E220001
Laatste revisie: 19-05-2022

E220001 - Voorstel voor een richtlijn met het oog op het tegengaan van misbruik door doorstroomvennootschappen op het gebied van belastingen en de aanpassing van de administratieve samenwerkingsrichtlijn



De Europese Commissie wil met dit voorstel voor een richtlijn misbruik van doorstroomvennootschappen tegengaan die inkomsten vanuit de EU doorsluizen naar gebieden met een laag belastingtarief.


Stand van zaken

Behandelfase Eerste Kamer: behandeling in commissie Eerste Kamer.

nationaal

Op 17 mei 2022 nam de commissie de beantwoording van de staatssecretaris voor kennisgeving aan.

Europees

Het voorstel werd op 22 december 2021 gepubliceerd en wordt behandeld door de commissie voor Economische en Monetaire Zaken in het Europees Parlement.


Kerngegevens

volledige titel

Voorstel voor een richtlijn van de Raad tot vaststelling van het misbruik van lege vennootschappen voor belastingdoeleinden en tot wijziging van Richtlijn 2011/16/EU

document Europese Commissie

COM(2021)565PDF-document, d.d. 22 december 2021

rechtsgrondslag

artikel 115 VWEU

commissie Eerste Kamer

beleidsterrein

verwant dossier


Behandeling Eerste Kamer

Op 17 mei 2022 nam de commissie de beantwoording van de staatssecretaris voor kennisgeving aan.

Op 29 april 2022 stuurde de staatssecretaris van Financiën een antwoord op de brief van 6 april 2022. Op 6 mei 2022 werd het verslag van een schriftelijk overleg vastgesteld (EK, A).

Op 6 april 2022 werd de brief met vragen over de voorstellen verstuurd naar de minister van Financiën.

Op 22 maart 2022 leverde de commissie schriftelijke inbreng naar aanleiding van de richtlijnvoorstellen over doorstroomvennootschappen en het minimumbelastingniveau voor multinationals in de EU (E220002).

Op 8 maart 2022 besloot de commissie schriftelijke inbreng over de richtlijnvoorstellen (zie ook E220002) in te dienen op 22 maart 2022.

Na ontvangst van het BNC-fiche over het voorstel tot een richtlijn op 21 februari 2022 heeft de commissie Financiën op 8 maart 2022 de gelegenheid inbreng voor schriftelijk overleg in te dienen over het voorstel.

Op 18 januari 2022 besloot de commissie het voorstel in behandeling te nemen en inbreng te leveren voor schriftelijk overleg wanneer het BNC-fiche de Kamer is toegezonden.


Behandeling Tweede Kamer

Op 12 mei 2022 staat een commissiedebat over doorstroomvennootschappen gepland in de Tweede Kamer.

Op 17 maart 2022 heeft de commissie Financiën schriftelijke vragen gesteld aan de minister van Financiën over het fiche over doorstroomvennootschappen.

Op 9 maart 2022 besloot de vaste commissie voor Financiën van de Tweede Kamer in schriftelijk overleg te willen treden met de regering naar aanleiding van het BNC-fiche van de regering over de aanpak van doorstroomvennootschappen.


Standpunt Nederlandse regering

Op 21 februari 2022 ontving de Eerste Kamer het BNC-fiche (22.112, 3349) met het standpunt van de Nederlandse regering over het richtlijnvoorstel.

De Nederlandse regering vindt het belangrijk om belastingontwijking tegen te gaan en wil in de EU een leidende rol innemen. De regering heeft onderzoek gedaan naar de doorstroompraktijk in Nederland en daaruit bleek dat in de periode tussen 2015 en 2019 er 32 miljard euro doorstroomt naar gebieden waar het laagst wordt belast. De bronbelasting op royalty's en renten, die vanaf 2021 is ingevoerd, zou deze stroom moeten tegengaan. In 2024 wordt deze bronbelasting uitgebreid op dividenden naar laag-belastende gebieden. Daarnaast wil de regering in alle belastingverdragen een zogenoemde Principal Purpose Test (PPT) opnemen om misbruik van het Nederlands verdragennetwerk te voorkomen.

Wat betreft het richtlijnvoorstel is de regering positief over de bevoegdheid van de Commissie en de subsidiariteit van het voorstel. De regering steunt de brede aanpak van de EU om doorstroomvennootschappen tegen te gaan. Daarnaast is zij het eens met de conclusie van de adviescommissie dat de beperkte opbrengst van een grootschalige doorstroompraktijk niet in verhouding staat tot de negatieve effecten voor andere landen en daarmee voor de reputatie van Nederland. Wel heeft de regering nog een aantal vragen/kanttekeningen bij het voorstel:

