Naar hoofdinhoud Naar hoofdnavigatiemenu
E090034
Laatste revisie: 06-11-2014

E090034 - Voorstel voor een richtlijn betreffende de bescherming van dieren die voor wetenschappelijke doeleinden worden gebruikt



Het huidige voorstel beoogt het herstel van gelijke concurrentievoorwaarden voor het bedrijfsleven en het wetenschappelijk onderzoek in de hele EU, en tegelijk - conform het aan het EG-Verdrag gehechte Protocol betreffende het welzijn van dieren - de versterking van de bescherming van dieren die in wetenschappelijke procedures worden gebruikt. Het voorstel ondersteunt de algemene strategie van de Commissie inzake dierproeven, inclusief de intensievere bevordering van de ontwikkeling, validatie, acceptatie en toepassing van alternatieve methoden, en verschaft een stevige basis voor een volledige tenuitvoerlegging van de beginselen van de drie V's - vervanging, vermindering en verfijning - van het proefdierengebruik.


Stand van zaken

Behandelfase Eerste Kamer: implementatietraject gestart.


Kerngegevens

document Europese Commissie

COM(2008)543PDF-document, d.d. 5 november 2008

rechtsgrondslag

VwEU artikel 114

commissie Eerste Kamer

beleidsterrein


Implementatie

Richtlijn 2010/63/EUPDF-document is op 22 september 2010 ondertekend door de Raad en het Europees Parlement en op 20 oktober 2010 gepubliceerd in Pb EU L276. De richtlijn diende voor 10 november 2012 geïmplementeerd te zijn.

Implementatie zal geschieden middels een wijziging van de Wet op de dierproeven die op 3 juli 2013 werd ingediend bij de Tweede Kamer (zie kamerstukken in de serie 33.692) en een wijziging van het Dierproevenbesluit. Wetsvoorstel 33.692 werd op 10 december 2013 aangenomen en ligt nu ter behandeling in de commissie EZ van de Eerste Kamer. 

De Europese Commissie heeft op 16 oktober 2014 besloten bij het Hof van Justitie beroep in te stellen wegens niet-tijdige implementatie van de richtlijn.

Bron: Kwartaaloverzicht omzetting EG-Richtlijnen, stand per 1 oktober 2014.


Behandeling Eerste Kamer

De commissie voor Europese Samenwerkingsorganisaties (ESO) besloot op 10 maart 2009 dat zij onderhavig voorstel onder de aandacht wil brengen van de commissie voor Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV).

De commissie LNV besloot op 24 maart 2009 dat zij onderhavig voorstel wil doorverwijzen naar de commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) daar het onderwerp van deze conceptrichtlijn gerelateerd is aan de Wet op de dierproeven waarvoor de minister van VWS primair verantwoordelijk is.

Op 31 maart 2009 besprak de commissie VWS onderhavig voorstel en besloot dit opnieuw te agenderen zodra het Nederlandse standpunt verder is bepaald op basis van momenteel nog

uitstaand onderzoek.

De commissie VWS besloot op 8 september 2009 de behandeling aan te houden tot 22 september 2009. Op deze dag besloot de commissie dat zij zich kon vinden in de inbreng zoals geleverd door de fractie van de SP en werd deze als commissiebrief verstuurd naar de minister.

Tijdens de vergadering op 8 december 2009 werd door het lid Peters (SP) gesignaleerd dat het ministerie van VWS niet tijdig dat wil zeggen voorafgaand aan de Europese Raad van 14 16 december 2009 heeft gereageerd op de commissiebrief van 24 september 2009. De commissie heeft het ministerie op 9 december 2009 schriftelijk verzocht op zeer korte termijn te komen tot beantwoording van deze commissiebrief.

De minister van VWS stuurde op 10 december 2009 een reactie die tijdens de vergadering op 15 december 2009 besproken werd. De commissie heeft naar aanleiding hiervan opnieuw een brief verstuurd met een verzoek om nadere informatie.

Tijdens de commisievergadering van 29 juni 2010 heeft de commissie de mededeling COM(2010)324 voor kennisgeving aangenomen.

