E200027
  ruit icoon
Laatste revisie: 04-06-2021

E200027 - Voorstel voor een richtlijn over toereikende minimumlonen in de Europese Unie



Dit voorstel moet voor een kader zorgen voor de borging en dekking van minimumlonen in de lidstaten van de Europese Unie. De lidstaten zijn zelf verantwoordelijk voor het bepalen van de hoogte van het minimumloon.


Stand van zaken

Behandelfase Eerste Kamer: behandeling in commissie Eerste Kamer.

nationaal

Op 30 maart 2021 nam de commissie de toegezegde opinie van de Juridische Dienst van de Raad (JDR) (LIMITE) voor kennisgeving aan.

Europees

De Nederlandse regering informeert middels de geannoteerde agenda van de informele WSBVC Raad van 14 juni 2021 (21.501-31, AJ) over de voortgang van de onderhandelingen over de richtlijn.


Kerngegevens

volledige titel

Voorstel van het Europees Parlement en de Raad betreffende toereikende minimumlonen in de Europese Unie

document Europese Commissie

COM(2020)682PDF-document, d.d. 28 oktober 2020

rechtsgrondslag

Artikel 153, lid 1, b) VWEU / artikel 5, lid 3, en artikel 5, lid 4, VEU / artikel 153, lid 5, VWEU / artikel 153, lid 2

commissie Eerste Kamer


Behandeling Eerste Kamer

Op 30 maart 2021 nam de commissie de toegezegde opinie van de Juridische Dienst van de Raad (JDR) (LIMITE) voor kennisgeving aan.

Op 18 februari 2021 stuurde de minister van SZW een antwoord (EK, B) op de nadere vragen van de VVD-fractie.

Op 23 februari 2021 nam de commissie dit verslag van een nader schriftelijk overleg voor kennisgeving aan en maakte kenbaar graag de aan de regering toegezegde opinie van de Juridische Dienst van de Raad (JDR) te ontvangen.

Op 2 februari 2021 is de brief met nadere vragen over het richtlijnvoorstel aan de minister van SZW verstuurd.

Op 26 januari 2021 leverde de VVD-fractie (van Ballenkom) inbreng voor nader schriftelijk overleg.

De minister heeft op 12 januari 2021 geantwoord (EK, A).

Op 19 januari 2021 besprak de commissie dit verslag van een schriftelijk overleg en besloot om op 26 januari 2021 inbreng te leveren voor nader schriftelijk overleg.

Op 15 december 2020 is de brief met vragen over het richtlijnvoorstel aan de minister van SZW verstuurd.

Op 8 december 2020 is inbreng voor schriftelijk overleg geleverd door de fracties van de VVD en de PvdA (mede namens GroenLinks).

Op 24 november 2020 besloot de commissie SZW het voorstel in behandeling te nemen en besloot zij inbreng voor schriftelijk overleg met de regering te leveren op 8 december 2020.


Behandeling Tweede Kamer

Op 2 december 2020 hield de Tweede Kamer een VAO over de Formele Raad Werkgelegenheid en Sociaal Beleid van 3 december 2020 en het behandelvoorbehoud bij de EU-richtlijn minimumlonen. Hierbij zijn vijf moties ingediend. De motie van het lid Stoffer (TK 21.501-31, 588) is bij stemming op 2 december 2020 aangenomen.

De commissie SZW en EUZA hielden op 1 december 2020 een algemeen overleg met de staatssecretaris van SZW over de Formele Raad Werkgelegenheid en Sociaal Beleid van 3 december 2020 en het behandelvoorbehoud bij de EU-richtlijn minimumlonen. Aan het einde van het overleg werden de informatieafspraken over het behandelvoorbehoud vastgesteld.

De Tweede Kamer heeft op 24 november 2020 een behandelvoorbehoud geplaatst bij het voorstel (TK 35.639, 1).


Standpunt Nederlandse regering

De vaststelling van de hoogte van het minimumloon is naar mening van het kabinet een nationale competentie. Het kabinet zal zich inzetten voor aanpassing van het voorstel opdat het voorstel aansluit op het huidige Nederlandse systeem en dat het gebruik van de specifiek door de Commissie genoemde criteria richtinggevend maar niet bindend is.

