding op de JBZ-Raad een Algemeen Overleg. Tijdens dit overleg is onder meer gesproken over de richtlijn dataretentie. Verschillende fracties bleken moeite te hebben met de door de minister Donner gegeven uitleg. In de plenaire vergadering werd daarom aansluitend op het algemeen overleg de motie Dittrich c.s. (23490, 407) ingediend waarin de regering wordt opgeroepen niet met de richtlijn in te stemmen omdat deze onvoldoende tegemoet komt aan de wensen van het Nederlandse parlement. Minister Donner was verbaasd over de inhoud van de motie, aangezien de Kamer zelf had aangedrongen op besluitvorming bij richtlijn. Volgens de minister kon er bij de implementatie van de richtlijn nog voldoende aan de wensen van de Kamer tegemoet worden gekomen, onder meer door beperking van de bewaartermijn in Nederland tot maximaal één jaar.

De fracties van Christenunie, SGP en CDA stemden uiteindelijk tegen de motie, waardoor deze is aangenomen.

Op 11 oktober 2005 heeft een Algemeen Overleg plaatsgevonden met de minister van Justitie. De minister gaf aan dat in de Raad wordt gestreefd naar het bereiken van overeenstemming over de richtlijn in plaats van het kaderbesluit. Naar verwachting zal de bekostiging van de bewaarplicht één van de belangrijkste discussiepunten zijn.

Op 5 oktober 2005 heeft de Commissie Justitie een Algemeen Overleg gevoerd met de minister van Justitie over het kaderbesluit bewaring van gegevens. De minister deelde de Kamer mee dat op dit moment zowel een ontwerpkaderbesluit als een ontwerprichtlijn op tafel lagen. In principe zal eerst het voorstel over de richtlijn worden besproken. Wanneer hierover in december 2005 geen overeenstemming kan worden bereikt, zal verder worden onderhandeld over het kaderbesluit. De Tweede Kamer gaf aan een duidelijke voorkeur te hebben voor besluitvorming door middel van een richtlijn. Voorts gaf de minister toe dat er altijd discussie zal blijven bestaan over de noodzaak van gegevensbewaring. Hij meende echter, dat uit de voorhanden zijnde onderzoeken voldoende wenselijkheid naar voren kwam. Ten aanzien van de kosten bestond nog veel onduidelijkheid. De minister ging uit van beheersbare kosten. Hij kon niet precies aangeven welk deel van de kosten eventueel voor rekening van de lidstaten zou komen.


Standpunt Nederlandse regering

De Nederlandse regering geeft in fiche drie aan in beginsel positief te staan ten opzichte van het opstellen van een regeling inzake de bewaring van verkeersgegevens. Daarbij stelt zij de voorkeur te geven aan onderhavige richtlijn, die valt onder de eerste pijler van het EG-verdrag, in tegenstelling tot het initiatief van een aantal lidstaten voor een kaderbesluit onder de derde pijler.

Voor zowel de subsidiariteit als de proportionaliteit ziet de regering geen problemen. Volgens haar argumentatie kan alleen door middel van een Europese regeling worden bewerkstelligd dat dezelfde gegevens binnen de hele Unie worden opgeslagen. Bovendien zouden individuele keuzes van de lidstaten een negatief effect kunnen hebben op zowel de interne markt, als de mogelijkheid voor rechtshandhavingsautoriteiten om de ernstige vormen van criminaliteit te bestrijden. De regering constateert bovendien dat het voorstel zich beperkt tot bepaalde categorieën te bewaren gegevens. De ontwerprichtlijn heeft geen betrekking op de inhoud van de communicatie, conform de wetgeving ter bescherming van de persoonsgegevens.