De minister van VWS heeft op 26 november 2010 een brief gestuurd waarin wordt ingegaan op de aanneming van de richtlijn en nog openstaande vragen uit de brief van de commissie VWS van 24 september 2009. Op 30 november 2010 betuigde de commissie haar instemming met het antwoord en nam dit voor kennisgeving aan.


Behandeling Tweede Kamer

De ministers van Volksgezondheid, Welzijn en Sport stuurde op 21 april 2009 een brief aan de Tweede Kamer naar aanleiding van het verzoek om een standpunt alsmede een stand van zaken over onderhavig voorstel. De minister liet weten dat momenteel een wetenschappelijke analyse van het voorstel wordt uitgevoerd.

Op 15 juni 2009 stuurde de minister van VWS per brief een aanvulling van het Nederlandse standpunt zoals weergegeven in het BNC-fiche. Hij laat onder andere weten dat het onderhavige voorstel op veel punten aansluit op principes van dierexperimenteel onderzoek die in Nederland al gangbaar zijn, zoals de ethische toets, het verplichtend gebruik van alternatieven en de ban op het gebruik van mensapen.

  • brief
    Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport - 30168, 12
    15 juni 2009
  • brief
    Tweede Kamer - 30168, 11
    21 april 2009

Standpunt Nederlandse regering

Herziening van de huidige richtlijn is nodig om een level playing field te creëren. Een aantal van de vastgestelde problemen kan niet in voldoende mate door de lidstaten worden opgelost, omdat precies het nemen c.q. niet nemen van maatregelen door de lidstaten aan de basis ligt van de onderhavige distorsie van de interne markt. Aanpassing van de reeds bestaande richtlijn is de beste manier om dit op te lossen. Harmonisatie van de regels en het ambitieniveau is belangrijk voor een goed welzijn van proefdieren in alle Europese landen. Het staat de lidstaten vrij strengere maatregelen vast te stellen dan de maatregelen van de voorgestelde richtlijn, voor zover zij voldoen aan de veiligheidseisen van artikel 95, lid, 4, van het EG-Verdrag.

Op hoofdlijnen oordeelt Nederland positief over proportionaliteit. Herziening van de huidige richtlijn is nodig om een betere bescherming van de proefdieren in alle lidstaten en een level playing field te creëren. Nederland hecht waarde aan stringente Europese regels voor dierenwelzijn (conform het coalitieakkoord). Derhalve staat Nederland in beginsel positief tegenover het initiatief van de Commissie. De beoogde balans tussen de doelstelling van de richtlijn en de administratieve lasten verdient echter aandacht in de uitwerking van de richtlijn. Gezien de complexiteit van dit beleidsveld is een definitief oordeel over de inhoud van het voorstel nog niet te geven.

  • bnc-fiche
    Ministerie van Buitenlandse Zaken - 22.112, 817
    24 februari 2009

Samenvatting voorstel Europese Commissie

Het huidige voorstel beoogt het herstel van gelijke concurrentievoorwaarden voor het bedrijfsleven en het wetenschappelijk onderzoek in de hele EU, en tegelijk - conform het aan het EG-Verdrag gehechte Protocol betreffende het welzijn van dieren - de versterking van de bescherming van dieren die in wetenschappelijke procedures worden gebruikt. Het voorstel ondersteunt de algemene strategie van de Commissie inzake dierproeven, inclusief de intensievere bevordering van de ontwikkeling, validatie, acceptatie en toepassing van alternatieve methoden, en verschaft een stevige basis voor een volledige tenuitvoerlegging van de beginselen van de drie V's - vervanging, vermindering en verfijning - van het proefdierengebruik. De bepalingen van deze richtlijn hebben betrekking op de harmonisatie van de interne markt op het gebied van de fok, de toelevering en het gebruik van dieren. De concept richtlijn verbreedt de scope door ook ongewervelde diersoorten op te nemen.

