Naar hoofdinhoud Naar hoofdnavigatiemenu
E090119
Laatste revisie: 02-08-2010

E090119 - Richtlijn betreffende minimumnormen voor de erkenning en status van derdelanders en staatlozen als vluchtelingen of als personen die anderszins internationale bescherming behoeven



De commissie memoriseert de conclusies van Tampere, waar een gemeenschappeld biedwerkelijke asielprocedure en een uniforme status voor personen die asiel genieten als doel voor de lange termijn werd vastgesteld en noemt enkele gerealiseerde instrumenten (instelling Europees Vluchtelingenfonds, Eurodac-verordening, richtlijn minimumnormen bij massale instroom ontheemden) en enkele gerelateerde ontwerpinstrumenten (rl. minimumnormen procedures vluchtelingenstatus, rl. minimumnormen opvang asielzoekers, verordening m.b.t. nadere uitwerking "overeenkomst van Dublin").

Deze ontwerprichtlijn past in een reeks ontwerprichtlijnen ter harmonisatie van het asielbeleid. Het voorstel vormt een eerste stap naar een uiteindelijk gemeenschappelijk asielstelsel. In de mededeling over het asielbeleid (E090102) heeft de EC al deze voorstellen in een kader geplaatst.


Stand van zaken

Behandelfase Eerste Kamer: implementatietraject gestart.

Nationaal

Op 1 april 2008 is een voorstel tot Wijziging van de Vreemdelingenwet 2000 aangenomen door de Eerste Kamer (zie kamerstukken met nummer 30925).

Europees

Richtlijn 2004/83/EGPDF-document is gepubliceerd in Pb EU L 304 van 30 september 2004. 


Kerngegevens

document Europese Commissie

COM(2001)510PDF-document, d.d. 12 september 2001

commissie Eerste Kamer

beleidsterreinen


Implementatie

Voor de implementatie van richtlijn 2004/83/EGPDF-document dienen de Vreemdelingenwet 2000 en het Vreemdelingenbesluit 2000 te worden aangepast. Op 1 april 2008 is een voorstel tot Wijziging van de Vreemdelingenwet 2000 aangenomen door de Eerste Kamer (zie kamerstukken met nummer 30925).

Bron: kwartaaloverzicht omzetting EG-richtlijnen, stand per 1 april 2008 .

Richtlijn 2004/83/EG is tijdens de Raad van 29 april 2004 aangenomen en diende voor 10 oktober 2006 te zijn geïmplementeerd; de implementatiedatum is dus verstreken. Hierover zijn kamervragen gesteld door Klaas de Vries (als Tweede Kamerlid). Begin juli 2007 heeft de Europese Commissie een met redenen omkleed advies aan Nederland gestuurd voor het niet tijdig omzetten van de richtlijn. Op 31 december 2007 loopt de ingebrekestellingsprocedure tegen Nederland nog.


Behandeling Eerste Kamer

Op 27 april 2004 heeft de Eerste Kamer ingestemd.

Op 20 april 2004 heeft de Eerste Kamer ingestemd met de ontwerprichtlijn.

Op 26 maart 2004 werd instemming onthouden omdat men de definitieve tekst wenst af te wachten.

Op 17 februari 2004 werd instemming onthouden omdat men de definitieve tekst wenst af te wachten.

Op 20 januari 2004 werd instemming onthouden omdat men de definitieve tekst wenst af te wachten.

Op 25 november 2003 werd instemming onthouden (motie Jurgens).

Op 3 juni 2003 werd instemming onthouden (motie Jurgens).

Op 6 mei 2003 werd instemming onthouden (motie Jurgens).

Op 18 februari 2003 werd instemming onthouden (motie Jurgens).

Op 26 november 2002 werd instemming onthouden (taalversie, documenten te laat, noodzaak zorgvuldige bestudering ontwerprichtlijn).

Op 8 oktober 2002 werd instemming onthouden (taalversie, noodzaak zorgvuldige bestudering ontwerprichtlijn).


Behandeling Tweede Kamer

Op 28 april 2004 werd ingestemd.

