E090294
Laatste revisie: 09-09-2010

E090294 - Verordening tot oprichting van een Bureau van de EU voor de grondrechten



Tijdens de Europese Raad van december 2004 werd besloten het mandaat van het bestaande Europees Centrum voor het monitoren van racisme en xenofobie uit te breiden en daarmee het centrum om te vormen tot een Human Rights Agency (HRA). De oprichting van het HRA maakt deel uit van het Haagse Programma en dient ter vergroting van de coherentie en consistentie in het Europese mensenrechtenbeleid. Het Handvest van de GrondrechtenPDF-document dient als kern daarvoor te worden gezien en vormt het referentiekader voor het mandaat van het HRA.


Stand van zaken

Behandelfase Eerste Kamer: gepubliceerd in Europees publicatieblad.

Europees

Verordening (EG) nr. 168/2007PDF-document is aangenomen tijdens de JBZ-Raad van 15 februari 2007 en gepubliceerd in Pb EU L53 van 22 februari 2007. 


Kerngegevens

document Europese Commissie

COM(2005)280PDF-document, d.d. 30 juni 2005

rechtsgrondslag

EC 308

commissie Eerste Kamer

beleidsterreinen

verwante dossiers


Behandeling Eerste Kamer

NB: Dit dossier wordt zowel door de bijzondere commissie voor de JBZ-Raad als de vaste commissie voor Europese Samenwerkingsorganisaties (ESO) gevolgd.

Tijdens de behandeling van de algemene Europese beschouwingen op 20 april 2010 heeft de minister van Buitenlandse Zaken toegezegd een rapportage te sturen over een eventuele duplicatie van werkzaamheden van de Raad van Europa en het EU-Grondrechtenagentschap. 23 augustus 2010 hebben de minister van BZK en Justitie en de minister van BZ een brief naar de EK gestuurd waarin zij stellen dat naar de waarneming van het kabinet de afspraken die zijn gemaakt om doublures te voorkomen adequaat in praktijk worden gebracht.

Tijdens een mondeling overleg met de minister van Buitenlandse Zaken op 4 december 2006 is de laatste stand van zaken met betrekking tot de oprichting van een Europees bureau voor de Grondrechten besproken. Na afloop hiervan hebben de commissies ESO en JBZ een vergadering belegd (zie verslag hiervan en de plenair door de voorzitter voorgelezen tekst).

De commissies noteren met instemming dat de minister heeft toegezegd niet mee te zullen werken in de toekomst aan de uitbreiding van de geografische reikwijdte naar landen waarmee een stabilisatie en associatieakkoord is gesloten. Ten aanzien van de aan de verordening te hechten verklaring van de Raad over de raadpleging van het agentschap op vrijwillige basis door de lidstaten op het terrein van politiële en justitiële samenwerking in strafzaken, komen de commissies unaniem tot het oordeel dat de minister verzocht dient te worden een lidstaatverklaring af te leggen.

Op 28 november 2006 heeft de Eerste Kamer instemming onthouden op formele gronden.

Tijdens een gezamenlijk vergadering van de commissie ESO en de JBZ-commissie hebben de leden het voornemen vermeld een meer inhoudelijke reactie te formuleren op de brief van 21 november van de minister van Buitenlandse Zaken, waarin tevens beargumenteerd zal worden waarom instemming wordt onthouden bij het ontwerpbesluit.Ten aanzien van de ontwerp-verordening heeft de Eerste Kamer geen wettelijk instemmingsrecht. De meeste fracties wensen te verwoorden dat in belangrijke mate tegemoet is gekomen aan de bezwaren geuit tijdens het debat op 7 maart 2006, doch nog niet voldoende. Vastgesteld wordt dat de CDA-fractie een afwijkende opinie heeft.

Op 21 november 2006 heeft de minister van Buitenlandse Zaken een brief gestuurd met informatie over de laatste stand van zaken omtrent dit dossier.

Op 14 november 2006 hebben de ESO-commissie en de JBZ-commissie de wens uitgesproken om voor de JBZ-Raad van 4 en 5 december 2006 over het voorstel met de regring in contact te treden.

Op 26 september 2006 hebben de ESO-commissie en de JBZ-commissie in een gezamenlijke vergadering besloten de Kamer te adviseren niet in te stemmen met het ontwerpbesluit van de Raad waarbij het Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten wordt gemachtigd zijn activiteiten uit te oefenen op de in titel VI van het Verdrag betreffende Europese Unie bedoelde gebieden. Per brief (zie documentenoverzicht onderaan) zijn de ministers van Justitie en van Buitenlandse Zaken hiervan op 28 september op de hoogte gebracht.