De voorgestelde richtlijn bevat eisen inzake:

  • de aanschaf, het fokken, het merken en het houden van dieren, met inbegrip van eisen inzake de huisvesting en verzorging daarvan;
  • het verlenen van vergunningen aan, en het functioneren van, inrichtingen die dieren fokken, toeleveren of gebruiken alsmede de inspectie van die inrichtingen;
  • het verlenen van vergunningen aan personen die dieren gebruiken of verzorgen of die projecten waarbij dieren worden gebruikt superviseren of die verantwoordelijk zijn voor het opzetten van dergelijke projecten;
  • de beoordeling en toelating van projecten waarbij dieren worden gebruikt, met inbegrip van de beoordeling achteraf van dergelijke projecten;
  • de keuze van procedures en de manier waarop ze worden uitgevoerd;
  • de ontwikkeling, validatie, acceptatie in de regelgeving en toepassing van alternatieve benaderingen;

transparantie door de bekendmaking van niet-technische informatie over projecten, nationale uitvoeringsregels en -richtsnoeren, rapportage over de toepassing en rapportage van statistische gegevens.

De Commissie stelt dat de voordelen die voortvloeien uit een vermindering van de administratiekosten en het voorkomen van onnodige proeven rond € 90 miljoen per jaar kunnen zijn voor de uitvoerders van dierproeven. Bij de berekening van de netto meerkosten van de herziening kan deze besparing van € 90 miljoen worden afgetrokken van de bruto toename van de kosten van € 143,7 miljoen. De netto meerkosten komen volgens de Commissie daarmee op rond € 51 miljoen per jaar te liggen. De Commissie schat de totale uitgaven aan dierproeven op € 2,9 miljard. Verdere voordelen/besparingen die het gevolg zijn van betere wetenschappelijke resultaten zijn aannemelijk, maar zijn nog niet in de berekening in aanmerking genomen.

Nederland schat in dat de eisen binnen deze voorgestelde richtlijnen hoogstwaarschijnlijk administratieve lasten zullen opleveren op het gebied van vergunningverlening (eisen t.a.v. aanvragen), te volgen procedures en toezicht. In het kader van het 'Better Regulation' programma van de Europese Commissie betekent dit een ongewenste lastenverzwaring.

Op 15 juni 2010 heeft de Europese Commissie een mededeling gepubliceerd inzake het standpunt van de Raad in eerste lezing over onderhavig voorstel voor een richtlijn.


Behandeling Raad

Het Voorzitterschap stuurde op 17 juni 2009 een voortgangsrapportPDF-document inzake de behandeling van onderhavig voorstel naar de Raad.

Tijdens de Landbouw- en Visserijraad van 14-16 december 2009 werd een stand van zaken gegeven door het Voorzitterschap. De nieuwe conceptversie van de richtlijn betreft een compromis dat de Europese Commissie kan steunen. Alle tijdens deze Raad gemaakte opmerkingen worden meegenomen in de verdere discussie over de richtlijn.

Op 3 juni 2010 heeft de Raad haar standpunt in eerste lezing vastgesteld. Er zijn onder andere wijzigingen voorgesteld met betrekking tot de vergunningen voor personen, het uniaal referentielaboratorium, de vrijwaringsclausules en de indeling naar ernst van de procedures.

Richtlijn 2010/63/EUPDF-document is 20 oktober 2010 gepubliceerd in PbEU L 276.

In de databank EUR-Lex wordt de laatste stand van zaken in de Europese behandeling van het voorstel weergegeven.


Behandeling Europees Parlement

Op 5 mei 2009 nam het Europees Parlement een resolutie aan ten aanzien van onderhavig voorstel.

De commissie Landbouw en plattelandsontwikkeling van het EP heeft 12 juli 2010 de ontwerp aanbeveling van EP lid Jeggle aangenomen. Deze tekst geeft uitdrukking aan de overeenkomst die was bereikt tussen het EP en de Raad. Het EP zal in september 2010 stemmen over de ontwerp aanbeveling.

Het EP heeft 8 september 2010 een resolutie aangenomen waardoor het gebruik van dieren voor wetenschappelijk experimenten binnenkort aan strengere regels wordt onderworpen. De aangenomen tekst (opgesteld door rapporteur Elisabeth Jeggle) geeft een eerder bereikt akkoord met de Raad weer. Lidstaten krijgen twee jaar de tijd om te voldoen aan de nieuwe regels.  

In de databank OEIL van het Europees Parlement wordt de laatste stand van zaken in de behandeling van het voorstel weergegeven.


Standpunten andere lidstaten (IPEX)

In de databank IPEX wordt de behandeling van het voorstel in de diverse (kandidaat) lidstaatparlementen weergegeven.


Alle bronnen

Sociale media menu


Volg via