Op 3 juni 2003 informeerde mw. Griffith (VVD) naar de mate van compromisbereidheid. Mw. Halsema (Groen Links) gaf aan dat subsidiair beschermden een grote groep personen wordt met een onduidelijke rechtspositie in de Europese Unie. De Nederlandse vreemdelingenwet waarin geen onderscheid wordt gemaakt tussen vluchtelingen en subsidiair beschermden qua rechten en plichten komt door deze richtlijn ter discussie te staan. Minister Verdonk gaf aan dat de Vreemdelingenwet uitgangspunt is in de onderhandelingen, al zijn er lidstaten die anders over het onderscheid denken.

De Tweede Kamer stemde in op 3 juni 2003, met de aantekening dat Groen Links nog kanttekeningen heeft.

Op 7 mei 2003 gaf de Tweede Kamer te kennen in te kunnen stemmen met de voorliggende tekst (6733/03). Mocht er nog een compromis uitgewerkt worden, dan moet de herziene tekst weer aan de Kamer voorgelegd worden. Alle kamerleden achtten de regering te zeer compromisbereid, terwijl er maar één lidstaat dwarsligt. Mw. Kalsbeek wilde weten of het mogelijk was dat het toestaan van afwijking van de regels door één lidstaat ten gevolge heeft dat ook andere lidstaten die ruimte ook krijgen. Mw. van der Laan suggereerde een opt-out mogelijkheid te cre-eren voor alleen Duitsland onder handhaving van het minimumniveau voor de andere lidstaten.

Op 20 februari 2003 berichtte de voorzitter Tweede Kamer dat deze ontwerprichtlijn de uitdrukkelijke instemming van de Kamer behoeft.

Op 26 november 2002 werd instemming onthouden.

De TK heeft (i.v.m. overlijden prins Claus werd AO met de bewindslieden op 10 oktober 2002 geschrapt) op alle ontwerpbesluiten die het Koninkrijk beogen te binden een parlementair voorbehoud gemaakt.

Tijdens het AO op 11 september 2002 werden vragen gesteld over de trage voortgang bij het vaststellen van minimumnormen vluchtelingendefinitie, over de verenigbaarheid van Nederlandse wetsvoorstellen met Europese ontwikkelingen, hoe wordt omgegaan met niet-statelijke actoren bij afwezige staat, opvang in de regio (suggestie: speerpunt tijdens Nederlands voorzitterschap EU). Minister Nawijn gaf aan dat internationale verdragen gerespecteerd zullen worden, maar dat je daarbuiten zo strak mogelijk moet zijn. Dus ook terughoudendheid t.a.v. subsidiaire bescherming bij vervolging door niet-statelijke actoren waar een overheid ontbreekt om bescherming te bieden, bijv. Somalië. Nawijn gaf echter aan de opvattingen van de andere lidstaten en van de hoge commissaris voor de vluchtelingen in zijn eindoordeel te willen betrekken.


Standpunt Nederlandse regering

De regering geeft aan sterk te hechten aan het tot stand brengen van minimumnormen t.a.v. de vluchtelingen definitie en subsidiaire vormen van bescherming en het aan deze beschermingsvormen gekoppelde niveau van rechten en voorzieningen. Het vormt een belangrijk onderdeel om secundaire migratie tegen te gaan.

De regering spreekt zich positief uit over de subsidiariteit en proportionaliteit. Er wordt niet ingegaan op de consequenties voor de regelgeving.

  • bnc-fiche
    Ministerie van Buitenlandse Zaken - 22.112, 219 fiche 3
    28 januari 2002

Openbaarheid

Raadsdocument 7944/04 is openbaar.


Samenvatting voorstel Europese Commissie

De commissie memoriseert de conclusies van Tampere, waar een gemeenschappeld biedwerkelijke asielprocedure en een uniforme status voor personen die asiel genieten als doel voor de lange termijn werd vastgesteld en noemt enkele gerealiseerde instrumenten (instelling Europees Vluchtelingenfonds, Eurodac-verordening, richtlijn minimumnormen bij massale instroom ontheemden) en enkele gerelateerde ontwerpinstrumenten (rl. minimumnormen procedures vluchtelingenstatus, rl. minimumnormen opvang asielzoekers, verordening m.b.t. nadere uitwerking "overeenkomst van Dublin").