De regering benoemt twee belangrijke kritiekpunten ten aanzien van onderhavige ontwerprichtlijn. In de eerste plaats is zij fel gekant tegen de instelling van een nieuw comitologie-comité. Dat comité zou namelijk de mogelijkheid moeten krijgen de lijst van te bewaren gegevens te herzien, hetgeen de regering onwenselijk acht. Daarnaast wenst de regering dat een eventuele vergoedingsregeling (voor de voor het bedrijfsleven uit deze richtlijn voortvloeiende kosten) in de EU wordt geharmoniseerd. Op deze manier bestaat namelijk niet het gevaar dat de concurrentiepositie van eender welke lidstaat zal worden aangetast. Een dergelijke regeling is (nog) niet in de ontwerprichtlijn opgenomen.


Samenvatting voorstel Europese Commissie

In COM(2005)438PDF-document presenteert de Europese Commissie een voorstel voor een Richtlijn inzake de bewaring van verkeersgegevens (dataretentie) en tot wijziging van Richtlijn 2002/58/ECPDF-document. De Commissie stelt dat het bewaren van verkeersgegevens essentieel is in het kader van wetshandhaving in het algemeen en terrorismebestrijding in het bijzonder. Daar sommige lidstaten zelf zijn begonnen met het aannemen van verschillende nationale maatregelen betreffende dataretentie, acht de Commissie het van belang dat deze maatregelen snel geharmoniseerd worden op Communautair niveau.

Mede naar aanleiding van de aanslagen in Madrid en Londen is EU-regelgeving op het terrein van dataretentie een prioritaire aangelegenheid geworden. De Commissie stelt dat het bewaren van verkeersgegevens noodzakelijk is teneinde terroristische activiteiten effectief op te sporen, te onderzoeken en te bestrijden. Na een gehouden raadpleging met belanghebbende partijen heeft de Commissie gekozen om de bewaring van vaste en mobiele telefoniegegevens voor een periode van één jaar te verplichten. Verkeersgegevens die gerelateerd zijn aan het gebruik van het Internet moeten zes maanden bewaard worden.

De Commissie is bewust van het feit dat het voorstel gevolgen zal hebben voor de privacy van burgers. Echter, zij stelt dat de nadelige gevolgen zoveel mogelijk beperkt worden, door bijvoorbeeld het doel duidelijk te omschrijven waarvoor de bewaarde gegevens gebruikt kunnen worden. Tevens zullen alleen bepaalde soorten gegevens voor een beperkte periode opgeslagen worden. Op deze manier tracht de Commissie de financiële gevolgen voor de telecommunicatie en Internet sectoren te beperken maar tegelijkertijd een effectieve minimumperiode voor de bewaring van gegevens vast te stellen. Ten slotte geeft de Commissie aan dat het onderhavige richtlijn niet van toepassing is op de inhoud van (tele)communicatie. Op deze manier denkt de Commissie de privacy van de burger voldoende te hebben gewaarborgd.

Ten aanzien van het subsidiariteitsbeginsel is de Commissie van mening dat de uiteengezette doelstellingen niet in voldoende mate door de afzonderlijke lidstaten bereikt kunnen worden. De Commissie stelt dat het onderhavige voorstel het juiste instrument is waarmee op een evenwichtige wijze de uiteengezette doelstellingen gerealiseerd kunnen worden.


Behandeling Raad

JBZ-Raad 4-5 december 2014

Tijdens de Raad verzochten enkele lidstaten de Europese Commissie om op korte termijn met een voorstel voor dataretentie te komen.

JBZ-Raad van 20/21 februari 2006 (agendapunt 2a)

Dit onderwerp is als een B-punt behandeld door de Raad, die instemde met het voorstel voor een richtlijn inzake de bewaring van de verkeersgegevens. Twee lidstaten stemden tegen. Minister Donner maakte bij de stemming melding van de wens van de Tweede Kamer om het debat over de inhoud van de richtlijn te heropenen. Aangezien hiertoe geen mogelijkheid meer bestaat - hetgeen door het voorzitterschap werd bevestigd in het licht van het in december bereikte politieke akkoord - werd door Nederland ingestemd.

