Naar hoofdinhoud Naar hoofdnavigatiemenu

Instemmingsrecht



Als het instemmingsrecht van toepassing is op een bepaald Europees voorstel, dan betekent dit dat een Nederlandse minister pas mag meewerken aan de totstandkoming van het definitieve Europese besluit als de beide Kamers van de Staten-Generaal hebben ingestemd met het voorstel. Het thans geldende instemmingsrecht is gebaseerd op de Goedkeuringswet Verdrag van Lissabon en geldt voor Europese besluiten op het gebied van paspoorten, familierecht en bepaalde vormen van politiesamenwerking.

De Eerste Kamer neemt besluiten over het al dan niet verlenen van instemming op advies van de vaste commissie voor de JBZ-Raad. De commissie bekijkt of de aangeboden voorstellen aan een aantal formele criteria voldoen – op tijd aangeleverd, openbaar en in het Nederlands – en toetst ze vervolgens inhoudelijk. Onder de werking van de oude Unieverdragen, die van Amsterdam en Nice, was het instemmingsrecht op veel meer ontwerpbesluiten van toepassing. Dat het geleidelijk is afgebouwd, heeft te maken met de toegenomen bevoegdheden van het Europees Parlement. Vroeger kon dat vaak alleen advies geven, maar nu kan het ook echt meebeslissen. Daardoor is het democratische gehalte van de meeste Europese besluiten voldoende gewaarborgd en is de behoefte aan controle door de Staten-Generaal volgens de wetgever verminderd.