Het onderhavige voorstelPDF-document behelst het vaststellen van minimumnormen ten aanzien van de erkenning van vluchtelingen of subsidiair beschermden. Het voorstel kent een uitgebreide toelichting (40p), omdat de definitie van vluchtelingen en subsidiair beschermden en de voorwaarden waaronder hen deze status wordt verleend nauw let.

In grote lijnen:

  • Hoofdstuk 1 regelt de doelstelling van de richtlijn (het biedt een kader voor de lidstaten gefundeerd op internationale verdragen en communautaire verplichtingen, onder erkenning van het primaat van het Verdrag van Genève) en enkele algemene definities (internationale bescherming, verdrag van genève, vluchteling, vluchtelingenstatus, persoon die voor subsidiaire bescherming in aanmerking komt, subsidiaire beschermingsstatus, verzoek om internationale bescherming, asielverzoek, verzoek om subsidiaire bescherming, familieleden, begeleidende familieleden, alleenstaande minderjarigenverblijfstitel, land van herkomst),
  • Hoofdstuk 2 regelt de algemene voorwaarden voor internationale bescherming die er op neerkomen dat een persoon in het land van herkomst niet voldoende bescherming wordt geboden en levert twee complementaire categorieën begunstigden of: of vluchteling of subsidiair beschermde. Art. 5, lid 1 geeft een definitie van vluchteling die overeenkomt met die van het Verdrag van Genève (gegronde vrees voor vervolging wegens ras, religie, nationaliteit, politieke overtuiging, het behoren tot sociale groep). E.e.a. wordt nader uitgewerkt in hoofdstuk 3.

    Art 5, lid 2 geeft ter aanvulling van het Verdrag van Genève - een definitie van personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming (gegronde vrees voor ernstige, ongerechtvaardigde schade en geen bescherming in land van herkomst). E.e.a. wordt nader uitgewerkt in hoofdstuk 4. Begeleidende familieleden krijgen dezelfde status, tenzij hen individueel weigeringsgronden kunnen worden tegengeworpen.

    Dit hoofdstuk regelt verder de beoordeling van verzoeken om internationale bescherming (relevante feiten in land van herkomst, objectief vast te stellen vrees, eerdere (dreiging) van vervolging/schade voorzover indicatief voor de toekomst, individuele factoren, bestaan van wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen in land van herkomst die vervolging/schade toestaan of verschonen) Ook veranderde omstandigheden na het verlaten van het land van herkomst moeten worden meegewogen indien relevant (waarbij misbruik, nl. het scheppen van condities waarmee aan de voorwaarden voor bescherming wordt voldaan, evenwel mag leiden tot afwijzing). Bij de beoordeling wordt meegewogen of de vervolging/schade uitgaat van (a) de staat, (b) organisaties die de staat beheersen (c) niet-overheidsactoren wanneer de staat geen bescherming kan bieden. Is dat laatste wel het geval, dan zal er geen subsidiaire bescherming geboden worden (de toelichting geeft uitgebreide criteria). Ook niet wanneer niet-overheidsactoren feitelijk bescherming bieden als waren zij staatsorganen. Artikel 10 regelt de beoordeling van de vraag of er binnenlandse bescherming mogelijk is in een deel van het land van herkomst.

