E220002
Laatste revisie: 20-05-2022

E220002 - Voorstel voor een richtlijn tot instelling van een algemeen minimumbelastingniveau voor multinationale groepen in de Unie




Stand van zaken

Behandelfase Eerste Kamer: behandeling in commissie Eerste Kamer.

nationaal

Op 17 mei 2022 nam de commissie de beantwoording van de staatssecretaris voor kennisgeving aan.

Europees

Het Franse Voorzitterschap streeft ernaar om tijdens de Eurogroep en Ecofinraad van 23-24 mei 2022 (21.501-07, EJ) een akkoord te bereiken tussen de EU-lidstaten over het richtlijnvoorstel. Het kabinet kan zich vinden in het voorstel van het Franse Voorzitterschap en vindt het belangrijk dat de besluitvorming snel wordt afgerond.


Kerngegevens

volledige titel

Voorstel voor een richtlijn van de Raad tot instelling van een algemeen minimumbelastingniveau voor multinationale groepen in de Unie

document Europese Commissie

COM(2021)823PDF-document, d.d. 22 december 2021

rechtsgrondslag

artikel 115 VWEU

commissie Eerste Kamer

beleidsterrein

verwant dossier


Behandeling Eerste Kamer

Op 17 mei 2022 nam de commissie de beantwoording van de staatssecretaris voor kennisgeving aan.

Op 29 april 2022 stuurde de staatssecretaris van Financiën een antwoord op de brief van 6 april 2022. Op 6 mei 2022 werd het verslag van een schriftelijk overleg vastgesteld (EK, A).

Op 6 april 2022 werd de brief met vragen over de voorstellen verstuurd naar de minister van Financiën.

Op 22 maart 2022 leverde de commissie schriftelijke inbreng naar aanleiding van de richtlijnvoorstellen over doorstroomvennootschappen en het minimumbelastingniveau voor multinationals in de EU (E220001).

Op 8 maart 2022 besloot de commissie schriftelijke inbreng over de richtlijnvoorstellen (zie ook E220001) in te dienen op 22 maart 2022.

Na ontvangst van het BNC-fiche over het voorstel tot een richtlijn op 28 januari 2022 heeft de commissie Financiën op 8 maart 2022 de gelegenheid inbreng voor schriftelijk overleg in te dienen over het voorstel.

Op 18 januari 2022 besloot de commissie het voorstel in behandeling te nemen en inbreng te leveren voor schriftelijk overleg wanneer het BNC-fiche de Kamer is toegezonden.


Behandeling Tweede Kamer

Op 15 maart 2022 besloot de Tweede Kamer het behandelvoorbehoud bij het voorstel te beëindigen.

Op 10 maart 2022 verzocht de commissie Europese Zaken, namens de commissie Financiën, de Tweede Kamer om het behandelvoorbehoud te beëindigen (EK, 2).

Op 7 maart 2022 heeft de staatssecretaris van Financiën de schriftelijke vragen naar aanleiding van het BNC-fiche over het richtlijnvoorstel beantwoord (22.112, 3339).

Op 22 februari 2022 reageerden de minister en de staatssecretaris van Financiën op de brief van 9 februari 2022 over informatieafspraken rond het behandelvoorbehoud over het richtlijnvoorstel (36.019 / 36.020, 2).

Op 16 februari 2022 heeft de commissie voor Financiën schriftelijke vragen gesteld over het voorstel aan de minister en staatssecretaris van Financiën.

Op 9 februari 2022 heeft de Tweede Kamer een behandelvoorbehoud geplaatst bij het richtlijnvoorstel.

Op 26 januari 2022 besloot de commissie Financiën de Kamer voor te stellen een parlementair behandelvoorbehoud te plaatsen bij het voorstel (EK, 1) en in schriftelijk overleg te treden wanneer het BNC-fiche is ontvangen.


Standpunt Nederlandse regering

Op 28 januari 2022 ontving de Kamer een BNC-fiche (22.112, 3278) met daarin het standpunt van het kabinet bij het voorstel.

In het kader van het krachtenveld geeft het kabinet aan dat 26 van de 27 EU-lidstaten onderdeel uitmaken van het Inclusive Framework (IF) georganiseerd door de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO). Deze landen hebben het IF-akkoord dan ook onderschreven. EU-lidstaat Cyprus maakt geen deel uit van het IF. Echter heeft Cyprus aangegeven zich niet te verzetten tegen de inhoud van het IF-akkoord. Daarnaast steunen de meeste lidstaten de inzet van de Europese Commissie en het voorzitterschap van de Raad in de ambitie dit voorstel zo spoedig mogelijk af te ronden.

Het oordeel van het kabinet ten aanzien van de bevoegdheid van de EU is positief. De Europese Commissie baseert de bevoegdheid voor de voorgestelde richtlijn op artikel 115 van het VWEU. Op grond van dit artikel is de EU bevoegd om richtlijnen vast te stellen voor de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen der lidstaten welke rechtstreeks van invloed zijn op de instelling of de werking van de interne markt. Het kabinet is van mening dat dit de juiste rechtsbasis is en beoordeelt de bevoegdheid daarom als positief.