  • Hebben de bestaande bepalingen in de bilaterale belastingverdragen tussen EU-lidstaten voldoende grond om verdragsvoordelen aan droomvennootschappen te kunnen ontzeggen, of dienen er nog aanvullende afspraken gemaakt te worden?
  • Hoe werkt de verdeling van heffingsrechten uit in relatie met gelieerde entiteiten die gevestigd zijn in derde landen?
  • Is de gestelde termijn voor informatie-uitwisseling van 30 dagen na ontvangst van de aangifte uitvoerbaar?
  • Is een reactietermijn van uiterlijk 30 dagen uitvoerbaar en noodzakelijk? Gezien betrokken landen ook achteraf de aanslagen van voorgaande jaren kunnen aanpassen, op basis van nieuwe feiten.
  • Doordat aanpassingen in de aangifte doorgevoerd moeten worden en het nieuwe informatie-uitwisselingskanaal ingericht moet worden vindt de regering het ambitieus om de richtlijn per 1 januari 2024 in werking te laten treden.
  • De Nederlandse regering wil aandacht vragen voor verbetering van de uitvoerbaarheid van informatie-uitwisseling. Zij zou graag een verlenging van de 30 dagenperiode zien waarbinnen lidstaten de informatie moeten doorsturen. Daarnaast zou meer verantwoordelijkheid gelegd kunnen worden bij de belastingplichtige, door bijvoorbeeld de boetes op non-compliance te verhogen. Verder zal het identificatie- en uitwisselingsysteem gerichter en efficiënter kunnen worden opgezet.

Samenvatting voorstel Europese Commissie

De Europese Commissie wil met dit voorstel voor een richtlijnPDF-document misbruik van doorstroomvennootschappen tegengaan die inkomsten vanuit de EU doorsluizen naar gebieden met een laag belastingtarief. Om te bepalen of een bedrijf een doorstroomvennootschap is, wil de Commissie criteria opstellen waaraan een bedrijf getoetst kan worden, het zogenaamde gateway criterium:

  • 1. 
    Meer dan 75% van de omzet komt uit passieve inkomsten, zoals rente, loyalty of dividend.
  • 2. 
    Meer dan 60% van de omzet komt uit grensoverschrijdende transacties of wordt grensoverschrijdend doorbetaald.
  • 3. 
    Het dagelijks bestuur en belangrijke besluitvorming zijn uitbesteed aan derden.

Als het bedrijf aan bovenstaande criteria voldoet wordt gekeken naar de fysieke aanwezigheid: bezit of gebruik van een bedrijfsgebouw, actief gebruik van een bankrekening in de EU, of er bevoegde bestuurders aanwezig zijn die de dagelijkse leiding op zich nemen en naar de aanwezigheid van personeel.

Wordt hieraan niet voldaan, dan gaat men er vanuit dat het een doorstroomvennootschap betreft. Een bedrijf kan tegenbewijs aanleveren door te bewijzen dat het toch aan de fysieke aanwezigheid voldoet of kan aantonen dat het geen belasting ontwijkt. Dit wordt getoetst door de belastingautoriteit van de lidstaat waarin het bedrijf zich bevindt. In het geval de verantwoordelijke belastingautoriteit oordeelt dat het bedrijf geen doorstroomvennootschap is, is deze beslissing 6 jaar geldig.

Als een bedrijf als doorstroomvennootschap wordt aangemerkt kan de verantwoordelijke belastingautoriteit ervoor zorgen dat deze entiteit een woonplaatsverklaring wordt geweigerd of dat er een geclausuleerde woonplaatsverklaring wordt afgegeven. Dit houdt in dat dit bedrijf geen recht heeft op verdrags- of richtlijnvoordelen, zodat renten, royalty's en dividenden zonder bronheffing in de EU niet uitbetaald kunnen worden. Ook dient een bedrijf in de belastingaangifte aan te geven dat het een doorstroomvennootschap is. Laat het bedrijf dit na, dan kan een minimumboete van 5% van de omzet opgelegd worden.

Om informatie over doorstroomvennootschappen met andere lidstaten automatisch uit te wisselen, stelt de Europese Commissie een wijziging van de Administratieve Samenwerkingsrichtlijn (DAC) voor. Zodra een bedrijf wordt aangemerkt als doorstroomvennootschap door een belastingautoriteit moet deze informatie binnen 30 dagen via een centrale database met de lidstaten gedeeld worden. Lidstaten hebben ook de mogelijkheid informatie bij andere lidstaten op te vragen over goedgekeurde tegenbewijzen en toegekende vrijstellingen.

De Commissie stelt voor om het voorstel voor een richtlijn vanaf 1 januari 2024 in werking te laten treden. Wetgeving hiervoor dient uiterlijk 30 juni 2023 geïmplementeerd te zijn.


Behandeling Raad

In de databank EUR-Lex wordt de laatste stand van zaken in de Europese behandeling van het voorstel weergegeven.


Behandeling Europees Parlement

Het voorstel werd op 22 december 2021 gepubliceerd en wordt behandeld door de commissie voor Economische en Monetaire Zaken in het Europees Parlement.

In de databank OEIL van het Europees Parlement wordt de laatste stand van zaken in de behandeling van het voorstel weergegeven.


Standpunten andere lidstaten (IPEX)

De Tsjechische Senaat, het Finse parlement, de Slowaakse Nationale Raad en het Zweedse parlement hebben het voorstel in behandeling.

In de databank IPEX wordt de behandeling van het voorstel in de diverse (kandidaat) lidstaatparlementen weergegeven.


Alle bronnen