  • Hoofdstuk 3 stelt nadere regels m.b.t. de erkenning van vluchtelingen: aard van de vervolging (opzettelijke, aanhoudende, stelselmatige ernstige vervolgingshandelingen, gevaar voor leven veiligheid, vrijheid; misbruik van legale bevoegdheden die gevaar voor leven, veiligheid, vrijheid opleveren, onthouding rechtsmiddelen, onevenredig zware discriminerende straffen, criminalisering v.e. grondrecht, wegens weigering militaire dienstplicht bij conflicterende morele overtuigingen) de gronden voor vervolging ras, religie, nationaliteit, sociale groep, politieke overtuiging worden nader uitgewerkt. Artikel 13 regelt de beëindiging van de vluchtelingenstatus; wanneer uit handelingen van de vluchteling blijkt dat er geen angst mee bestaat (bv terugkeer, nationaliteit weer aanvragen), verkrijgen van een andere nationaliteit van een land dat bescherming biedt, veranderde situatie (voldoende ingrijpend en duurzaam) in het land van herkomst (ook bij staatlozen leidend tot terugkeer). De bewijslast ligt bij de lidstaat die de status intrekt. De vluchtelingenstatus wordt uitgesloten bij geldende bescherming VN/UNHCR, genaturaliseerden, plegers van oorlogsmisdaden of ernstige niet-politieke misdaden (voor datum aanvraag vluchtelingenstatus), daden in strijd met beginselen VN. Uitsluiting enkel o.g.v. persoonlijk bewust gedrag van betrokkene, met beroepsmogelijkheid.
  • Hoofdstuk 4 regelt drie categoriën personen die niet in aanmerking komen voor de vluchtelingenstatus, maar wel subsidiaire bescherming dienen te krijgen (foltering, ernstige schending mensenrecht, bedreiging leven, veiligheid vrijheid als gevolg van willekeurig geweld of gewapend conflict en bij stelselmatige schending van de mensenrechten) en regelt wanneer die status ingetrokken kan worden (veranderde situatie in het land van herkomst) en uitsluitingsclausules (plegers oorlogsmisdaden enz. zoals bij intrekking vluchtelingenstatus).
  • Hoofdstuk 5 regelt de minimale verplichtingen van lidstaten jegens degenen die internationale bescherming genieten onverminderd de bepalingen van het Verdrag van Genève. Lidstaten moeten rekening houden met de specifieke behoeften van kwetsbare groepen. (lidstaten zijn verplicht voorlichting te geven in een begrijpelijke tal over de beschermingsstelsels, vluchtelingenstatus (+ familie) voor tenminste 5 jaar met automatische verlengd kan worden, status subs, beschermde (+familie) tenminste 1 jaar, steeds automatisch met 1 jaar te verlengen tot geen bescherming meer nodig is. Na verloop van tijd status langdurig ingezetene (verwijzing naar een andere richtlijn die nog in onderhandeling is) Vluchtelingen krijgen een reisdocument, subsidiair beschermden ook wanneer zij geen nationaal paspoort kunnen krijgen. Vluchtelingen mogen onmiddellijk werken, beroepopleiding volgen e.d.. Subsidiair beschermden mogen na tenminste na zes maanden werken en na tenminste 1 jaar een opleiding volgen. Alle minderjarigen hebben recht op onderwijs. Verder non-discriminatie t.a.v. volwassenenonderwijs, erkenning diploma's, beloning, sociale zekerheid, gezondheidszorg (incl. psychologische zorg en revalidatie). Alleenstaande minderjarigen dienen een voogd te krijgen die naar behoren in de behoeften van de minderjarig voorziet. Lidstaten zorgen voor plaatsing bij familieleden, pleeggezin, centrum voor minderjarigen of tehuizen (met adequaat opgeleid personeel), waarbij broers en zussen bijeenblijven metzo min mogelijk verhuizingen. Lidstateb treffen maatregelen om familie op te sporen voorzover in het belang van het kind. Lidstaten dragen zorg voor passende huisvesting. Het vrije verkeer wordt niet beperkt binnen hun grondgebied. Steunprogramma's voor de integratie (bij subsidiair beschermden na 1 jaar) Toegang tot programma;s voor vrijwillige repatriëring.
  • Hoofdstuk 6 en 7 geeft regels om de volledige tenuitvoerlegging van de richtlijn te garanderen. Nationale contactpunten, instelling contactcomité, adequate opleidingen, discriminatieverbod, verslaglegging, implementatie per 30 april 2004, notificatieplicht relevante bepalingen intern recht.


Behandeling Raad

JBZ-Raad 29 april 2004 (agendapunt 2a)

Staat geagendeerd als hamerstuk.

JBZ-Raad 30 maart 2004 (agendapunt B5)

Op deze richtlijn is een politiek akkoord bereikt. Na intensieve bespreking zijn er aanpassingen gedaan in de artikelen 21, tweede lid en 24, derde lid. Hier konden alle lidstaten mee instemmen.