Op 9 juni 2006 heeft de Eerste Kamer een antwoord ontvangen van de ministers Bot en Pechtold op brieven van 26 april en 1 juni 2006. De commissies hebben vervolgens op 20 juni 2006 besloten de kabinetsappreciatie van het gewijzigde Europese voorstel tot oprichting van een EU Bureau voor de Grondrechten (vooralsnog) voor kennisgeving aan te nemen. Het dossier zal aandachtig gevolgd blijven worden.

Op 30 mei 2006 hebben de bijzondere commissie voor de JBZ-Raad en de vaste commissie voor Europese Samenwerkingsorganisaties ingestemd met een brief aan de ministers van Buitenlandse Zaken en Bestuurlijke Vernieuwing en Koninkrijksrelaties inzake het verzoek om een kabinetsappreciatie van de wijzigingen in het voorstel tot oprichting van een Europees Bureau voor de Grondrechten.

Op 16 mei 2006 heeft het beleidsdebat Buitenlandse Zaken plaatsgevonden in de Eerste Kamer. Ook de oprichting voor het grondrechtenbureau is daarin kort aan de orde gesteld. Minister Bot heeft nogmaals benadrukt dat hij de parameters die de Kamer heeft gesteld, goed in zijn hoofd heeft. 'Ik zal daar ook goed op blijven drukken', zo verzekerde Bot.

Tijdens de gezamenlijke vergadering van 25 april 2006 van de vaste commissie voor Europese Samenwerkingsorganisaties en de bijzondere commissie voor de JBZ-Raad is besloten de aanbeveling van de Parlementaire Assemblee van de Raad van Europa onder de aandacht te brengen van minister Bot en een reactie te vragen. Tevens is de aanbeveling ter informatie aan de vaste commissies voor Europese Zaken, voor Justitie en voor Binnenlandse Zaken van de Tweede Kamer aangeboden.

Tijdens de plenaire vergadering van 14 maart 2006 is de motie, ingediend op 7 maart namens alle fracties door lid Dees, met algemene stemmen aangenomen.

De commissie voor de JBZ-Raad en de commissie ESO hebben tijdens een gezamenlijke vergadering over de follow up van het plenaire debat van 7 maart besloten om andere Europese parlementen en delegaties van de parlementaire assemblee van de Raad van Europa te informeren over de uitkomst van het debat. De Voorzitter van de Eerste Kamer heeft op 31 maart 2006 een brief naar de voorzitters van de nationale parlementen in de EU-lidstaten en de voorzitter van het Europees Parlement gestuurd.

Op 7 maart 2006 heeft het plenaire debat over het Bureau van de EU voor de Grondrechten met de minister van Buitenlandse Zaken en de minister voor Bestuurlijke Vernieuwing en Koninkrijksrelaties plaatsgevonden. Tijdens dit debat is namens alle fracties een motie ingediend door lid Dees, waarover op 14 maart gestemd zal worden.

Op 3 maart 2006 hebben de minister van Buitenlandse Zaken en de minister voor Bestuurlijke Vernieuwing en Koninkrijksrelaties per brief gereageerd op vragen van de bijzondere commissie voor de JBZ-Raad en de vaste commissie voor Europese Samenwerkingsorganisaties (van 2 en 15 december 2005). Wat betreft het parlementair voorbehoud geven de ministers aan dat dit is ingebracht voor het voorstel voor het besluit tot uitbreiding van de taken van het Agentschap tot activiteiten in de zin van Titel VI van het EU-Verdrag (dossier E090295). Wat betreft het voorstel voor de Verordening is het parlementair instemmingsrecht niet van toepassing.

Op 21 februari 2006 is het plenaire debat van 7 maart voorbereid door de commissies ESO en JBZ.

Op maandag 20 februari 2006 heeft een informeel ambtelijk gesprek plaatsgevonden met de directeur van het Europees Waarnemingscentrum voor racisme en xenofobie (EUMC).

Tijdens een gezamenlijke vergadering van de commissie voor Europese Samenwerkingsorganisaties en de bijzondere commissie voor de JBZ-Raad op 17 januari 2006 is besloten de commissies Justitie en Europese Zaken van de Tweede Kamer middels een brief op de hoogte te brengen van de stand van zaken in onderhavig dossier en het verslag van het mondeling overleg van 15 november 2005 plenair te behandelen. Tevens is gesproken over een reactie op de 'call for evidence' van het Engelse House of Lords d.d. 9 januari 2006. De reactie werd vervolgens op 19 januari 2006 vastgesteld.

