E090295
Laatste revisie: 01-10-2013

E090295 - Besluit waarbij het Bureau van de EU voor de Grondrechten wordt gemachtigd zijn activiteiten uit te oefenen op de in Titel VI van het Verdrag betreffende de EU bedoelde gebieden



De ontwerptekst voor de oprichting van een EU-agentschap inzake de grondrechten bestaat feitelijk uit twee voorstellen: een Verordening voor de oprichting van het bureau (juridische basis artikel 308 van het Europees Verdrag) en een besluit tot uitbreiding van het aan het bureau te verlenen mandaat tot justitiële en politiële samenwerking (juridische basis artikelen 30, 31 en 34 van het Europese Verdrag). Alle informatie over de behandeling van het commissievoorstel in zijn totaliteit is ondergebracht in dossier E090294.


Stand van zaken

Behandelfase Eerste Kamer: behandeling in Eerste Kamer afgerond.


Kerngegevens

commissie Eerste Kamer

beleidsterreinen

verwante dossiers


Behandeling Eerste Kamer

Tijdens een mondeling overleg met de minister van Buitenlandse Zaken op 4 december 2006 is de laatste stand van zaken met betrekking tot de oprichting van een Europees bureau voor de Grondrechten besproken. Na afloop hiervan hebben de commissies ESO en JBZ een vergadering belegd (zie verslag hiervan en de plenair door de voorzitter voorgelezen tekst).

Ten aanzien van de aan de verordening te hechten verklaring van de Raad ( welke het besluit vervangt waardoor instemming van de Eerste Kamer niet meer vereist is) over de raadpleging van het agentschap op vrijwillige basis door de lidstaten op het terrein van politiële en justitiële samenwerking in strafzaken, komen de commissies unaniem tot het oordeel dat de minister verzocht dient te worden een lidstaatverklaring af te leggen, op te nemen in de minuten van de Raad, waarin wordt verkondigd dat, nu de rechtgrond ontbreekt om het mandaat van het agentschap uit te strekken tot de JBZ-samenwerking in de derde pijler, door middel van deze verklaring naar de opvatting van de Nederlandse regering geen bevoegdheid terzake geattribueerd kan worden aan het agentschap.

Op 28 november 2006 heeft de Eerste Kamer instemming onthouden aan het ontwerpbesluit op formele gronden.

Tijdens een gezamenlijk vergadering van de commissie ESO en de JBZ-commissie hebben de leden zich voorgenomen een meer inhoudelijke reactie te formuleren op de brief van 21 november van de minister van Buitenlandse Zaken, waarin tevens beargumenteerd zal worden waarom instemming wordt onthouden bij het ontwerpbesluit.

Vastgesteld wordt dat de CDA-fractie een afwijkende opinie heeft.

Op 26 september 2006 hebben de commissie ESO en de JBZ-commissie in een gezamenlijke vergadering besloten de Kamer te adviseren niet in te stemmen met het ontwerpbesluit van de Raad waarbij het Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten wordt gemachtigd zijn activiteiten uit te oefenen op de in titel VI van het Verdrag betreffende Europese Unie bedoelde gebieden. Per brief (zie documentenoverzicht onderaan) zijn de ministers van Justitie en van Buitenlandse Zaken hiervan op 28 september op de hoogte gebracht.

Op 3 oktober 2006 heeft de Eerste Kamer dan ook instemming onthouden aan het ontwerpbesluit.

Dit dossier wordt zowel door de bijzondere commissie voor de JBZ-Raad als de vaste commissie voor Europese Samenwerkingsorganisaties (ESO) intensief gevolgd. Voor verdere informatie over de parlementaire behandeling van het dossier zie dossier E090294.