Er is tevens afgesproken, na druk vanuit een van de lidstaten, dat er een differentiatie komt tussen vluchtelingen en subsidiair beschermden voor wat betreft de toegang tot de arbeidsmarkt.

JBZ-Raad 19 februari 2004 (agendapunt B7)

Het Ierse Voorzitterschap heeft meerdere malen aangegeven te streven naar het bereiken van een politiek akkoord op de gehele Richtlijn vóór de door de het Verdrag van Amsterdam en de Europese Raad van Tampere gestelde deadline van 1 mei 2004. Alleen Duitsland ziet op onderdelen van de ontwerp-richtlijn nog altijd knelpunten. Deze Lidstaat wenst met name een grotere mate van differentiatie tussen rechten en voorzieningen van vluchtelingen enerzijds en subsidiair beschermden anderzijds. Nederland hecht groot belang aan de onderhavige richtlijn en zal zich daarom compromisbereid tonen. De inzet van Nederland zal zijn gericht op behoud van een zo sterk mogelijke rechtspositie voor personen aan wie subsidiaire bescherming is verleend.

JBZ-Raad 27/28 november 2003

Volgens het verslag heeft de Raad, op voorstel van de Voorzitter, slechts kennis genomen van de stand van zaken op dit dossier.

Het Voorzitterschap streeft naar het bereiken van een politiek akkoord op de gehele Richtlijn. Tijdens de bijeenkomst van de Raad van 5 en 6 juni jl. kon er over dit voorstel geen compromis worden bereikt in de Raad. Duitsland ziet op onderdelen van de Richtlijn nog knelpunten. Deze lidstaat wenst met name een grotere mate van differentiatie tussen rechten en voorzieningen van vluchtelingen enerzijds en subsidiair beschermden anderzijds. Nederland hecht groot belang aan de onderhavige richtlijn en zal zich derhalve compromisbereid tonen. De inzet van Nederland zal zijn gericht op behoud van een zo sterk mogelijke rechtspositie voor personen aan wie subsidiaire bescherming is verleend.

JBZ-Raad 6 juni 2003

De minister meldt in het verslag van de JBZ-Raad van 5/6 juni 2003 dat de Voorzitter aangaf dat hij niet verwachtte dat er op dit punt tijdens de Raad een compromis kon worden bereikt. De Duitse delegatie liet weten vooralsnog niet in te kunnen stemmen met de bepalingen inzake de uitbreiding van de status naar de gezinsleden. De Voorzitter sloot na deze mededeling dit agendapunt af. De richtlijn zal verder worden besproken in het Comité van Permanente Vertegenwoordigers.

In de Raad van 27-28 februari 2003 werd gesproken over de nog uitstaande punten op het hoofdstuk inzake rechten en voorzieningen zoals neergelegd in 6566/03, Add 1, Add 1 Cor 1.

Ten aanzien van het niveau van rechten en voorzieningen voor personen van wie is vastgesteld dat zij bescherming behoeven, bestaat in grote mate consensus. Echter, één lidstaat was nog niet in staat om de voorbehouden op te heffen vanwege het feit dat de parlementaire behandeling van de nationale wetgeving nog niet is afgerond. Deze lidstaat is tevens van mening dat er een duidelijker onderscheid gemaakt dient te worden tussen rechten en voorzieningen voor vluchtelingen enerzijds en houders van subsidiaire bescherming anderzijds.

De meerderheid van de lidstaten, waaronder Nederland, meent daarentegen dat een grote mate van differentiatie tussen beide groepen niet gerechtvaardigd is. Afronding van de bespreking van de ontwerp-richtlijn zal mede afhangen van het tijdstip van aanname van de nationale asiel- en migratiewetgeving in de bovengenoemde lidstaat.

Tijdens de JBZ-Raad van 28/29 november 2002 werd een deelakkoord bereikt m.b.t. de artikelen 1 t/m 19 van de ontwerp-richtlijn.