De attendering over het standpunt van de Eerste Kamer met betrekking tot de oprichting van een Bureau voor de grondrechten heeft een groot aantal reacties van buitenlandse parlementen opgeleverd. Deze zijn door de commissie ESO en de commissie voor de JBZ-Raad in een gezamenlijke bijeenkomst op 29 november 2005 besproken. De commissies hebben besloten de betrokken bewindspersonen door middel van een brief te verzoeken opheldering te geven over het Europese krachtenveld ten aanzien van het voorstel. Tevens verzoeken ze de regering dringend naar analogie van de JBZ-instemmingsprocedure niet akkoord te gaan met het Europese ontwerpbesluit (zie E090295) alvorens instemming te hebben gekregen van de Eerste Kamer.

Daarnaast hebben de commissies besloten een brief te schrijven aan de (verantwoordelijke) LIBE-commissie en andere betrokken commissies van het Europees Parlement alsook aan de nationale parlementen om de (gedeelde) bezwaren nogmaals duidelijk onder de aandacht te brengen.

Op 15 november 2005 hebben de commissie ESO en de commissie voor de JBZ-Raad tijdens een mondeling overleg met de ministers Pechtold en Bot aangegeven tegen de oprichting van een Europees bureau voor de grondrechten te zijn. Het bureau zal de werkzaamheden van oa. de Raad van Europa en de OVSE onnodig doubleren en oprichting van het Bureau betekent een ongewenst onderscheid tussen de EU-25 en de 21 andere Europese landen. De regering kreeg de overduidelijke boodschap mee de oprichting van het Bureau te voorkomen.

In de evaluatie van het mondelinge overleg is door de leden van de commissies de tevredenheid uitgesproken over de eensgezindheid qua opvattingen en standpunt binnen de Eerste Kamer. Besloten wordt een persbericht uit te brengen zowel voor de nationale als internationale pers. Voorts zal de permanent vertegenwoordiger van de Staten-Generaal in Brussel gevraagd worden het dossier expliciet te volgen en de parlementen van de EU-lidstaten op de hoogte te stellen van het standpunt van de Eerste Kamer.

Op 27 september 2005 hebben de commissie ESO en de commissie voor de JBZ-Raad de wens te kennen gegeven in mondeling overleg met de verantwoordelijke bewindsperso(o)n(en) nader te spreken over de regeringsreactie op de brief van de commissies inzake de oprichting van een Bureau van de EU voor de Grondrechten.

Op 14 september 2005 hebben de commissie ESO en de commissie voor de JBZ-Raad een reactie ontvangen op hun brief van 14 juli 2005.

De commissie ESO en de commissie voor de JBZ-Raad hebben op 14 juli 2005 een brief gestuurd aan de betrokken bewindspersonen (de ministers Remkes, Donner en Bot) waarin zij aangeven fundamentele bezwaren te hebben aangaande het voorstel van de Europese Commissie voor de oprichting van het EU-agentschap inzake de Grondrechten, en een reactie van de regering op deze bezwaren te willen ontvangen. Op 7 september 2005 is door de commissie ESO een rappel naar de minister van Buitenlandse Zaken verstuurd.

Op 5 juli 2005 heeft de vaste commissie ESO besloten een brief aan het COSAC voorzitterschap te sturen met de inzet het voorstel voor een EU-agentschap inzake de Grondrechten te agenderen op de plenaire COSAC bijeenkomst in oktober 2005. Op 22 juli 2005 heeft de troika van de COSAC per brief laten weten het verzoek niet te zullen inwilligen omdat de COSAC niet het meest geschikte platform lijkt voor deze discussie.

Op 28 juni 2005 heeft de bijzondere commissie voor de JBZ-Raad een mondeling overleg gehad met de minister van Justitie, waarbij ook de oprichting van het agentschap van de EU inzake de grondrechten kort aangeroerd is. Met name de vrees voor overlap van werkzaamheden met organisaties van de Raad van Europa op dit terrein werd onder de aandacht gebracht. Minister Donner gaf aan dat de Europese Raad heeft besloten dat zo'n agentschap er moet komen, maar dat de Nederlandse regering overlap van werkzaamheden niet wenselijk acht. Er kan echter pas nader over gesproken worden wanneer er een concreet voorstel ligt van de Europese Commissie.