Het kabinet beoordeelt de subsidiariteit van het voorstel positief. Het voorstel heeft naar inziens van het kabinet tot doel om een ondergrens te creëren voor belastingconcurrentie tussen landen door de invoering van een minimum belastingtarief. Ter realisatie van deze doelstelling is volgens het kabinet optreden op EU-niveau gerechtvaardigd. Daarnaast geeft het kabinet aan van mening te zijn dat gezien het grensoverschrijdende karakter van belastingontwijking de doelstelling van het optreden beter op het niveau van de EU kan worden bereikt en lidstaten hier onvoldoende zelf toe in staat zijn.

Het oordeel van het kabinet over de proportionaliteit is eveneens positief. Het richtlijnvoorstel heeft naar inziens van het kabinet tot doel om een ondergrens te creëren voor belastingconcurrentie tussen landen door middel van belastingtarieven. Om dit te bereiken bevat het richtlijnvoorstel afspraken om ervoor te zorgen dat grote multinationals altijd ten minste effectief 15% aan belasting over hun winst betalen. Dat voorgestelde optreden gaat volgens het kabinet niet verder gaat dan noodzakelijk, omdat er naar inziens van het kabinet nog voldoende ruimte overblijft voor lidstaten om keuzes te maken ten aanzien van belastingen.


Samenvatting voorstel Europese Commissie

Het voorstel werd op 22 december 2021 gepubliceerd.

De OESO heeft de afgelopen jaren in het Inclusive Framework (IF) gesproken over een herziening van het internationale belastingsysteem. Met 130 landen is een IF-akkoord bereikt dat ervoor moet zorgen dat (1) landen, waar een multinational met een omzet van minimaal 750 miljoen euro gevestigd is, meer winstbelasting kunnen heffen, ook al is deze multinational niet fysiek in dat land aanwezig en (2) grote multinationals altijd ten minste 15% aan belasting over hun winst betalen. Dit is een wijziging op de huidige regels van de vennootschapsbelasting. Er wordt namelijk voorzien in een bijheffing als in een land effectief te weinig winstbelasting is betaald door de betreffende multinational.

Omdat het IF geen bindende wetgeving kan vaststellen, zorgt de EU voor modelteksten die geïmplementeerd kunnen worden in de nationale wetgeving van de EU-lidstaten. De Global anti-Base Erosion-regels (GloBE-regels) zijn aangesloten en volgen de Income Inclusion Rule (IIR) en de zogenaamde Undertaxed Payments Rule (UTPR). Als de winsten van een multinational in het buitenland lager belast worden dan in het land waar moedervennootschap gevestigd is, dan dient het moederland op basis van de IIR belasting bij te heffen. Op het moment dat een land dit niet of onvoldoende doet, zorgt de UTPR ervoor dat andere landen belasting bij moeten heffen. Op deze manier wordt het voor een multinational minder aantrekkelijk om de moedervennootschap te vestigen in een land dat de IIR niet toepast.

Op een paar punten is er in het richtlijnvoorstel afgeweken van de IF-modelteksten, zoals het opnemen in het voorstel van grote bedrijven die alleen gevestigd zijn in één EU-lidstaat. Om te voorkomen dat grensoverschrijdende gevallen niet slechter worden behandeld dan gelijke binnenlandse gevallen, is er een verplichting opgenomen om bijheffing te laten plaatsvinden in het geval dat er in één lidstaat zowel een moeder- als een laagbelaste dochtervennootschap is gevestigd.

De Europese Commissie stelt als implementatiedatum 1 januari 2023 voor, waarbij de UTPR per 1 januari 2024 in werking treedt.


Behandeling Raad

Het Franse Voorzitterschap streeft ernaar om tijdens de Eurogroep en Ecofinraad van 23-24 mei 2022 (21.501-07, EJ) een akkoord te bereiken tussen de EU-lidstaten over het richtlijnvoorstel. Het kabinet kan zich vinden in het voorstel van het Franse Voorzitterschap en vindt het belangrijk dat de besluitvorming snel wordt afgerond.

In de databank EUR-Lex wordt de laatste stand van zaken in de Europese behandeling van het voorstel weergegeven.


Behandeling Europees Parlement

Op 19 mei 2022 nam het Europees Parlement tijdens de plenaire zitting een wetgevingsresolutiePDF-document aan over het voorstel.

Het voorstel wordt behandeld door de commissie voor Economische en Monetaire Zaken van het Europees Parlement.

In de databank OEIL van het Europees Parlement wordt de laatste stand van zaken in de behandeling van het voorstel weergegeven.


Standpunten andere lidstaten (IPEX)

Op 31 maart 2022 stuurde de Zweedse Rijksdag een met redenen omkleed adviesPDF-document over het voorstel aan de Europese Commissie. Volgens de Rijksdag kan vanwege het ontbreken van een impact assessment door de Europese Commissie niet vastgesteld worden of het voorstel verder gaat dan nodig om de gestelde doelen te bereiken. Daarom is het voorstel volgens de Rijksdag niet in overeenstemming met het subsidiariteitsprincipe.

In de databank IPEX wordt de behandeling van het voorstel in de diverse (kandidaat) lidstaatparlementen weergegeven.


Alle bronnen