Uit de (aanvullende) geannoteerde agenda voor de Raad blijkt dat het voorzitterschap voornemens is de ontwerprichtlijn vast te stellen. Het gaat dan om de compromistekst waarover op 14 december 2005 een akkoord is bereikt met het Europees Parlement. Naast de tekst van de richtlijn ligt er ook een afzonderlijke verklaring van de Raad voor, waarin wordt aangegeven dat bij het gebruik van de gegevens rekening zal worden gehouden met de strafbare feiten van de lijst van het Europees aanhoudingsbevel. Daarnaast heeft een aantal lidstaten, waaronder Nederland, een verklaring opgesteld om gebruik te maken van 18 maanden uitstel voordat de bewaring van gegevens wordt ingevoerd in verband met internet-toegang, internet-telefonie en e-mail. De implementatieterm voor deze categorieën komt daarmee op 36 maanden.

JBZ-Raad van 1/2 december 2005 (agendapunt B12)

Bij de aanvang van het debat hield de voorzitter, minister Clarke een uitvoerig pleidooi waarbij hij aangaf dat een richtlijn als instrument betreffende dataretentie de enige weg vooruit is. Een richtlijn heeft de noodzakelijke democratische legitimiteit (co-decisie van het Europees Parlement), die een kaderbesluit in de derde pijler ontbeert. Bovendien zal een kaderbesluit schipbreuk leiden bij het Hof wegens ontbreken van een adequate rechtsgrondslag.

Het voorzitterschap legde de Raad een pakket wijzigingen voor die enerzijds beoogde het Europees Parlement tegemoet te komen en anderzijds lidstaten over de streep te trekken. Het pakket dat door de Raad, na een langdurige discussie, werd goedgekeurd bevat de volgende elementen:

  • Reikwijdte: in de tekst wordt "serious crime" gehanteerd conform de wensen van het Europees Parlement , maar met de toevoeging dat dit begrip door nationaal recht wordt gedefinieerd. Daarbij dienen lidstaten "due regard" te hebben voor de lijst delicten uit het kaderbesluit inzake het Europees Aanhoudingsbevel.
  • Bewaartermijn: 6-24 maanden (het Europees Parlement wil slechts 12 maanden als maximum;
  • Derogaties (het Europees Parlement Parlement wenst derogatie-mogelijkheden geschrapt c.q. beperkt)
  • Niet succesvolle oproepen: hoeven alleen bewaard te worden indien stored (telefonie) of logged (internet). Voorts een considerans waarin bepaald wordt dat niet succesvolle oproepen voor het overige bewaard kunnen worden op basis van een uitzondering

    overeenkomstig artikel 15, eerste lid van de Telecomrichtlijn 2002/58/EC.

  • Er komt een adviesgroep met deelname van politieautoriteiten, telecomindustrie, vertegenwoordigers van het Europees Parlement en dataprotectie-instanties. Er komt ook een evaluatie.
  • Toegang tot data: een uitgebreide considerans, waarin wordt aangegeven dat gegevenstoegang beheerst wordt door nationaal recht, met inachtneming van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). Dit wordt ook opgenomen in artikel 2 van de ontwerp-richtlijn.
  • Apart artikel met vrijwaringsmaatregelen.
  • Verwijzing naar strafsancties in artikel 11bis in geval van wederrechtelijke toegang.

Het voorzitterschap concludeerde met het Europees Parlement verder zal worden gesproken, teneinde over het pakket waaraan de Raad zijn akkoord heeft gegeven, overeenstemming te bereiken. Daarbij zal het voorzitterschap aangeven dat een akkoord in eerste lezing alleen mogelijk is indien het door de Raad goedgekeurde pakket in zijn geheel door het Europees Parlement wordt overgenomen.