Behandeling Tweede Kamer

Een aantal Tweede-Kamerleden hebben vragen gesteld over de relatie tussen de Europese Unie en de Raad van Europa, waarbij ook de oprichting van het grondrechtenbureau aan de orde gesteld wordt. De antwoorden van minister Bot zijn op 2 juni 2005 ontvangen.


Standpunt Nederlandse regering

In het debat van 6 december 2005 heeft de minister van Buitenlandse Zaken vier criteria gegeven waaraan moet worden voldaan alvorens de regering zou kunnen instemmen met het voorstel. Deze criteria zijn:

  • 1. 
    deelname van de Raad van Europa in het bestuur
  • 2. 
    een duidelijk mandaat
  • 3. 
    geen deelname van derde landen
  • 4. 
    alleen de taak dat het Bureau moet toezien of er rekening gehouden is met de grondrechten bij de toepassing en naleving van het Europees Recht


Samenvatting voorstel Europese Commissie

Kernpunten uit het voorstel COM(2005)280PDF-document zoals opgesteld door de Europese Commissie

Tijdens de Europese Raad van december 2004 werd besloten het mandaat van het bestaande Europees Centrum voor het monitoren van racisme en xenofobie uit te breiden en daarmee het centrum om te vormen tot een Human Rights Agency (HRA). De oprichting van het HRA maakt deel uit van het Haagse Programma en dient ter vergroting van de coherentie en consistentie in het Europese mensenrechtenbeleid. Het Handvest van de GrondrechtenPDF-document dient als kern daarvoor te worden gezien en vormt het referentiekader voor het mandaat van het HRA.

De doelstelling van het HRA moet zijn het verschaffen van advies en kennis inzake de grondrechten aan de instellingen en instanties van de EU en de lidstaten bij het implementeren van Europese wetgeving/doelstellingen opdat bij de uitvoering en naleving de waarborging van de fundamentele grondrechten verzekerd is.

De werkzaamheden van de HRA zijn te verdelen over vier gebieden:

  • 1. 
    Het verzamelen en analyseren van informatie; het verbeteren van de kwaliteit van deze data; het identificeren van trends en het bevorderen en uitvoeren van wetenschappelijk onderzoek. Bij de dataverzameling dient gebruik te worden gemaakt van de gegevens die reeds zijn verzameld door de lidstaten, de Europese instellingen, nationale instanties, NGOs en andere internationale organisaties.
  • 2. 
    Het adviseren van de EU en de lidstaten op eigen initiatief ofwel op verzoek van de Europese Commissie (EC), de Raad of het EP. Het ondersteunen van de Raad indien een procedure op basis van artikel 7 van het Verdrag (schending van de Europese beginselen) wordt gestart. Het HRA heeft niet de taak de permanente monitoring van naleving van artikel 7 uit te voeren (zie dossier E040010). Het schrijven van een jaarlijks rapport over de mensenrechten (inclusief de situatie ten aanzien van racisme en xenofobie) en het uitbrengen van thematische rapporten behoort wel tot de taken. De thema's voor deze rapporten worden in een ' Multi-annual framework' neergelegd dat door de EC wordt aangenomen en worden geschreven op basis van de onder punt 1 genoemde werkzaamheden met betrekking van de twee hieronder vermelde taakstellingen.
  • 3. 
    Samenwerking met de civil society door het opzetten van netwerken en organiseren van bijeenkomsten.
  • 4. 
    Ontwikkelen van een communicatiestrategie voor het vergroten van het bewustzijn aangaande grondrechten onder het Europees publiek.

De verordening voorziet naast deze werkzaamheden in de oprichting van een "Fundamental Rights Forum" bestaande uit vertegenwoordigers van NGOs, de vakbonden, sociale en professionele organisaties, de kerken, universiteiten en vertegenwoordigers van Europese en internationale organisaties en instellingen. Het forum, dat een maximum van honderd deelnemers kent, dient ter informatie-uitwisseling en kennisverzameling. Verder behoort het tot de taak van het forum ideeën voor het jaarlijkse werkprogramma van het HRA aan te dragen en op basis van het jaarlijks rapport van het HRA feedback te leveren en follow-up suggesties te doen.

De EC stelt dat het voorstel rekening houdt met/zich conformeert aan het voorgestelde Interinstitutioneel kader voor de regelgevende Agentschappen (zie dossier E050047).