Om de toereikendheid van minimumlonen te beoordelen dient naar de mening van het kabinet niet enkel naar de indicator bruto loon in verhouding tot het mediane of gemiddelde bruto inkomen gekeken te worden. Nederland zal inbrengen in de onderhandelingen dat er ook een indicator komt die kijkt naar netto minimumlonen.

Het kabinet deelt de opvatting dat afwijkingen en kortingen o.a. gerechtvaardigd en proportioneel moeten zijn en regelmatig geëvalueerd dienen te worden. Het dient volgens het kabinet aan lidstaten te blijven om te besluiten welke afwijkingen en kortingen zij gewenst achten.

Het voorstel regelt statistiek- en informatieverplichtingen. Aandachtspunt voor het kabinet is het voorkomen van overlap tussen verplichtingen in het kader van het onderhavige voorstel en de levering van data die reeds worden afgedekt door bestaande statistiekverplichtingen.

Op basis van de huidige interpretatie onderschrijft het kabinet de gekozen rechtsbasis, aangezien de vaststelling van de hoogte van het minimumloon op basis van het voorstel een nationale competentie blijft. Echter, het kabinet zal hier wel, gezien het belang van het waarborgen van de bevoegdheidsverdeling tussen de EU en de lidstaten en het feit dat dit onderwerp van discussie zal kunnen worden, tijdens de onderhandelingen aanvullende vragen over stellen.

Het kabinet beoordeelt de subsidiariteit als positief, met de kanttekening dat voor het bereiken van convergentie ook de economische fundamenten van achterblijvende lidstaten versterkt dienen te worden. Dit is volgens het kabinet allereerst aan de lidstaten zelf.

Het kabinet beoordeelt de proportionaliteit als deels positief, deels negatief. Het deels negatieve proportionaliteitsoordeel komt voort uit de keuze van de Commissie voor een Richtlijn als instrument. Een Raadsaanbeveling was volgens het kabinet een geschikter instrument geweest. Het deels positieve proportionaliteitsoordeel is gebaseerd op het oordeel van het kabinet dat de richtlijn voldoende ruimte laat voor de lidstaten om zelf invulling te geven aan de regels.


Samenvatting voorstel Europese Commissie

Het doel van de richtlijn is om werknemers in de Europese Unie te beschermen door hen toereikende minimumlonen te bieden, die een waardig bestaan mogelijk maken. Het mag daarbij niet uitmaken waar werknemers werken. Om dit doel te bereiken is een kader vastgesteld om (1) de minimumlonen toereikender te maken en (2) de toegang van werknemers tot bescherming door minimumlonen te verbeteren. Voor het bepalen wie onder het begrip "werknemer" valt wordt aangesloten bij de bestaande jurisprudentie daartoe van het Europees Hof van Justitie.

De lidstaten van de Europese Unie hebben en houden op grond van de richtlijn de vrijheid om wettelijke minimumlonen vast te stellen dan wel om toegang tot bescherming door minimumlonen te bevorderen in het kader van collectieve arbeidsovereenkomsten. Deze twee systemen functioneren thans naast elkaar binnen de Europese Unie.

Voor alle lidstaten worden de volgende verplichtingen voorgesteld in het richtlijnvoorstel:

  • Artikel 4 van het richtlijnvoorstel bevat een verplichting voor lidstaten om in overleg met sociale partners maatregelen te nemen om collectieve onderhandelingen over loonvorming te bevorderen.
  • Artikel 10 bevat daarnaast voorschriften over monitoring en gegevensverzameling.
  • Artikel 11 en 12 regelt dat doeltreffende, evenredige en afschrikkende sancties worden ingezet bij overtreding van nationale bepalingen en dat nationaal een recht bestaat op verhaal en bescherming tegen nadelige behandeling of gevolgen.

Voor lidstaten met een wettelijk minimumloon gelden daarenboven de kaders, gesteld in hoofdstuk II van het richtlijnvoorstel. Dit kader omvat onder meer (1) het bevorderen van de toereikendheid van het wettelijk minimumloon, (2) het beperken van variaties en inhoudingen op het minimumloon, (3) het betrekken van sociale partners bij vaststelling of aanpassing van het wettelijk minimumloon, en (4) het zekerstellen van de toegang van rechthebbende werknemers tot het wettelijk minimumloon.