Blijkens de geannoteerde agenda zal de Raad worden ingelicht over de voortgangPDF-document van de onderhandelingen met het EP. Het doel van het Britse voorzitterschap blijft om voor het einde van het jaar overeenstemming te bereiken over ofwel het ontwerpkaderbesluit (zie dossier E090223) ofwel de ontwerprichtlijn betreffende dataretentie.

Een eerste gesprek tussen vertegenwoordigers van de Commissie, het voorzitterschap en het EP heeft plaatsgehad op 15 november 2005. Alle partijen lijken bereid voor het einde van het jaar een compromis te vinden, al bestaan er nog diverse geschilpunten. In de aanvullende geannoteerde agenda laat de Nederlandse regering weten positief te staan ten opzichte van de door het Parlement geleverde inbreng. Wat de regering betreft zou de Raad zich flexibel ten opzichte van deze amendementen op moeten stellen. Niet alle lidstaten lijken echter van deze positie overtuigd te zijn.

JBZ-Raad van 12 oktober 2005 (agendapunt B4b)

De voorzitter benadrukte de absolute wil van het voorzitterschap om voor het einde van het jaar overeenstemming te bereiken over een instrument betreffende dataretentie. De voorkeur van het voorzitterschap gaat thans uit naar een richtlijn. Commissaris Frattini deelde mede dat de Commissie zich flexibel zal opstellen en dat zij bereid is alle opties te onderzoeken teneinde in december een akkoord te kunnen bereiken. Geconstateerd werd dat dertien lidstaten (inclusief het voorzitterschap) zich er in konden vinden om verder te werken op basis van een richtlijn.

Minister Donner gaf aan dat het Nederlandse parlement bezwaren heeft tegen zowel de inhoud, als de vorm van het ontwerp-kaderbesluit en dat derhalve Nederland slechts met een richtlijn als instrument kan instemmen. Voorts benadrukte minister Donner dat de optie van een kaderbesluit het gevaar met zich meebrengt dat het Europese Hof na twee jaar het kaderbesluit ongeldig zal verklaren. Het bewaren van de coherentie van het strafrecht in de Unie is en blijft een taak van de JBZ-Raad, ook indien maatregelen in de eerste pijler worden genomen. Wat de inhoud betreft dient de richtlijn dataretentie slechts een minimumregeling te bevatten. Op basis van overwegingen van opsporing en bestrijding van terrorisme en zware criminaliteit dient het mogelijk te zijn verdergaande maatregelen te treffen. Minister Donner benadrukte dat een richtlijn geen beperkingen mag stellen aan hetgeen in het belang van de opsporing noodzakelijk is. De harmonisatie van de vergoeding van de kosten dient noodzakelijkerwijs een regeling in de eerste pijler te zijn, al was het alleen maar om vast te stellen dat dergelijke vergoedingen geen staatssteun vormen.

De Raad concludeerde vervolgens dat een meerderheid van de delegaties open staat voor de optie van een richtlijn en dat de contacten hierover met het Europees Parlement worden voortgezet. Het voorstel voor een kaderbesluit blijft tegelijkertijd op tafel liggen en zal, zodra blijkt dat met het Europees Parlement geen (of geen tijdige) overeenstemming kan worden bereikt, weer in behandeling worden genomen.

Het Comité van Permanente Vertegenwoordigers werd opgedragen om overeenstemming te bereiken over de inhoud van het voorstel (lijst van gegevens, bewaartermijnen, reikwijdte bewaarplicht, vergoeding van de kosten) tussen de lidstaten.

Tijdens de volgende bijeenkomst van de Raad op 1 en 2 december a.s. zal dit onderwerp weer terugkeren op de agenda met het oog op besluitvorming voor het einde van dit jaar.

In de databank EUR-Lex wordt de laatste stand van zaken in de Europese behandeling van het voorstel weergegeven.