Met betrekking tot de juridische basis geeft de EC in het voorstel voor de verordening aan dat artikel 308 de juiste rechtsgrondslag betreft: het is een algemene overkoepelende doelstelling van de Europese Unie te waarborgen dat de activiteiten de grondrechten eerbiedigen. In het Verdrag zijn geen specifieke bevoegdheden opgenomen teneinde deze doelstelling na te leven. Het HRA wordt in het leven geroepen om juist deze doelstelling na te streven. Teneinde het werkgebied van het HRA te kunnen uitbreiden tot het gebied van de justitiële en politiële samenwerking wordt een besluit van de Raad voorgesteld (dossier E090295).

Tijdens de publieke consultatie (zie dossier E090293) is gebleken dat er geen sprake moest zijn van duplicatie van de werkzaamheden van het HRA met andere instellingen en andere internationale organisaties, specifiek de Raad van Europa. De EC stelt in het voorstel dan ook dat het kernpunt samenwerking is. Het HRA moet complementair functioneren aan reeds bestaande mechanismen voor het toezicht op de mensenrechten, aan reeds bestaande Europese instanties en internationale organisaties. Het HRA dient een solide institutionele relatie op te bouwen met de Raad van Europa (artikel 9 van de verordening). Concreet wordt voorgesteld op basis van artikel 300 van het Europese verdrag een bilateraal akkoord overeen te komen met de Raad van Europa. De EC vraagt het mandaat voor de onderhandelingen aan de Raad en de Raad besluit met gekwalificeerde meerderheid over de ondertekening. In de risicoanalyse gehecht aan het voorstel voor een verordening wordt het risico van overlappende werkzaamheden onderkent; als oplossing wordt daarvoor aangedragen een betere communicatie tussen het HRA en de instituties/organisaties met behulp van o.a. memoranda, regelmatig overleg en consultatie betreffende de werkprogramma's. Tenslotte wordt gesteld door de EC dat de wederzijdse erkenning van bevoegdheden en een adequate samenwerking met andere instellingen en organisaties hoofdzakelijk gegarandeerd moet worden in het Multi-annual framework van het HRA. Dit framework moet echter dienst doen als document waarin de thematische onderwerpen voor het HRA worden aangegeven en wordt opgesteld door de in de EU-betrokken instanties.

De geografische reikwijdte van de HRA is aanzienlijk uitgebreid in vergelijking met die van het Europees centrum voor racisme en xenofobie. Alle landen waarmee de EU een associatieovereenkomst heeft ofwel de landen die deelnemen aan het Europees nabuurschapbeleid (zie dossier E050024)(kunnen) worden betrokken bij de HRA. Ten eerste kan de EC de HRA verzoeken informatie te verschaffen en te analyseren over derde landen waarmee de EU:

  • een associatieovereenkomst heeft, of
  • specifieke overeenkomsten inzake de mensenrechten ofwel
  • onderhandelingen is aangegaan of zelfs van plan is aan te gaan voor dergelijke overeenkomsten, met name de landen die onder het Europees nabuurschapbeleid vallen.

De geografische reikwijdte van deelname aan het HRA kan tevens worden uitgebreid naar die landen waarmee de EU een associatieovereenkomst heeft en die door de Europese Raad zijn aangemerkt als kandidaat-lidstaten of mogelijke kandidaat-lidstaten. Voor de modaliteiten voor deelname in een dergelijk geval is een besluit van de betreffende associatieraad nodig.

Het HRA moet per 1 januari 2007 operationeel zijn. Voor 1 januari 2010 moet de HRA een commissie van onafhankelijke experts hebben aangesteld voor de evaluatie van de HRA. In de evaluatie moet naast het bezien van de werkzaamheden, de methodes en de behaalde resultaten tevens nagedacht worden over een mogelijke uitbreiding van de werkzaamheden van het agentschap.

Ten aanzien van de subsidiariteit en proportionaliteit stelt de EC dat het voorstel voldoet aangezien de taak van het HRA, het verzamelen en analyseren van data, op Europese schaal niet afdoende door de lidstaten kan worden gerealiseerd. Daarenboven kan de doelstelling - een betere naleving en waarborging van de grondrechten op Europees niveau - beter gerealiseerd worden indien een uniform systeem op EU niveau wordt ingesteld. Ten aanzien van de proportionaliteit verwijst de EC naar de impact assesmentPDF-document die is uitgevoerd. Daarin zijn vijf verschillende mogelijkheden voor de uitbreiding van het mandaat van het Europees Waarnemingscentrum voor xenofobie en racisme onderzocht en is onderhavig voorstel als meest effectief en efficiënt eruit gekomen. Op basis van deze analyse stelt de EC dat het voorstel conform proportionaliteitsbeginsel is.