Ten aanzien van art. 12 was de inzet van Nederland samen met een aantal andere Lidstaten er op gericht dat opname van een nadere invulling van het begrip "bijzondere sociale groep", zoals neergelegd in het Vluchtelingenverdrag, de voorkeur verdient. Dit komt de harmonisatie ten goede. Daarnaast gaf Nederland er de voorkeur aan gevallen waarin ingevolge art. 33 lid 2 Vluchtelingenverdrag een uitzondering op het refoulement-verbod geldt, te regelen in art. 19 in plaats van in art. 14B van de ontwerp-richtlijn, om zodoende in de ontwerp-richtlijn het meest de structuur van het Vluchtelingenverdrag te volgen.

Nederland is van mening dat de uitsluitingsclausules ten aanzien van de vluchtelingenstatus en de status van subsidiaire bescherming zoveel mogelijk geharmoniseerd dienen te worden toegepast.

De JBZ-Raad van 14/15 oktober 2002 heeft vooral gesproken over de reikwijdte van het begrip subsidiaire bescherming. De regering heeft aangeven dat de Nederlandse inzet gericht is op het verminderen van onderlinge verschillen in het toelatingsbeleid en het voorzieningenniveau, om secundaire migratiestromen richting Nederland tegen te gaan. Nederland behoort bij een meerderheid van lidstaten die het begrip subsidiaire bescherming wil beperken tot internationale verplichtingen.

De Hoge Commissaris voor de Vluchtelingen, de heer Lubbers was uitgenodigd om tijdens de informele JBZ/Raad van 13 september 2002 zijn visie te geven op de ontwerp-richtlijn inzake de vluchtelingendefinitie en subsidiaire bescherming.

Hij sprak zijn steun uit voor een eenduidige Europese interpretatie van de vluchtelingendefinitie, waarbinnen vervolging door niet-statelijke partijen en een gender-inclusieve benadering een plaats zouden moeten krijgen. De heer Lubbers zei verder te zullen bezien op welke specifieke groepen asielzoekers versnelde en eenvoudige procedures van toepassing zouden kunnen zijn. Hij toonde zich tevens bereid tripartiete terugkeer-overeenkomsten te sluiten met landen van ontvangst enerzijds en landen van herkomst anderzijds. In aanvulling op de Conventie van Genève lanceerde de heer Lubbers het idee van een zogenaamde Conventie Plus. Ofschoon nog niet volledig uitgewerkt, komt dit idee er in de kern op neer dat secundaire migratiestromen worden tegengegaan door zo dicht mogelijk hulp te bieden daar waar asielzoekers vandaan komen. Andere elementen die van de Conventie Plus deel zouden kunnen uitmaken, betreffen: hervestiging van vluchtelingen en reïntegratie van diegenen die terugkeren na afloop van een conflict-situatie.

Nederland toonde interesse in de voorstellen van de Hoge Commissaris. Deze interesse betrof in het bijzonder de onderwerpen opvang in de regio en samenwerking ten aanzien van het terugkeerbeleid. Beide onderwerpen zouden in het middelpunt van de aandacht moeten staan. Voor wat betreft de ontwerp-richtlijn, pleitte Nederland voor een zo eenduidig mogelijke interpretatie van de vluchtelingendefinitie en van subsidiaire bescherming.

De meeste lidstaten benadrukten het belang van een goede samenwerking met landen van herkomst en transitlanden, waarbij, in geval van onvoldoende medewerking, eventuele maatregelen niet zouden mogen worden uitgesloten. Het belang van gezamenlijke terug- en overname-overeenkomsten werd eveneens breed gedeeld.

Sommige lidstaten pleitten voor een snelle totstandkoming van een gezamenlijke lijst van veilige landen van herkomst. Andere lidstaten legden de nadruk op het instellen van versnelde procedures voor groepen met een dun asielrelaas.

Een overgrote meerderheid van de lidstaten was met de Hoge Commissaris van mening dat vervolging door niet statelijke partijen een grond voor erkenning als vluchteling kan zijn. Een even zo grote meerderheid sprak zich uit voor een strikte interpretatie van het begrip subsidiaire bescherming. Lidstaten waren het er daarbij over eens dat dit begrip helder en ondubbelzinnig in de richtlijn zal moeten worden neergelegd.