Behandeling Europees Parlement

Het Europees Parlement heeft (met 378 stemmen voor, 197 tegen en 30 onthoudingen) op 14 december 2005 het compromis gesteund dat de fractievoorzitters van de twee grootste partijen in het EP, de christen-democraten en de sociaal-democraten, enige dagen voorafgaand aan de plenaire vergadering hadden bereikt met de Raad. Dit akkoord wijkt af van het voorstel dat de LIBE commissie en haar rapporteur Alvaro aan het parlement had voorgelegd. Deze heeft gevraagd zijn naam als rapporteur te schrappen aangezien hij zich niet kan vinden in het compromis.

De commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken heeft op 24 november 2005 het verslag vastgesteld (zie persberichtWord-document). In het verslag stelt de LIBE-commissie zich achter de door de Commissie en Raad verwoorde noodzaak om gegevens op te slaan voor de opsporing en vervolging van, en het onderzoek naar, ernstige misdrijven. Het EP wil wel een beperking invoeren voor wat betreft het soort ernstige misdrijven. Bovendien mogen de opgeslagen gegevens niet worden gebruikt voor de preventie van misdrijven.

Andere belangrijke voorgestelde wijzigingen zijn:

  • Beperking van de bewaartermijn tot een periode van zes tot twaalf maanden, in tegenstelling tot de twaalf tot 24 maanden zoals voorgesteld door de Commissie. Bedrijven die weigeren gegevens op te slaan of deze misbruiken voor andere doeleinden dan vastgelegd in de richtlijn zouden een effectieve en proportionele, maar ontmoedigende straf opgelegd moeten kunnen krijgen.
  • Toegang tot de gegevens is voorbehouden aan rechtshandhavingsautoriteiten uit de lidstaten en kan enkel van geval tot geval worden geaccordeerd door een rechter. Autoriteiten uit derde landen kunnen wel toegang krijgen tot de gegevens op basis van een internationale overeenkomst met de Europese Unie.
  • Het al dan niet registreren van mislukte gesprekken moet worden overgelaten aan de lidstaten en niet door middel van onderhavige richtlijn worden geregeld. De meeste telecombedrijven registreren deze gesprekken op dit moment niet en de verplichte invoering van daarvoor benodigde technieken acht het EP te kostbaar.
  • Bedrijven moeten volledig door de lidstaten worden gecompenseerd voor de met de opslag van gegevens samenhangende kosten, inclusief de daarvoor benodigde investeringen en operationele kosten.

Op 14 november 2005 is er nogmaals over het ontwerpverslag (inclusief de aanvullingPDF-document met amendementen) gesproken. Alle ingediende amendementen zijn artikelsgewijs opgenomen in een overzichtPDF-document van 4 november 2005.

Op 24 oktober 2005 heeft de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken van het EP gesproken over bewaring verkeersgegevens op basis van een conceptverslagPDF-document over de ontwerprichtlijn en een documentWord-document met technische vragen van het EP en antwoorden van de Europese Commissie.

In de databank OEIL van het Europees Parlement wordt de laatste stand van zaken in de behandeling van het voorstel weergegeven.


Reacties Derden

Op 9 januari 2009 heeft de Europees Toezichthouder voor Gegevensbescherming (EDPS) een adviesPDF-document uitgebracht over onderhavig richtlijn. Dit advies volgt een eerder EDPS adviesPDF-document d.d. 9 januari 2009 op, evenals commentaren d.d. 2 september 2008, waarin aanbevelingen werden gedaan om ervoor te zorgen dat de voorgestelde veranderingen daadwerkelijk de best mogelijke bescherming van persoonsgegevens te bieden. Dit tweede advies kwam als reactie op het gemeenschappelijk standpunt van de Raad dat, op een aantal kritieke punten, er niet in slaagde om enkele veiligheidscontrole over gegevensbescherming (die door het Europees Parlement en de Europese Commissie) werden voorgesteld te bekrachtigen.

Zie de Statewatch Observatory inzake 'The surveillance of the telecommunications in the EU'.


Alle bronnen

Sociale media menu


Volg via