In het 'Kaderprogramma met betrekking tot grondrechten en justitie voor de periode 2007-2013', door de Europese Commissie aangenomen op 6 april 2005, is reeds voorgesteld 164,9 miljoen euro uit te trekken voor het EU-Agentschap voor de Grondrechten.


Behandeling Raad

Tijdens de JBZ-Raad van 28 februari 2008 heeft de Raad de voordracht van Morten Kjaerum als directeur van het Bureau van de EU voor de grondrechten goedgekeurd. Hij is op 7 maart 2008 door het bestuur van het Bureau benoemd.

JBZ-Raad 15 februari 2007 (toegevoegd agendapunt)

Dit onderwerp stond op de lijst met A-punten en de ontwerpverordening is aangenomen.

Door de JBZ-Raad van 4/5 december 2006 werd overeenstemming bereikt over het voorstel voor een ontwerp tot oprichting van een EU-Agentschap voor de Grondrechten per 1 januari 2007, alsmede met een verklaring, gehecht aan de verordening, inzake de bevoegdheid van het Agentschap voor aangelegenheden in de derde pijler. Wat de Raadsverklaring betreft legde Nederland een verklaringPDF-document voor de notulen af, waarbij Nederland aangeeft dat de Raadsverklaring geen toekenning van bevoegdheden aan het Agentschap op basis van Titel VI van het Unieverdrag inhoudt.

Het door de Raad bereikte akkoord betreft onder meer de geografische reikwijdte van het mandaat van het Agentschap dat is beperkt tot de EU-instellingen en de lidstaten bij de toepassing van het Gemeenschapsrecht. Kandidaat-lidstaten kunnen deelnemen aan het Agentschap als waarnemer; landen waarmee Stabilisatie- en Associatieverdragen zijn gesloten kunnen deelnemen als de Associatieraad bij unanimiteit daartoe besluit. Wat de bevoegdheid van het Agentschap inzake de derde pijler betreft, kunnen volgens de Raadsverklaring, de Commissie, het Europees Parlement en de lidstaten op basis van vrijwilligheid om een opinie van het Agentschap over derde pijler aangelegenheden (politiële en justitiële samenwerking in strafzaken) verzoeken. Nederland heeft bij de verklaring voor de notulen aangegeven gebruik van deze mogelijkheid niet te voorzien. De Raad zal voor eind 2009 bezien of de opdracht van het Agentschap zich over derde pijler aangelegenheden zou moeten uitstrekken.

Uit de geannoteerde agenda:

Het voorzitterschap streeft nog altijd naar een politiek akkoord. De Nederlandse regering bevestigt haar standpunt vóór de oprichting van het agentschap te zijn, maar herhaalt tevens de zorgpunten: overlap met het werk van de Raad van Europa en het geografisch mandaat. Ook over de opname van de derde pijler in het mandaat van het agentschap is nog geen overeenstemming bereikt.

Uit het officiële persverslagPDF-document van de JBZ-Raad van 5 en 6 oktober 2006 blijkt dat met name gesproken is over uitbreiding van het aan het Bureau voor de Grondrechten te verlenen mandaat tot justitiële en politiële samenwerking. Het Voorzitterschap heeft de lidstaten opgeroepen mee te werken aan het bereiken van een compromis opdat het Bureau met ingang van 2007 operationeel kan worden.

Volgens het verslag van de minister van Justitie is het streven om tijdens de bijeenkomst van de Raad van 4 en 5 december 2006 politieke overeenstemming te bereiken. Het voorzitterschap zal tot die tijd op zoek gaan naar alternatieve oplossingen voor de derde pijler problematiek.

De standpunten van de verschillende lidstaten over de bevoegdheid van het agentschap ten aanzien van de derde pijler bleken verdeeld. Een groep tegenstanders die van oordeel was, dat er op dit moment geen rechtsgrondslag voor bestaat en een groep voorstanders die zich op het standpunt stelde dat het agentschap nauwelijks meerwaarde heeft als het geen bevoegdheid krijgt inzake de derde pijler. Wel leek er tijdens de discussie enige ruimte voor compromissen.

Nederland gaf aan, dat er een parlementair voorbehoud rust op het voorstel en dat het daarbij ook gaat om de zorg rondom de derde pijler. Voorts werd verwezen naar de relatie met de Raad van Europa (geen dubbel werk) en de beperking van het geografisch mandaat van het agentschap tot dat van de lidstaten.