In de databank EUR-Lex wordt de laatste stand van zaken in de Europese behandeling van het voorstel weergegeven.


Behandeling Europees Parlement

Het Europees Parlement heeft op 22 oktober 2002 een omvangrijke wetgevingsresolutie uitgebracht m.b.t. deze ontwerprichtlijn. O.m:

[13] Artikel 2, letter j), inleidende formule en punt (i)

"familieleden", gebaseerd op het beginsel van de familie-eenheid:

de echtgenoot van de verzoeker of diens niet-gehuwde partner, ongeacht het geslacht, met wie hij een duurzame relatie onderhoudt, indien de wetgeving of de praktijk van de betrokken lidstaat ongehuwde paren en paren van gelijk geslacht vergelijkbaar met gehuwde paren behandelt;

[14] Artikel 2, letter j), punt (ii)

de kinderen van de onder i) bedoelde paren, van de verzoeker en van diens echtgenote of duurzame partner, mits zij ongehuwd zijn en ten laste komen en ongeacht de vraag of zij wettige, buitenechtelijke of geadopteerde kinderen zijn, alsmede diens pleegkinderen;

[17] Artikel 3 bis (nieuw)

De lidstaten zien erop toe dat de verzoekers alle benodigde informatie wordt verstrekt en dat in het bijzonder de leden van eenzelfde familie erop worden gewezen dat zij afzonderlijke asielaanvragen kunnen indienen.

[18] Artikel 4

De lidstaten kunnen ter bepaling van wie als vluchteling wordt erkend of als persoon die subsidiaire bescherming behoeft en ter bepaling van de inhoud van de internationale bescherming gunstiger normen vaststellen of in stand houden dan in deze richtlijn worden bedoeld, indien deze met deze richtlijn verenigbaar zijn.

Deze richtlijn kan in geen geval worden gebruikt om gunstiger bepalingen die in de lidstaten bestaan te wijzigen.

[19] Artikel 4 bis (nieuw)

In het kader van maatregelen die de lidstaten overeenkomstig deze richtlijn nemen, moeten de rechten worden geëerbiedigd die vluchtelingen en asielzoekers bezitten in het kader van het Verdrag van Genève, alsook de rechten die voortvloeien uit de richtsnoeren in het Handboek van de UNHCR, artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, artikel 3 van het VN-Verdrag tegen marteling, artikel 7 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en andere internationale overeenkomsten.

[24] Artikel 7, letter a) (nieuw)

alle ter zake dienende feiten die door de verzoeker zijn verstrekt;

[25] Artikel 7, letter a) bis (nieuw)

of de verzoeker tegenstrijdige verklaringen aflegt ten gevolge van traumatische ervaringen die verband houden met de redenen voor zijn vlucht uit het land waar hij vreest vervolgd te worden;

[27] Artikel 7, letter e)

de vraag of er geloofwaardige aanwijzingen zijn dat er in het land van herkomst wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen dan wel tradities en gebruiken gelden en daadwerkelijk worden toegepast, die de vervolging van de verzoeker of het toebrengen van andere ernstige en ongerechtvaardigde schade aan de verzoeker toestaan of verschonen.

[28] Artikel 8, lid 2

Schrappen

[29] Artikel 9, lid 2

(toevoegen) Wil het systeem daadwerkelijke bescherming bieden, dan moet de staat bij machte en bereid zijn het zodanig toe te passen dat er geen noemenswaardig gevaar van vervolging of andere ernstige schade bestaat.

