De honderd dagen van senator Van der Lans

18 november 1999

De eerste honderd dagen hebben in de politiek een bijzondere betekenis. Het levert een mooi tijdstip op om een tussenbalans op te maken. Tenminste dat vindt de pers en die vullen dan ook hun kolommen met beschouwingen over onderwerpen als `De eerste honderd dagen van Bolkestein in Europa'.

Dinsdag 16 november is het mijn beurt. Die dag zit ik - na aftrek van het zomerreces - precies honderd dagen in de senaat. En aangezien niet te verwachten is, dat de pers daar in mijn geval veel woorden aan vuil zal maken, zit er niets anders op dan dat ik dat zelf maar doe.

Wat valt er te zeggen over `De eerste honderd dagen van Van der Lans als senator'? Wat vergaderingen betreft: bitter weinig. In principe hadden er vijftien plenaire vergaderingen moeten plaats vinden, in werkelijkheid zijn het er misschien zeven geweest. De senaat tobt nog met de naweeën van haar eigen nacht van Wiegel. Daardoor is de Tweede Kamer voor de zomer stil gevallen en de geruisloze echo daarvan klinkt nu door in de Eerste Kamer, waarin al weken nagenoeg niets gebeurt.

Politiek gezien valt er dus over die eerste honderd dagen slechts verveling te melden. Maar des te meer tijd kwam er vrij om op andere dingen te letten. Bijvoorbeeld op de impliciete Eerste-Kamercultuur die van haar leden een soort politieke museumstukken uit de negentiende eeuw maakt. Eerste-Kamerleden worden beschouwd als de amateurs van de politiek en alles is zo geregeld dat dat ook vooral zo moet blijven. Ondersteuning: moeten ze zelf betalen; met veel moeite kan er één aftandse pc per fractie af; om een emailadres moet gezeurd worden; het is eigenlijk niet de bedoeling dat ze vanuit de Eerste Kamer post het land in sturen. Ik vrees dat er nergens ter wereld een vergelijkbaar democratische instelling is die in verhouding zo goedkoop is als de Eerste Kamer.

Nu is spaarzaamheid een goede Nederlandse gewoonte, ware het niet dat deze brave amateurpolitici wel de hele moderne informatiemaatschappij over zich heen krijgen en een overheidsbureaucratie kritisch moeten volgen en corrigeren die sinds de vorige eeuw bepaald niet stil is blijven staan. Dat is dus bij voorbaat een ongelijke strijd. Tel daarbij op, dat ook de eredivisie van de politiek, de Tweede Kamer, eigenlijk nauwelijks kennis- en machtsmiddelen kan mobiliseren in haar sturende en controlerende strijd met de regering en de conclusie is gerechtvaardigd dat de Nederlandse democratie nog het meeste weg heeft van een muis, die elke week de olifant voor de laatste keer waarschuwt.

De Staten-Generaal zou zichzelf veel beter moeten equiperen om de macht in Nederland daadwerkelijk te lijf te gaan. Eigen onderzoeksbudgetten, parlementaire contra-expertises, een stevige, goed betaalde staf per politicus; in de Tweede Kamer zou dat heel normaal moeten zijn. Ook Eerste-Kamerleden zouden moeten ophouden om zich te koesteren in die achterhaalde rol van politieke amateurwijsneuzen. Geef de moderne tijd de ruimte. Laat u niet langer opsluiten door wetjes en procedures, maar breng uw wijsheid in stelling. Maak een eigen intellectuele agenda, creëer daar ruimte voor, al was het maar een uurtje per week. Maak van de Eerste Kamer die politieke plek waar in de samenleving steeds meer behoefte aan is: een echte chambre de reflexion.

Dat zou de 1357 dagen die ik in deze zittingstermijn nog te gaan heb, er een stuk leuker op maken.

Deze column is op persoonlijke titel geschreven