Tijdens de Europese Raad van 15-16 juni 2006 is het nog op te richten EU-Grondrechtenagentschap niet als zodanig ter sprake gekomen ter vergadering, maar wel bij de bespreking over de conclusies van de Europese Raad. Het voorzitterschap wilde in een conclusie de voortgang in de onderhandelingen markeren, alsmede daarbij een oproep doen tot spoedige afronding van de onderhandelingen. Nederland kon deze conclusie accepteren, aangezien daarin duidelijk is verwoord dat op een aantal essentiële onderdelen nog verdere discussie in Raadskader nodig is, alsmede tussen regeringen en parlementen. Overigens valt nog te bezien of de in de conclusies gestelde datum van 1 januari 2007 gehaald zal worden.

De ontwerpverordening voor een Bureau van de EU voor de grondrechten stond op de agenda voor de Raad Algemene Zaken en Externe Betrekkingen van 12 juni 2006, waar men kennis heeft genomen van de laatste stand van zaken. COREPER is gevraagd te blijven werken aan de openstaande punten om overeenstemming in de Raad te bewerkstelligen (zie ook MEMO 307 in documentenoverzicht).

De Britse regering geeft in een notitie aan het eigen Parlement aan niet te verwachten dat overeenstemming over dit voorstel zal worden bereikt tijdens het eigen of een volgend Voorzitterschap.

JBZ-Raad van 2/3 juni 2005 (agendapunt B8)

Uit de aanvullende geannoteerde agenda blijkt dat dit agendapunt (presentatie van een commissievoorstel) is komen te vervallen.

In de databank EUR-Lex wordt de laatste stand van zaken in de Europese behandeling van het voorstel weergegeven.


Behandeling Europees Parlement

Naar aanleiding van het verslag van mw. Kinga Gàl heeft het Europees Parlement op 30 november 2006 een wetgevingsresolutie aangenomen.

Op 12 oktober 2006 heeft het EP in de plenaire vergadering het verslag terugverwezen naar de LIBE-commissie. Het EP wil namelijk niet over de resolutie stemmen zolang de Raad nog verdeeld is over het voorstel tot oprichting van een EU Bureau voor de grondrechten (zie het persbericht in het documentenoverzicht).

De Commissie Burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken (LIBE-commissie) heeft mw. Kinga Gál tot rapporteur benoemd. Haar rapportPDF-document is op 13 september 2006 door de LIBE-commissie goedgekeurd.

In de databank OEIL van het Europees Parlement wordt de laatste stand van zaken in de behandeling van het voorstel weergegeven.


Reacties Derden

Op 3 mei 2006 publiceert de Assemblée Nationale (Frankrijk) een rapport over Europese Agentschappen waarin ook de oprichting van een Bureau van de EU voor de grondrechten aan de orde gesteld wordt.

Op 14 februari 2006 heeft het Europees Economisch en Sociaal Comité een advies aangenomen met betrekking tot de ontwerpverordening en -besluit. Het EESC is ingenomen met het besluit een Bureau voor de grondrechten op te richten, maar maakt zich zorgen over de onafhankelijkheid van het Bureau en de vertegenwoordiging van het maatschappelijk middenveld in de raad van bestuur en het grondrechtenforum. Tevens verzoekt het Comité de Raad het Bureau een zo stevig mogelijke rechtsgrondslag te verschaffen opdat het Bureau de bevoegheden krijgt om zich van zijn taken te kunnen kwijten.

De Raad van Europa heeft diverse keren gereageerd op het voornemen van de Europese Commissie een Bureau voor de grondrechten op te richten. Zo heeft de secretary general van de Raad van Europa in december 2004 een schriftelijke reactiePDF-document op het conusltatiedocument (zie dossier 4.3.81) ingediend. Deze inbreng werd gevolgd door een resolutie en een aanbeveling van de Parlementaire Assemblee van de Raad van Europa. De standpunten van de Parlementaire Assemblee over de oprichting van een Bureau voor de Grondrechten, zoals verwoord in de resolutie en aanbeveling, worden onderschreven door de Committee of Ministers van de Raad van Europa, zo blijkt uit het antwoord van dit orgaan dat is aangenomen op 13 oktober 2005.