Standpunt Nederlandse regering


Samenvatting voorstel Europese Commissie

De ontwerptekst voor de oprichting van een EU-agentschap inzake de grondrechten bestaat feitelijk uit twee voorstellen: een Verordening voor de oprichting van het bureau (juridische basis artikel 308 van het Europees Verdrag) en een besluit tot uitbreiding van het aan het bureau te verlenen mandaat tot justitiële en politiële samenwerking (juridische basis artikelen 30, 31 en 34 van het Europese Verdrag). Alle informatie over de behandeling van het commissievoorstel in zijn totaliteit is ondergebracht in dossier E090294.

Teneinde het werkgebied van het Human Rights Agency te kunnen uitbreiden tot het gebied van de justitiële en politiële samenwerking wordt een besluit van de Raad voorgesteld.


Behandeling Raad

Tijdens de JBZ-Raad van 4/5 december 2006 is besloten tot het opstellen van een verklaring, gehecht aan de Verordening, inzake de bevoegdheid van het Agentschap voor aangelegenheden in de derde pijler in plaats van het aannemen van onderhavig besluit. Volgens deze Raadsverklaring kunnen de Commissie, het Europees Parlement en de lidstaten op basis van vrijwilligheid om een opinie van het Agentschap over derde pijler aangelegenheden (politiële en justitiële samenwerking in strafzaken) verzoeken. Nederland heeft bij de verklaringPDF-document voor de notulen aangegeven gebruik van deze mogelijkheid niet te voorzien. De Raad zal voor eind 2009 bezien of de opdracht van het Agentschap zich over derde pijler aangelegenheden zou moeten uitstrekken.

Uit het officiële persverslag van de JBZ-Raad van 5 en 6 oktober 2006 blijkt dat met name gesproken is over uitbreiding van het aan het Bureau voor de Grondrechten te verlenen mandaat tot justitiële en politiële samenwerking. Het Voorzitterschap heeft de lidstaten opgeroepen mee te werken aan het bereiken van een compromis opdat het Bureau met ingang van 2007 operationeel kan worden.

Volgens het verslag van de minister van Justitie is het streven om tijdens de bijeenkomst van de Raad van 4 en 5 december 2006 politieke overeenstemming te bereiken. Het voorzitterschap zal tot die tijd op zoek gaan naar alternatieve oplossingen voor de derde pijler problematiek.

De standpunten van de verschillende lidstaten over de bevoegdheid van het agentschap ten aanzien van de derde pijler bleken verdeeld. Een groep tegenstanders die van oordeel was, dat er op dit moment geen rechtsgrondslag voor bestaat en een groep voorstanders die zich op het standpunt stelde dat het agentschap nauwelijks meerwaarde heeft als het geen bevoegdheid krijgt inzake de derde pijler. Wel leek er tijdens de discussie enige ruimte voor compromissen.

Nederland gaf aan, dat er een parlementair voorbehoud rust op het voorstel en dat het daarbij ook gaat om de zorg rondom de derde pijler. Voorts werd verwezen naar de relatie met de Raad van Europa (geen dubbel werk) en de beperking van het geografisch mandaat van het agentschap tot dat van de lidstaten.

In de databank Prelex wordt de laatste stand van zaken in de Europese behandeling van COM(2005)280 met betrekking tot het besluit weergegeven.


Behandeling Europees Parlement

Naar aanleiding van het verslag van mw. Magda Kósáné Kovács heeft het Europees Parlement op 30 november 2006 een wetgevingsresolutie aangenomen.

Op 12 oktober 2006 heeft het EP in de plenaire vergadering het verslag terugverwezen naar de LIBE-commissie. Het EP wil namelijk niet over de resolutie stemmen zolang de Raad nog verdeeld is over het voorstel tot oprichting van een EU Bureau voor de grondrechten (zie het persberichtWord-document).

De Commissie Burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken (LIBE) heeft mw. Magda Kósáné Kovács tot rapporteur benoemd. Haar rapportPDF-document is door de LIBE-commissie aangenomen op 13 september 2006.


Alle bronnen

Sociale media menu


Volg via