Behandeling Raad

De Nederlandse regering informeert middels de geannoteerde agenda van de informele WSBVC Raad van 14 juni 2021 (21.501-31, AJ) over de voortgang van de onderhandelingen over de richtlijn.

De Nederlandse regering informeert middels de geannoteerde agenda van de informele WSBVC Raad van 15 maart 2021 (21.501-31, AG) over de voortgang van de onderhandelingen over het voorstel.

De Nederlandse regering informeert middels de geannoteerde agenda van de informele WSBVC Raad van 22 februari 2021 (21.501-31, AF) over de voortgang van de onderhandelingen over de richtlijn. Daarin geeft de regering onder andere aan dat Nederland samen met de lidstaten Oostenrijk, Denemarken, Estland, Hongarije, Ierland, Malta, Polen en Zweden een briefPDF-document heeft gestuurd aan het Portugees voorzitterschap waarin aandacht wordt gevraagd voor belang van extra verduidelijking van de juridische basis van het voorstel, het kabinetsstandpunt dat een Raadsaanbeveling een geschikter instrument is en het belang van het respecteren van de bestaande bevoegdheidsverdeling.

Op 3 december 2020 (21.501-31, AE) heeft het Duitse voorzitterschap tijdens de Raad voor de Werkgelegenheid, Sociaal Beleid, Volksgezondheid en Consumentenzaken (WSBVC) kort de stand van zaken toegelicht over het voorstel voor een Europees raamwerk voor minimumlonen. Nederland gaf daarbij aan dat het liever een raadsaanbeveling had gezien dan een richtlijn en dat het blij is met de toezegging van de Juridische Dienst van de Raad tot het komen van een opinie over het voorstel.

In de databank EUR-Lex wordt de laatste stand van zaken in de Europese behandeling van het voorstel weergegeven.


Behandeling Europees Parlement

De commissie EMPL (Werkgelegenheid en Sociale Zaken) van het Europees Parlement is verantwoordelijk voor de behandeling van het voorstel.

Dit voorstel behoort tot de lijst van gemeenschappelijke wetgevingsprioriteiten van de drie EU-instellingen. Hiermee willen zij in 2021 aanzienlijke vooruitgang boeken.

In de databank OEIL van het Europees Parlement wordt de laatste stand van zaken in de behandeling van het voorstel weergegeven.


Standpunten andere lidstaten (IPEX)

De commissie Europese Zaken van de Nationale Assemblee van Bulgarije heeft zich gebogen over de richtlijn en op 13 januari 2021 een standpuntPDF-document hierover aan de Europese Commissie gestuurd. De Nationale Assemblee is van mening dat het voorstel in overeenstemming is met het in artikel 5, lid 3, van het Verdrag betreffende de Europese Unie vastgelegde subsidiariteitsbeginsel. De Nationale Assemblee erkent dat het voorstel twijfels oproept over de naleving van het in artikel 5, lid 4, van het EU-Verdrag neergelegde evenredigheidsbeginsel, aangezien dit voorstel een voorwaarde kan zijn voor wijzigingen in de nationale voorschriften en praktijken van de lidstaten met een wettelijk minimumloon.

De commissie voor Werkgelegenheid van het Deense parlement heeft de subsidiariteit van het voorstel onderzocht en heeft op 15 december 2020 een subsidiariteitsbezwaar hierover ingediend. De Deense Folketinget vindt dat verandering in het minimumloon op nationaal niveau gedaan dient te worden en zien arbeidsmarktorganisaties als het platform om dit te bewerkstelligen.

Op 9 december 2020 heeft de Zweedse Riksdag een subsidiariteitsbezwaar ingediend over het voorstel. De Zweedse Riksdag heeft op 15 december 2020 de Eerste Kamer ervan op de hoogte gesteld het subsidiariteitsbezwaarPDF-document te hebben aangenomen.

Op 10 december 2020 heeft de Spaanse Cortes Generales een resolutie aangenomen waarin zij aangeeft dat het richtlijnvoorstel in overeenstemming is met het subsidiariteitsbeginsel.

In de databank IPEX wordt de behandeling van het voorstel in de diverse (kandidaat) lidstaatparlementen weergegeven.


Alle bronnen