Op 13 april 2006 heeft de Parlementaire Assemblee van de Raad van Europa (PACE) unaniem een aanbeveling over het Bureau van de EU voor de Grondrechten aangenomen. Deze aanbeveling roept de nationale regeringen, nationale parlementen en de EU op besluitvorming over het voorstel tot nader order uit te stellen. Eerst zou de samenwerkingsovereenkomst tussen de Raad van Europa en de EU gesloten moeten worden en de toetreding van de EU tot EVRM en de juridische status van het Handvest voor de Grondrechten onderzocht moeten worden. Daarnaast acht de PACE het noodzakelijk nogmaals zeer kritisch naar de inhoud te kijken.

Op 11 april heeft Juncker zijn rapport over de relatie tussen de EU en de Raad van Europa aan de PACE gepresenteerd. In dit rapport is tevens een aanbeveling (zie aanbeveling 4 op p. 30) opgenomen over het Europese voorstel tot oprichting van het Bureau van de EU voor de Grondrechten.

Op 12 oktober 2005 heeft de European Scrutiny Committee van het House of Commons (VK) een rapport uitgebracht met betrekking tot het commissievoorstel. Daarin worden een aantal vragen geformuleerd die zijn voorgelegd aan de regering. Op 14 juni 2006 heeft de commissie een brief van de minister over dit onderwerp besproken. Op 1 november 2006 heeft de commissie geconcludeerd dat er een debat aan het onderwerp gewijd dient te worden. Op 7 november is er nogmaals over gesproken (zie documentenoverzicht).

Ook de subcommittee Law and Institutions van de EU committee van het House of Lords (VK) heeft op 20 oktober 2005 een briefPDF-document met vragen naar de regering gestuurd. De reactiePDF-document van de regering heeft weer tot aanvullende vragenPDF-document geleid. Daarnaast heeft het House of Lords een 'call for evidence' uitgezet met betrekking tot de oprichting van een Bureau van de EU voor de Grondrechten. De Eerste Kamer heeft op 19 januari 2006 een reactie ingediend (zie behandeling Eerste Kamer). Inmiddels zijn ook vier verslagen beschikbaar van ' evidence taken before select committee on the European Union '; een betreft het gesprekPDF-document met Mr Alvaro Gil-Robles (Commissioner for Human Rights, Council of Europe) en Mr John Dalhuisen, (Specialist Adviser), een ander een gesprekPDF-document met Dr Eric Metcalfe (Justitie), en het derde verslagPDF-document heeft betrekking op de Oral Evidence van Baroness Ashton of Upholland (Parliamentary Under Secretary of State Department for Constitutional Affairs) en Mr Edward Adams (Head of Human Rights Division - Department for Constitutional Affairs). Het vierde verslagPDF-document ten slotte is gemaakt naar aanleiding van een gesprek met dhr. Fonseca en mw. Saastamoinen (DG Justitie, Vrijeheid en Veiligheid) en mw. Lisa Pavan-Woolfe (DG Werkgelegeneheid en Gelijke Kansen). Op 4 april 2006 is vervolgens een rapport gepubliceerd door het House of Lords. Geconcludeerd wordt dat het Bureau voor de grondrechten een goed initiatief is en dat het een belangrijke rol kan vervullen op het gebied van controle van EU-wetgeving(svoorstellen) in relatie tot mensenrechten. Duplicatie met de werkzaamheden voor de Raad van Europa moet echter voorkomen worden; een Memorandum of Understanding waarin de verantwoordelijkheden van de twee instellingen worden gedefinieerd is wat hen betreft dan ook een voorwaarde voor de oprichting van het bureau.

Het rapport van het House of Lords is onderwerp geweest van een plenair debatWord-document in het House of Lords op 8 juni 2006.

Op 23 september 2005 heeft de Duitse Bundesrat zich kritisch uitgelaten over de voorgenomen oprichting van een EU-Bureau voor de grondrechten en een besluitPDF-document met die strekking aangenomen.

Op 13 september 2005 hebben commissies Europese Zaken van de parlementen van Estland, Letland, Litouwen en Polen een resolutieWord-document inzake de oprichting van een Bureau voor de grondrechten aangenomen tijdens een gezamenlijke bijeenkomst. Daarin wordt gesteld dat de oprichting van het bureau wenselijk wordt geacht, maar dat er een urgente behoefte is om nader te spreken over de reikwijdte van de bevoegdheden van het bureau en de samenwerking met andere internationale organisaties, specifiek de Raad van Europa, om dubbeling van werkzaamheden te voorkomen.


Alle bronnen

Sociale media menu


Volg via