[30] Artikel 9, lid 3

Schrappen

[32] Artikel 10, lid 2, alinea 1 bis (nieuw)

De binnenlandse vluchtmogelijkheid moet voldoen aan de volgende normen:

  • de bescherming dient te worden geboden door een instantie de jure en niet slechts de facto;
  • het ontbreken van het gevaar van ernstige schade om in het Verdrag genoemde redenen in het voorgestelde gebied van binnenlandse bescherming moet objectief zijn vastgesteld en niet slechts redelijk onwaarschijnlijk worden geacht;
  • aanvrager moet het gebied van binnenlandse bescherming veilig, legaal en met respect voor zijn waardigheid kunnen bereiken;
  • het gebied van binnenlandse bescherming moet vrij zijn van omstandigheden die de personen wier aanvraag is afgewezen kunnen dwingen terug te keren in een gebied waar het gevaar van ernstige schade om in het Verdrag genoemde redenen bestaat, d.w.z. het moet een duurzame beschermingsmogelijkheid bieden en daadwerkelijke bescherming bieden tegen uitzetting naar het gebied waar de persoon vreest voor vervolging;
  • de omstandigheden in het binnenlandse beschermingsgebied moeten ten minste hetzelfde niveau van bescherming van essentiële mensenrechten bieden als het Verdrag van Genève.

[33] Artikel 11, lid 1, letter a)

het toebrengen van ernstige en ongerechtvaardigde fysieke of geestelijke schade of discriminatie op grond van ras, godsdienst, nationaliteit, geslacht, seksuele geaardheid, het behoren tot een etnische groep, politieke overtuiging of het behoren tot een bepaalde sociale groep, voorzover deze gezien hun karakter of het feit dat zij herhaaldelijk voorkomen zo ernstig zijn dat zij een aanzienlijk gevaar voor het leven, de fysieke integriteit, de vrijheid of de veiligheid van de verzoeker, of voor de eerbiediging van zijn grondrechten opleveren, dan wel deze verhinderen in zijn land van herkomst te wonen.

[38] Artikel 11, lid 1, letter d), punt (ii) bis (nieuw)

ingeval van deelname aan militaire activiteiten die door de internationale gemeenschap veroordeeld zijn;

[43] Artikel 13, lid 1, letter e)

omdat de omstandigheden in verband waarmee hij als vluchteling werd erkend, hebben opgehouden te bestaan, niet langer kan weigeren zich onder de bescherming te stellen van het land van zijn nationaliteit tenzij zijn sociale, economische en gezinsbanden in het gastland zijn terugkeer naar het land van herkomst moeilijk voorstelbaar maken, of wanneer uit een voorgaande vervolging dwingende redenen voortkomen om te weigeren gebruik te maken van de bescherming van het land van nationaliteit.

[45] Artikel 13, lid 1, alinea 2

In de onder a) tot f) bedoelde gevallen kan de verblijfstitel worden ingetrokken. De intrekking van de verblijfsvergunning gaat pas ten minste 6 maanden na kennisgeving in.

[46] Artikel 13, lid 2

De lidstaat die de vluchtelingenstatus heeft toegekend, draagt de bewijslast en moet aantonen dat de betrokkene om één van de in lid 1 genoemde redenen geen internationale bescherming meer behoeft; deze lidstaat voorziet tevens in een beroepsmogelijkheid tegen de genomen beslissing.

[47] Artikel 13, lid 2 bis (nieuw)

Het besluit tot beëindiging van de status van vluchteling wordt schriftelijk medegedeeld aan de betrokken staatsburger van een derde land. In de kennisgeving worden de beroepsmogelijkheden vermeld die voor belanghebbende openstaan, alsmede de termijn waarbinnen hij kan reageren.

[49] Artikel 14, lid 1, letter a)

Schrappen

[50] Artikel 14, lid 1, letter c, inleidende formule

van wie bekend is dat zij:

[51] Artikel 14, lid 1, letter c), punt (i) bis (nieuw)

als er een Europees bevel tot aanhouding van deze persoon bestaat;

[52] Artikel 14, lid 1, letter c), punt (i) ter (nieuw)

terroristische overtredingen heeft begaan of daarbij betrokken is, zoals bedoeld in kaderbesluit 2002/475/JBZ van 13 juni 20021 van de Raad inzake de bestrijding van terrorisme.

Vervolgens een aantal gelijksoortige amendementen t.a.v. subsidiair beschermden.

In de databank OEIL van het Europees Parlement wordt de laatste stand van zaken in de behandeling van het voorstel weergegeven.

  • PDF-document standpunt EP
    Europees Parlement - P5_TA(2002)0494
    22 oktober 2002

Reacties Derden


Alle bronnen

Sociale media menu